Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:5047

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
234980 FT RK 19/599
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Schuldsanering. Verzoek tot toelating afgewezen wegens schuld te kwader trouw aan UWV binnen vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Beroep op hardheidsclausule afgewezen omdat vooralsnog niet aannemelijk is dat verzoekster de problemen onder controle heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 234980 FT RK 19/599

datum uitspraak: 3 september 2019

Vonnis van rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoekster] ,

geboren [1988] te [geboorteplaats] ,

wonende te [plaats 1] , [adres] ,

beschermingsbewind: Budgetcoach Zeeland, postbus 21, 4416 ZG Kruiningen.

Het procesverloop

Verzoekster heeft op 12 juli 2019 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met bijlagen ingediend.

De beschermingsbewindvoerder van verzoekster heeft op 24 juli 2019 de opgevraagde stukken overgelegd, alsmede drie bijlagen.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 27 augustus 2019. Verzoekster is in persoon verschenen, vergezeld van de heer [A] , medewerker van de [gemeente] .

Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

Bij de beoordeling heeft de rechtbank acht geslagen op:

  • -

    het door verzoekster overgelegde verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    de door de beschermingsbewindvoerder ingezonden stukken;

  • -

    een opgave van het CJIB van 9 augustus 2019 van een ten name van verzoekster openstaande taakstraf en aan haar opgelegde bijzondere voorwaarde;

  • -

    een uittreksel Justitiële Documentatie (JD) van 17 juli 2019.

De beoordeling

De feiten, zoals die blijken uit de overgelegde stukken en de verklaring van verzoekster:

  1. Verzoekster woont te [plaats 1] . Zij is alleenstaande ouder van één kind.

  2. Verzoekster heeft volgens haar opgave in het verzoekschrift een schuldenlast van

€ 43.893,68. Tot die schuldenlast behoort een schuld aan UWV, ontstaan op 28 september 2017. Daarnaast heeft verzoekster een niet in een wettelijke schuldsaneringsregeling te saneren schuld aan DUO van € 27.826,60.

3. Verzoekster staat sinds 2 februari 2017 onder beschermingsbewind, op dit moment van Budgetcoach Zeeland.

4. Uit de opgave van het CJIB van 9 augustus 2019 blijkt dat aan verzoekster een taakstraf is opgelegd van 150 uren en dat verzoekster zich op dit moment in een proeftijd bevindt.

5. Uit het JD-uittreksel van 17 juli 2019 blijkt dat verzoekster op 27 februari 2018 door de Politierechter in de rechtbank Noord-Holland wegens het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod (cocaïne handel smokkel) is veroordeeld tot 210 dagen gevangenisstraf waarvan 193 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De bijzondere voorwaarde die is opgelegd houdt in dat verzoekster zich moet melden bij de reclassering, onder de verplichting tot het voortzetten van hulp en ondersteuning van Thuis Begeleiding, Maatschappelijk werk en GGZ zolang de reclassering dit nodig acht.

Het standpunt van of namens verzoekster:

Verzoekster heeft een Wajong-uitkering en is afgekeurd voor 80-100% wegens haar situatie en geestelijke gezondheid. Verzoekster stelt dat zij veel trauma’s heeft opgelopen. Die dingen zijn niet opgeschreven omdat het te persoonlijk is.

Verzoekster heeft, terwijl zij een uitkering ontving, gewerkt en de inkomsten niet opgegeven. Zij was op dat moment zwanger en had geld nodig voor het kind. De vader van het kind had verzoekster in de steek gelaten.

Verzoekster wenst geen antwoord te geven op vragen van de rechtbank betreffende het strafbare feit, behoudens dat zij dit feit heeft gepleegd omdat zij veel schulden had.

Verzoekster stelt dat zij wel altijd heeft geprobeerd te werken, maar dat dat niet lukte omdat zij, zodra zij begonnen was, steeds ziek werd, zich afmeldde en dan een bericht kreeg dat zij weg kon blijven.

