Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:5069

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
C 08/18/431 R en C 08/18/432 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Schenden van de inlichtingenplicht, onder meer wegens het verzwijgen van het huren van een kluis. Nu de kluis gedurende de regeling diverse keren is bezocht, kan de inhoud van de kluis op het moment van ingaan van de schuldsanering niet meer worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL


Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

Insolventienummers: C 08/18/431 R en C 08/18/432 R

Uitspraakdatum: 10 september 2019

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van

[belanghebbende 1] , geboren [1972] te [geboorteplaats] ,

en

[belanghebbende 2] ,geboren [1978] te [geboorteplaats] ,

beiden wonende [adres] , [woonplaats] ,

verder te noemen: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] .

In deze schuldsaneringsregelingen is de heer [A] , kantoorhoudende te Enschede, tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

Op 2 oktober 2018 is de wettelijke schuldsaneringsregeling op het [echtpaar] van toepassing verklaard.

Per brief van 9 juli 2019 heeft de bewindvoerder verzocht de regelingen tussentijds te beëindigen.

Op 29 augustus 2019 heeft het [echtpaar] hun verweerschrift afgegeven bij de informatiebalie van de rechtbank Overijssel. De griffier van de rechtbank heeft de bewindvoerder een kopie van het verweerschrift doen toekomen.

Het verzoek van de bewindvoerder is behandeld ter terechtzitting van 3 september 2019. Het [echtpaar] is ter terechtzitting verschenen. Daarnaast is de bewindvoerder ter terechtzitting verschenen. Van de behandeling ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

De beoordeling

Het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de regeling:

Het verzoek van de bewindvoerder wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

De bewindvoerder heeft verzocht om de schuldsaneringsregelingen tussentijds te beëindigen, omdat – kort samengevat – de verplichtingen die de wettelijke schuldsaneringsregeling met zich brengt, niet naar behoren worden nagekomen.

Het [echtpaar] heeft volgens de bewindvoerder niet aan de inlichtingenplicht voldaan. Zo is de bewindvoerder middels een exploot in maart 2019 bekend geworden dat het [echtpaar] de beschikking heeft over een kluis bij ING Bank. In de kluis zijn diverse sieraden/muntjes aangetroffen, waarvan de waarde door een deskundige op € 482,00 is vastgesteld. Uit de kluiskaarten is de bewindvoerder gebleken dat de kluis na toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is bezocht. Hierdoor kan de inhoud van de kluis ten tijde van toelating tot de schuldsaneringsregeling niet worden vastgesteld. Daarnaast heeft het [echtpaar] gedurende de schuldsaneringsregeling diverse keren niet tijdig en volledig op de informatieverzoeken van de bewindvoerder gereageerd. De bewindvoerder heeft lang moeten wachten op medische documenten die een verzoek tot vrijstelling van de sollicitatieplicht onderbouwen. Daarnaast heeft het [echtpaar] de gevraagde rekeningafschriften van ICS over de periode oktober 2017 tot heden niet verstrekt.

Ook heeft het [echtpaar] een nieuwe schuld tijdens de schuldsaneringsregeling laten ontstaan. Als gevolg van diverse procedures die zij zijn gestart is er een schuld aan hun advocaat ontstaan ter hoogte van € 627,00.

Ten aanzien van [belanghebbende 2] verzoekt de bewindvoerder ook om de regeling tussentijds te beëindigen, omdat [belanghebbende 2] niet aan de op haar rustende (aanvullende) sollicitatieplicht heeft voldaan. [belanghebbende 2] heeft in een telefoongesprek met de bewindvoerder gezegd dat zij zich niet met de sollicitatieplicht kan verenigen, echter heeft de bewindvoerder geen met medische documenten onderbouwd verzoek tot ontheffing van de sollicitatieplicht ontvangen.

De bewindvoerder heeft ter informatie opgemerkt dat de [gemeente] in november 2018 tot terugvordering van verstrekte Participatiewetuitkering over de periode 2 februari 2016 tot en met 30 september 2018 is overgegaan. Het [echtpaar] heeft bezwaar gemaakt tegen deze terugvordering. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Het beroep tegen die beslissing is lopende.

Het verweer van het [echtpaar] :

Het [echtpaar] is van mening dat zij niet in gebreke zijn geweest ten aanzien van het nakomen van de verplichtingen. Daarnaast zijn zij van mening dat zij niet verwijtbaar hebben gehandeld. Volgens het [echtpaar] zijn alle door de bewindvoerder genoemde punten in zijn verzoek tot tussentijdse beëindiging van de regelingen niet gegrond en niet terecht.

