Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:5055

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-09-2019
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
234758 / FT-RK 19/583
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering. Door strafrechtelijke veroordeling (celstraf) is de nakoming van verplichtingen niet aannemelijk. Ook zijn er nog openstaande strafzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 234758 / FT-RK 19/583

datum vonnis: 9 september 2019

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

verder te noemen: [verzoeker].

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 2 september 2019. Ter zitting is [verzoeker] samen met zijn partner mevrouw [A] verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

[verzoeker] is een samenwonende man van 48 jaar met 4 minderjarige inwonende kinderen. Samen met zijn partner ontvangt [verzoeker] een Participatiewet-uitkering van

€ 1.391,82 per maand. [verzoeker] werkt niet.

In verband met de strafrechtelijke veroordeling wegens hennepteelt en de daaruit voortgevloeide schulden is de rechtbank ambtshalve overgegaan tot het opvragen van een uittreksel Justitiële Documentatie. Uit het uittreksel blijkt dat [verzoeker] enkele keren onherroepelijk is veroordeeld tot werk- en gevangenisstraffen. Daarnaast staat er een tweetal strafrechtelijke zaken open.

De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens het verzoekschrift in totaal € 48.620,66, waaronder een schuld aan CJIB van € 5.459,00 in verband met de hennepteelt en een tweetal boetes.

De toelichting van [verzoeker]

Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat de problemen zijn ontstaan door een gokverslaving. Met behulp van zijn huidige partner heeft [verzoeker] de verslavingsproblematiek onder controle gekregen. Door de financiële problemen is [verzoeker] gaan schuiven met zijn financiën. Om meer inkomen te verkrijgen heeft [verzoeker] eind 2013 hennep geteeld. Dit heeft tot gevolg gehad dat aan [verzoeker] een ontnemingsmaatregel van € 5.000,00 is opgelegd en tevens is zijn Participatiewet-uitkering teruggevorderd. In december 2018 heeft [verzoeker] een taakstraf uitgezeten voor een diefstal gepleegd in 2016. Tegen de beslissing in eerste aanleg over een (andere) strafzaak, inhoudende onder andere uitgaansgeweld, heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft [verzoeker] verklaard dat hij nooit kentekens op naam heeft gehad. De boetes bij het CJIB zouden kunnen zijn ontstaan doordat zijn kind geen gordel droeg tijdens het rijden. Over de vordering van T-Mobile heeft [verzoeker] geen duidelijke verklaring kunnen geven.

De overwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank moet het verzoek van [verzoeker] worden afgewezen en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[verzoeker] is in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het schuldsaneringsverzoek voor enkele strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Zo is [verzoeker] op 28 november 2015 onherroepelijk veroordeeld tot 180 uren werkstraf en betaling van € 5.000,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel wegens hennepteelt. Uit deze veroordeling vloeit een (aanmerkelijk) deel van de totale schuldenlast voort. [verzoeker] moest immers € 5.000,00 terugbetalen wegens wederrechtelijk verkregen voordeel en de gemeente vordert de bijzondere bijstand over die periode terug. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat in ieder geval (een groot deel van) de vordering aan het CJIB en de gemeente Zwolle zijn ontstaan door het begaan van een misdrijf. [verzoeker] is derhalve niet te goeder trouw ten aanzien van het laten ontstaan van deze schulden.

Daarnaast is [verzoeker] op 7 november 2016 onherroepelijk veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur. Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie is gebleken dat [verzoeker] de opgelegde taakstraf niet heeft uitgevoerd. De taakstraf is vervolgens omgezet naar een gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen. Tijdens deze detentie, uitgevoerd van 26 december 2018 tot 9 februari 2019, heeft [verzoeker] zich niet kunnen inspannen om zoveel mogelijk geld te sparen voor zijn schuldeisers of af te lossen. [verzoeker] is hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden.

Tevens heeft [verzoeker] ter zitting geen duidelijke verklaring kunnen overleggen met betrekking tot het ontstaan van de boetes bij het CJIB en de vordering aan T-Mobile. Door het afleggen van wisselende verklaringen over de boete aan het CJIB, met als ontstaansdatum 3 februari 2017, heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt te goeder trouw te zijn ten aanzien van het laten ontstaan van deze boete. Door geen duidelijke verklaring te overleggen over de vordering aan T-Mobile heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan deze vordering.

Verder is het naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] naar behoren aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen. Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie blijkt dat er momenteel nog twee openstaande strafzaken zijn. Indien [verzoeker] strafrechtelijk wordt veroordeeld tot een gevangenis- of taakstraf kan hij niet aan de inspanningsverplichting voldoen. Ook bestaat er bij een nieuwe veroordeling kans op nieuwe schulden.

Tot slot overweegt de rechtbank dat [verzoeker] zijn situatie alles behalve stabiel is. [verzoeker] heeft sinds 1986 een groot aantal strafbare feiten begaan en van een verandering is geen sprake. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het gedrag van [verzoeker] op korte termijn zal gaan veranderen.

Al het vorenstaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 sub b, c en lid 2 sub c Faillissementswet (Fw).

De beslissing:

de rechtbank:

wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.