Verzoekster is verhuisd van [plaats 2] naar [plaats 1] en dat was moeilijk, maar gaat sinds kort wat beter. Verzoekster heeft in [plaats 1] niemand, omdat haar familie ver weg woont. Zij heeft geen financiële middelen om haar familie regelmatig te bezoeken. Verzoekster krijgt graag een kans om van de schulden af te zijn. Zij probeert positief te blijven.

Verzoekster zal nog gedragstherapie krijgen. Zij heeft nu contact met een persoon, genaamd [X] , als voorbereiding op die therapie.

De heer [A] heeft verklaard dat verzoekster naar zijn mening een nieuwe kans verdient. Er is sprake van cliëntondersteuning, Transfore is met verzoekster bezig en er is veel contact met de beschermingsbewindvoerder. Verzoekster heeft de verplichting tot vrijwilligerswerk. Dit wordt na de vakantieperiode opgepakt, zodat verzoekster kan integreren.

De motivering van de beslissing:

1. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen. Hiertoe dient het volgende.

2. Het verzoek moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder b Fw. Het is namelijk evident dat verzoekster in de vijf jaren voorafgaand aan dit verzoek niet te goeder trouw is geweest bij het doen ontstaan van in ieder geval de schuld aan de UWV. Die schuld is ontstaan in september 2017, dus binnen een periode van vijf jaren voorafgaand aan het huidige schuldsaneringsverzoek, doordat verzoekster heeft gewerkt en de inkomsten niet aan de UWV heeft opgegeven.

Zowel deze schuld uit 2017 als de smokkel van drugs in 2018 duiden niet op een saneringsgezinde houding.

3. Een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw heeft verzoekster ter zitting feitelijk niet gedaan. Wel bevindt zich bij de bijlagen bij het verzoekschrift een brief van 10 mei 2019 van [Y] , cliëntondersteuner bij Noaberpoort, waarin om toepassing van de hardheidsclausule wordt gevraagd.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat verzoekster ook op grond van de hardheidsclausule niet tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten.

Vorenbedoeld artikellid is aan de wet toegevoegd met het oog op – in het bijzonder, doch niet uitsluitend – personen met verslavings- en/of psychosociale problemen die de omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen dan is in het algemeen vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Dat blijkt ook uit het feit dat artikel 288 lid 3 Fw volgens de wetsgeschiedenis vooral ziet op “echte gedragsaspecten” (Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958).

Uit hetgeen ter zitting is gesteld is wel gebleken dat verzoekster psychologische of psychosociale problemen heeft en dat de verwijtbare schulden verband met die problemen houden, maar de rechtbank acht niet voldoende aannemelijk dat die problemen (voldoende) onder controle zijn. In de eerste plaats wijst de rechtbank op het feit dat verzoekster zich nog in 2018, op een moment dat zij al onder beschermingsbewind stond, schuldig heeft gemaakt aan smokkel van verdovende middelen. Verzoekster is vervolgens op 27 februari 2018 veroordeeld door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, welke uitspraak op 13 maart 2018 onherroepelijk is geworden. Als gevolg van die veroordeling bevindt verzoekster zich nu in een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarde is reclasseringstoezicht opgelegd. Verzoekster is door de reclassering verwezen naar Transfore polikliniek De Tender, voor een intakefase. Uit de brief van Transfore aan verzoekster van 23 april 2019 blijkt dat de intake heeft plaatsgehad. Verzoekster is aangemeld voor een intensieve behandeling (dialectische gedragstherapie) maar deze behandeling is nog niet aangevangen. Tot deze behandeling start, zit verzoekster in een voorbereidend traject.

Dat verzoekster ongeveer een jaar geleden is verhuisd van [plaats 2] naar [plaats 1] , om zich, zo doende, aan de kwalijke invloed van een gewezen vriend te onttrekken is op zichzelf te prijzen. Maar alléén die verhuizing is nog onvoldoende reden om anders te beslissen, omdat van daadwerkelijke inhoudelijke behandeling van de problemen van verzoekster nog onvoldoende is gebleken.

De betrokkenheid van de [gemeente] en De Noaberpoort bij verzoekster is wel een indicatie dat een begin is gemaakt met hulpverlening en begeleiding, maar kan evenmin tot een andere beslissing leiden.

De beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. Venekatte, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 3 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.