Over het schenden van de inlichtingenplicht heeft het [echtpaar] verklaard dat de bewindvoerder van meet af aan van het bezit van de kluis op de hoogte moet zijn geweest, nu dat ‘vermogen’ al jaren expliciet op de rekeningafschriften staat vermeld. Het bezit van de kluis is niet bewust voor de bewindvoerder verzwegen. Over het niet verstrekken van de rekeningafschriften van ICS heeft het [echtpaar] verklaard dat zij de afschriften niet hebben opgevraagd, omdat ICS hiervoor kosten ter hoogte van € 180,00 in rekening zal brengen.

Ten aanzien van de nieuwe schuld aan de advocaat ter hoogte van € 627,00 heeft het [echtpaar] opgemerkt dat deze schuld niet verwijtbaar is ontstaan. Zij hebben hierbij gerefereerd naar een e-mailbericht van de bewindvoerder aan Kaya Advocatenkantoor d.d.
28 februari 2019, waarin staat vermeld dat de bewindvoerder geen bezwaar heeft tegen het voeren van de (in een eerder genoemde mail) te voeren procedures, mits de hiermee samenhangende kosten door [belanghebbende 1] en/of [belanghebbende 2] worden voldaan.

Met betrekking tot het schenden van de (aanvullende) sollicitatieplicht door [belanghebbende 2] heeft het [echtpaar] gesteld dat er sprake is van een vrijstelling van de gemeente. [belanghebbende 2] heeft de bewindvoerder geïnformeerd dat de gemeente niet zonder reden tot vrijstelling is overgegaan. Zij wil wel werken, maar wegens haar problemen kan zij niet meer uren werken dan zij thans doet.

Over de terugvordering van de [gemeente] heeft het [echtpaar] verklaard dat hoewel de gemeente het bezwaar ongegrond heeft verklaard, dit niet betekent dat zij verwijtbaar hebben gehandeld. Voorts schrijven zij dat de beroepsprocedure nog lopende is, zodat deze terugvordering geen reden zou moeten zijn om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

De behandeling ter zitting:

Ter zitting heeft [belanghebbende 1] verklaard dat hij op 13 oktober 2019 een brief van de gemeente heeft ontvangen, waarin staat dat er fraude zou zijn gepleegd. Volgens [belanghebbende 1] waren zij er door deze brief niet helemaal met hun gedachten bij en hebben zij om die reden de bewindvoerder tijdens het huisbezoek niet geïnformeerd over het bezit van de kluis. Voorts heeft [belanghebbende 1] verklaard dat hij en zijn partner de papieren van de bewindvoerder niet helemaal begrijpen. Zij kunnen de Nederlandse taal wel spreken, maar niet goed lezen. Over het opvragen van de rekeningafschriften bij ICS heeft [belanghebbende 1] verklaard dat ICS de afschriften kan verstrekken, maar dat dit € 180,00 kost. Gelet op de hoogte van het leefgeld, kunnen zij dit niet betalen.

Ter zitting heeft [belanghebbende 2] verklaard dat er beroep is ingesteld tegen het terugvorderingsbesluit van de gemeente. De terechtzitting heeft op 16 augustus 2019 plaatsgevonden. De beslissing zou zes of zeven weken na de terechtzitting volgen. Ten aanzien van de kluis heeft [belanghebbende 2] verklaard dat zij de gemeente mondeling over de kluis heeft geïnformeerd. In 2015 is de moeder van [belanghebbende 2] overleden. Hierdoor was zij lichamelijk en geestelijk niet in goeden doen. Zij is misschien vergeten de bewindvoerder over het bezit van de kluis te informeren. Volgens [belanghebbende 2] heeft de inhoud van de kluis voornamelijk emotionele waarde. In de kluis liggen sieraden die zij van haar moeder heeft gekregen. Na het bericht van de bewindvoerder heeft [belanghebbende 2] direct de sleutel van de kluis ingeleverd. Ten aanzien van het verzoek tot vrijstelling van de aanvullende sollicitatieplicht heeft [belanghebbende 2] verklaard dat zij moeilijk in het bezit kon komen van de medische papieren die haar verzoek tot vrijstelling onderbouwen, waardoor het indienen van het verzoek langer heeft geduurd. Volgens [belanghebbende 2] komt dit, omdat zij geen vaste huisarts heeft.

