Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:5056

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
19/172 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek van bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging i.v.m. schending sollicitatieplicht afgewezen. Andere feiten en omstandigheden leiden tot echter tot tussentijdse beëindiging op andere grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Zwolle

insolventienummer: 19/172 R

uitspraakdatum: 23 september 2019

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:

[betrokkene],

geboren [1972] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verder te noemen: [betrokkene].

In deze schuldsaneringsregeling is mr. J.A. Pitstra, kantoorhoudende te Zwolle, tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

Op 9 augustus 2019 heeft de bewindvoerder verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen wegens schending van de sollicitatieplicht.

Op 11 september 2019 is ter griffie een rapportage over de medische klachten van [betrokkene] ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 september 2019. Ter zitting is [betrokkene] verschenen. Tevens is de bewindvoerder met een kantoorgenoot, de heer [A], verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

Het verzoek tot tussentijdse beëindiging:

Het verzoek tot tussentijdse beëindiging wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Kort weergegeven heeft de bewindvoerder verzocht om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, omdat [betrokkene] geen ontheffing van de sollicitatieplicht heeft en geen sollicitatiebewijzen heeft overgelegd.

De – zakelijk weergeven – toelichting van de bewindvoerder:

De bewindvoerder heeft inmiddels de medische stukken van [betrokkene] ontvangen. Op basis van deze stukken kan aan [betrokkene] een ontheffing van de sollicitatieplicht worden verleend.

De bewindvoerder wist niet dat [betrokkene] ten tijde van de toelatingszitting een drugsverslaving had. Daarnaast heeft [betrokkene] niet vermeld dat hij in 2014 een ongeluk heeft veroorzaakt onder invloed van alcohol. Ook de lening van € 5.000,00 van zijn vader heeft [betrokkene] niet gemeld en stond niet op de crediteurenlijst van het verzoekschrift.

De – zakelijk weergeven - toelichting van [betrokkene]:

[betrokkene] heeft veel medische problemen. Naar zijn zeggen is [betrokkene] spiritueel aangelegd en is hij allergisch voor gluten, smaakstoffen en gist. Een lange periode heeft [betrokkene] deze problematiek onderdrukt, maar inmiddels heeft hij zichzelf kunnen genezen. Uit de overgelegde stukken blijkt van de medische problematiek van [betrokkene].

Desgevraagd heeft [betrokkene] verklaard dat hij ten tijde van de toelatingszitting niet meer verslaafd was. [betrokkene] heeft drugs gebruikt, omdat hij zichzelf wilde ontdekken in zijn leven. Volgens [betrokkene] heeft Isala heeft op 25 maart 2019 terecht geschreven dat hij nog drugs (cannabis) gebruikt. Momenteel gebruikt [betrokkene] geen drugs meer en drinkt hij geen alcohol.

Over de notitie in het medisch dossier van [betrokkene] van 2017: ‘Lijkt toch weer drugs te gebruiken. Mogelijk cocaïne of amfetamine. Met verhaal van vader, die hem € 5000,- heeft geleend, vrees ik het ergste.’ heeft [betrokkene] verklaard dat hij geen geld heeft geleend van zijn vader. [betrokkene] heeft geen verklaring kunnen geven over deze notitie in zijn medische dossier.

Over het ongeluk in 2014 heeft [betrokkene] verklaard dat de gemeente wist dat hij onder invloed van alcohol een ongeluk heeft veroorzaakt. Dat de gemeente vervolgens dit niet in het aanbod aan de schuldeisers bericht is niet voor rekening van [betrokkene]. De gemeente had ten tijde van de indiening van het verzoekschrift alle benodigde informatie en wist van de verslavingsproblematiek van [betrokkene].

De motivering van de beslissing:

De rechtbank overweegt het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de bewindvoerder als volgt.

Vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling rust er op [betrokkene] een sollicitatieplicht. Indien [betrokkene] niet kan voldoen aan deze verplichting, dan dient hij een verzoek tot ontheffing, onderbouwd met medische stukken, in te dienen. Na het verzoek tot tussentijdse beëindiging heeft [betrokkene] aan de rechtbank zijn medische dossier overgelegd. Op basis van de aangeleverde medische stukken acht de rechtbank aannemelijk dat [betrokkene] (deels) arbeidsongeschikt is en dus ontheven kan worden van zijn sollicitatieplicht. De rechtbank merkt hierbij op dat [betrokkene] de stukken in eerste instantie ook aan de bewindvoerder dient te overleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de schending van de sollicitatieplicht door [betrokkene] is gerepareerd door het overleggen van zijn medische dossier. Op deze grond zal de rechtbank het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de bewindvoerder afwijzen.

