Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:5053

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-11-2019
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
238277 / FT-RK 19/843
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering. Schuldeiser heeft redelijke en haalbare betalingsregeling voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 238277 / FT-RK 19/843

datum vonnis: 18 november 2019

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoekster,

verder te noemen: [verzoekster] .

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 11 november 2019. Ter zitting is [verzoekster] met haar beschermingsbewindvoerder, mevrouw [A] , en haar maatschappelijk hulpverlener, mevrouw [B] , verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Op 14 november 2019 is ter griffie een brief met bijlagen van de beschermingsbewindvoerder ontvangen.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

[verzoekster] is een gescheiden vrouw van 48 jaar. [verzoekster] ontvangt een Participatiewet-uitkering van € 978,90 per maand.

De schuldenlast van [verzoekster] omvat één schuldeiser, Hoist Finance, en bedraagt € 24.473,62.

De toelichting van [verzoekster]

heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan Hoist is ontstaan door haar ex-partner. Na de scheiding is de woning verkocht. De restschuld van de hypotheek is voldaan door de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Deze betaling wordt geregistreerd op de BKR, maar is geen openstaande schuld. Het tegenvoorstel van [C] , behandelend deurwaarder namens Hoist, is [verzoekster] en de beschermingsbewindvoerder niet bekend.

De overwegingen van de rechtbank

Uit de bijlagen van het verzoekschrift is gebleken dat de enige schuldeiser een tegenvoorstel tegen finale kwijting heeft gedaan van € 75,- per maand voor een periode van 72 maanden.

De beschermingsbewindvoerder heeft de schuldeiser aangeschreven of deze betalingsregeling nog mogelijk is. Uit de brief van 14 november 2019 is gebleken dat de schuldeiser nog steeds akkoord gaat met het tegenvoorstel.

Uit het budgetplan van de beschermingsbewindvoerder blijkt dat er € 86,88 ruimte in het financiële budget van [verzoekster] is. De rechtbank is, in tegenstelling tot hetgeen de beschermingsbewindvoerder heeft bericht, van oordeel dat het tegenvoorstel van Hoist redelijk is. De volledige schuld is binnen afzienbare tijd afgelost en de aflossing past in het budget.

Uit artikel 288 lid 1 sub a Fw volgt, dat indien onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden, het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen. Nu uit het dossier is gebleken dat Hoist een redelijke betalingsregeling, waarmee de schuld binnen een afzienbare tijd is afgelost, tegen finale kwijting wil treffen is de rechtbank van oordeel dat thans onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.

Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 sub a Faillissementswet (Fw.).

De beslissing:

de rechtbank:

wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. M.C. Bosch, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.