De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat een eventueel taalprobleem voor rekening van het [echtpaar] dient te blijven. Indien zij de brieven en/of e-mailberichten van de bewindvoerder niet begrijpen ligt het op hun weg om daar hulp voor in te schakelen. Ten aanzien van het niet nakomen van de aanvullende sollicitatieplicht door [belanghebbende 2] heeft de bewindvoerder verklaard dat er na zijn verzoek tot tussentijdse beëindiging diverse documenten zijn overgelegd, op basis waarvan een eventuele vrijstelling van de aanvullende sollicitatieplicht kan worden gebaseerd. De bewindvoerder heeft echter (te) lang op deze documenten moeten wachten. Ten aanzien van het niet melden van het bezit van de kluis heeft de bewindvoerder verklaard dat hij bij het huisbezoek expliciet heeft gevraagd of het [echtpaar] in het bezit is van sieraden. Deze vraag is door het [echtpaar] ontkennend beantwoord. Omdat de kluis nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling op het [echtpaar] van toepassing is verklaard nog is bezocht, kan de inhoud van de kluis ten tijde van toelating niet meer worden vastgesteld.

De overwegingen van de rechtbank:

De rechtbank concludeert dat het verzoek van de bewindvoerder diverse redenen bevat, om welke reden de bewindvoerder van mening is dat de schuldsaneringsregeling van het [echtpaar] tussentijds moet worden beëindigd. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door de bewindvoerder aangedragen redenen tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen het navolgende.

Ten aanzien van de schuld aan de [gemeente] in verband met de terugvordering van de verstrekte Participatiewetuitkering overweegt de rechtbank dat deze vordering gelet op het beroep dat aanhangig is, thans nog niet onherroepelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze vordering op dit moment nog niet moet leiden tot een tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub f Faillissementswet.


Met betrekking tot de schuld aan de advocaat ter hoogte van € 627,00 in verband met de procedure tegen de gemeente is de rechtbank van oordeel dat niet vast is komen te staan dat dit een bovenmatige schuld betreft, om welke reden de schuld aan de advocaat op dit moment niet kan leiden tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub d Faillissementswet. Daarnaast heeft het [echtpaar] toestemming gekregen om de procedure tegen de gemeente te starten. Het [echtpaar] kan dan ook geen verwijt worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van deze schuld, om welke reden de rechtbank van oordeel is dat de regelingen wegens het ontstaan van deze schuld niet tussentijds moeten worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet.

Ten aanzien van het schenden van de inlichtingenplicht overweegt de rechtbank dat het [echtpaar] de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd moet voorzien van alle inlichtingen die voor een goed verloop van de regeling noodzakelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat het [echtpaar] de inlichtingenplicht heeft geschonden, om welke reden de schuldsaneringsregelingen tussentijds moeten worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Met betrekking tot de rekeningafschriften van ICS is de rechtbank van oordeel dat het [echtpaar] de gevraagde rekeningafschriften aan de bewindvoerder had moeten verstrekken. Dat ICS kosten in rekening zou brengen voor het (opnieuw) opvragen van de afschriften, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. ICS heeft de rekeningafschriften waar de bewindvoerder om heeft verzocht in het verleden aan het [echtpaar] verstrekt, echter heeft het [echtpaar] deze afschriften niet bewaard. Gezien het [echtpaar] in de periode waarover de bewindvoerder de rekeningafschriften heeft opgevraagd reeds aangemeld was bij de Stadsbank teneinde een minnelijke regeling te beproeven, hadden zij kunnen weten dat het van belang zou zijn deze afschriften te bewaren.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het [echtpaar] door het niet verstrekken van de gevraagde afschriften de inlichtingenplicht heeft geschonden.

Omtrent het niet verstrekken van inlichtingen over de kluis overweegt de rechtbank het navolgende. De bewindvoerder is van het bestaan van de kluis te weten gekomen, door de ontvangst van een exploot. Het [echtpaar] heeft de bewindvoerder niet op eigen initiatief geïnformeerd over het bestaan van de kluis. Tijdens het huisbezoek heeft de bewindvoerder gevraagd of het [echtpaar] in het bezit is van sieraden. Deze vraag is door het [echtpaar] ontkennend beantwoord. De rechtbank concludeert dat het [echtpaar] de bewindvoerder tijdens het huisbezoek onjuist heeft geïnformeerd, om welke reden zij naar oordeel van de rechtbank de inlichtingenplicht hebben geschonden.