Uit de door [betrokkene] zelf overgelegde stukken is de rechtbank van enkele feiten en omstandigheden gebleken die ten tijde van de toelatingszitting tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet bekend waren en die mogelijk aanleiding zouden zijn geweest om het verzoek van [betrokkene] af te wijzen. De rechtbank heeft [betrokkene] over de feiten en omstandigheden gehoord. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit het medisch dossier is gebleken dat [betrokkene] op 26 maart 2019 nog verslaafd was aan cannabis. De Isala-kliniek heeft immers in het medisch dossier van [betrokkene] genoteerd dat hij op dat moment nog 2 jointjes per dag rookte. [betrokkene] heeft dit ter zitting ook erkend. Naar zijn zeggen was [betrokkene] het leven aan het ontdekken en hierdoor is hij cannabis gaan gebruiken.

Tevens is gebleken dat [betrokkene] een lening van € 5.000,00 van zijn vader niet in het verzoekschrift heeft vermeld. Volgens [betrokkene] heeft zijn vader hem dit bedrag niet geleend. Nu [betrokkene] ter zitting geen duidelijke ontkennende toelichting heeft gegeven over deze opmerking in zijn medische dossier gaat de rechtbank uit van de waarheid van deze notitie.

Verder is gebleken dat [betrokkene] in 2014 een ongeluk heeft veroorzaakt onder invloed van alcohol. Tijdens de toelatingszitting heeft [betrokkene] wel melding gemaakt van het ongeluk. Echter, [betrokkene] heeft in zijn verzoekschrift en tijdens de toelatingszitting niet vermeld dat hij op het moment van veroorzaken onder invloed van alcohol was. Dit blijkt eveneens niet uit de aanbiedingsbrief in het minnelijk traject.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden voldoende reden zijn om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

[betrokkene] heeft immers een onjuist beeld van zijn huidige situatie geschetst voorafgaand aan en tijdens de toelatingszitting. In het minnelijk traject is een onjuist voorstel gedaan aan de schuldeisers. Het had op de weg gelegen van [betrokkene] om te vermelden dat het ongeluk is veroorzaakt onder invloed van alcohol. Tevens is [betrokkene] niet te goeder trouw ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden door het veroorzaken van dit ongeluk. [betrokkene] is door het ongeluk ontslagen bij zijn voormalig werkgever. Indien [betrokkene] het ongeluk niet had veroorzaakt, dan had hij naar alle waarschijnlijkheid zijn baan kunnen behouden en meer inkomen kunnen afdragen voor zijn schuldeisers. Hiermee staat het ontbreken van de goede trouw naar het oordeel van de rechtbank vast.

Ook heeft [betrokkene] ten tijde van de toelating zijn cannabisverslaving verzwegen. Uit het medisch dossier is gebleken dat hij op 26 maart 2019 in ieder geval nog verslaafd was. Door dit niet te vermelden in zijn verzoekschrift of tijdens de toelatingszitting heeft de rechtbank geen getrouw beeld van de persoonlijke situatie van [betrokkene] gehad. Een cannabisverslaving is naar het oordeel van de rechtbank voldoende reden om het verzoek van [betrokkene] af te wijzen.

Tot slot heeft de rechtbank ten tijde van de toelatingszitting niet kunnen beoordelen of de schuld aan de vader van [betrokkene] te goeder trouw is ontstaan. Deze schuld was immers niet bekend ten tijde van toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de schuld aan zijn vader niet bestaat, omdat door [betrokkene] geen duidelijke ontkennende verklaring over de notitie in zijn medische dossier is overgelegd.

Al het vorenstaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de bewindvoerder op grond van artikel 350 lid 1 sub b Fw. moet worden afgewezen, maar dat de regeling tussentijds moet worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 1 sub f Fw. De feiten en omstandigheden die bekend zijn geworden bij de rechtbank waren meer dan voldoende aanleiding om het verzoek van [betrokkene] af te wijzen.

De rechtbank zal de schuldsaneringsregeling van [betrokkene] tussentijds beëindigen op grond van artikel 350 lid 1 sub f Fw.

Gebleken is dat er geen baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden is artikel 350 vijfde lid Faillissementswet niet van toepassing en zal deze schuldsaneringsregeling eindigen op de dag dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en diens salaris vaststellen als hiernavolgend te bepalen.

De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling op basis van artikel 350 lid 1 sub f Fw.

- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 2.892,70

(inclusief onkosten en omzetbelasting);

- stelt het salaris (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op het bedrag van de

vergoeding en brengt dit ten laste van de boedel.

Gewezen door mr. M.C. Bosch, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij een door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.