Het verweer van het [echtpaar] dat de bewindvoerder van het bezit van de kluis op de hoogte moet zijn geweest, omdat het ‘vermogen’ op de rekeningafschriften staat vermeld, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Allereerst is het verweer van het [echtpaar] niet onderbouwd. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat het ‘vermogen’ op enig afschrift staat vermeld. Voorts overweegt de rechtbank dat als het ‘vermogen’ op enig afschrift zou zijn vermeld, en de bewindvoerder daaruit wellicht het bestaan van de kluis had kunnen afleiden, dit het [echtpaar] alsnog niet zou ontslaan uit hun verplichting om de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verstrekken die voor een goed verloop van de regeling noodzakelijk zijn. Het [echtpaar] had de bewindvoerder hoe dan ook over het bezit van de kluis moeten informeren, echter hebben zij dit nagelaten.

Ten aanzien van het verweer van het [echtpaar] dat zij er tijdens het huisbezoek met hun hoofd niet helemaal bij waren in verband met de terugvordering van de gemeente maakt het oordeel van de rechtbank dat het [echtpaar] de inlichtingenplicht heeft geschonden ook niet anders. Het is de verantwoordelijkheid van het [echtpaar] om de bewindvoerder correct en uit eigen beweging te informeren. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de kluis nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard diverse keren door het [echtpaar] is bezocht. Naar oordeel van de rechtbank had het [echtpaar] zich tijdens het bezoeken van de kluis kunnen en moeten realiseren dat zij de bewindvoerder niet over het bezit van de kluis hebben geïnformeerd. Het had vervolgens op de weg van het [echtpaar] gelegen de bewindvoerder alsnog over het bezit van de kluis te informeren, te meer daar de bewindvoerder het [echtpaar] tijdens het huisbezoek (nogmaals) op de verplichtingen van de regeling heeft gewezen. Dit heeft het [echtpaar] echter nagelaten, om welke reden de rechtbank van oordeel is dat de schending van de inlichtingenplicht ten aanzien van het bezit van de kluis het [echtpaar] moet worden aangerekend.

De rechtbank overweegt voorts dat nu het [echtpaar] het bezit van de kluis niet aan de bewindvoerder heeft gemeld, maar de kluis gedurende de regeling wel is bezocht, er niet meer kan worden vastgesteld wat de inhoud van de kluis ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling is geweest. De rechtbank concludeert dat er ten aanzien van het niet vermelden van het bezit van de kluis sprake is van een schending van de inlichtingenplicht, die thans niet meer ongedaan kan worden gemaakt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het niet verstrekken van de gevraagde rekeningafschriften en het niet vermelden van het bezit van de kluis is de rechtbank van oordeel dat de schuldsaneringsregeling van het [echtpaar] wegens het schenden van de inlichtingenplicht tussentijds moet worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet.

Meer specifiek ten aanzien van [belanghebbende 2] overweegt de rechtbank dat er vanaf het moment dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing is verklaard, er een aanvullende sollicitatieplicht op haar rust. Dat [belanghebbende 2] van de gemeente niet aanvullend hoeft te solliciteren doet hier niet aan af, nu de vrijstelling van de gemeente niet één op één overgenomen wordt in de wettelijke schuldsaneringsregeling. Nu [belanghebbende 2] geen met medische documenten onderbouwd verzoek tot ontheffing heeft ingediend, had zij aanvullend moeten solliciteren. De bewindvoerder heeft echter geen bewijzen van sollicitaties van [belanghebbende 2] ontvangen. Pas na het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, zijn er diverse documenten door
verstrekt, waaruit een eventuele arbeidsongeschiktheid zou kunnen blijken en op basis waarvan een eventuele vrijstelling zou kunnen worden verleend.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat [belanghebbende 2] de inlichtingenplicht ten aanzien van de inspanningsplicht heeft geschonden, om welke reden de schuldsaneringsregeling van [belanghebbende 2] eveneens moet worden beëindigd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de schuldsaneringsregeling van het [echtpaar] tussentijds moet worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c faillissementswet.

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en diens salaris vaststellen als hiernavolgend te bepalen.

De beslissing

De rechtbank:

  • -

    beëindigt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling;

  • -

    berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 2.353,45

(inclusief onkosten en omzetbelasting), en

- stelt het salaris (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op het voor salaris

beschikbare saldo van € 711,42 en brengt dit bedrag ten laste van de boedel.

Gewezen door mr. A.H. Margadant, lid van genoemde kamer , en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 10 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.