Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:503

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
08-955044-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 53-jarige man tot het betalen van een geldboete van 350 euro voor het veroorzaken van een verkeersongeluk met lichamelijk letsel tot gevolg. De man reed op de N48 vanaf zijn werk naar huis en kwam in een kort moment van afwezigheid op de verkeerde weghelft terecht. Hierdoor botste hij frontaal tegen een trekker met oplegger en een personenauto. De bestuurder van de personenauto liep hierdoor lichamelijk letsel op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-955044-17 (P)

Datum vonnis: 14 februari 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Haan en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 31 januari 2019, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

schuld heeft aan een verkeersongeval waarbij een ander letsel is toegebracht, dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

(primair)

hij op of omstreeks 20 september 2016 te Balkbrug in de gemeente Hardenberg,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting Hoogeveen, daarmee rijdende op de N48 zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (N48) en/of naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (N48) is terechtgekomen en/of in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N48) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep heeft bevonden en/of geheel of gedeeltelijk rijdend op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N48) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N48) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) en/of vervolgens is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een achter dat andere motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (N48) rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk Kia),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen,

(subsidiair)

hij op of omstreeks 20 september 2016 te Balkbrug in de gemeente Hardenberg,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting Hoogeveen, daarmee heeft gereden op de N48 en naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (N48) is terechtgekomen en/of in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N48) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep heeft bevonden en/of geheel of gedeeltelijk rijdend op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N48) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N48) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) en/of vervolgens is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een achter dat andere motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (N48) rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk Kia),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding – het verkeersongeval

Op 20 september 2016 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de N48 te Balkbrug. Bij dit ongeval waren meerdere personenauto’s en een trekker met oplegger betrokken, waaronder een door verdachte bestuurde Volvo met kenteken [kenteken] . Verdachte reed in noordelijke richting over de N48, komend uit de richting van Ommen en gaand in de richting van Balkbrug. Ter hoogte van hectometerpaal 101.1/101.2 kwam verdachte met zijn auto op de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer terecht. Verdachte is daar met zijn auto tegen de linkerzijde van de hem tegemoetkomende trekker met oplegger gebotst. Achter deze trekker met oplegger reed een personenauto, merk Kia, die werd bestuurd door [slachtoffer] . Verdachte is met zijn auto tegen de linker voorzijde van deze Kia gebotst. [slachtoffer] raakte bij het ongeval gewond. De N48 is een autoweg en de ter plaatse toegestane maximale snelheid bedroeg 100 kilometer per uur. Op de plek waar het verkeersongeval heeft plaatsgevonden is de N48 verdeeld in twee rijstroken die van elkaar zijn gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep.2

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich (primair) zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het ongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, of (subsidiair) zich op de N48 zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar dan wel hinder op die weg werd of kon worden veroorzaakt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft waarschijnlijk op enig moment zijn ogen dicht gehad, waardoor hij over de dubbele doorgetrokken streep op de verkeerde weghelft terecht kwam en een botsing veroorzaakte. Dit verkeersongeval leidde tot letsel bij [slachtoffer] die daardoor een tijdlang niet en daarna minder dan voor haar doen gebruikelijk was, heeft kunnen werken. Volgens de officier van justitie is sprake van ernstige schuld, omdat verdachte is doorgereden terwijl hij zich als bestuurder van de personenauto onderweg realiseerde dat hij moe was.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat geen sprake is van de primair ten laste gelegde schuld, zodat vrijspraak dient te volgen. Verdachte was even weggesukkeld achter het stuur. Er was geen sprake van te hard rijden of gebruik van alcohol, medicijnen of drugs. Verdachte was ook niet aan het bellen. Er is volgens de verdediging daarom geen sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat bij het slachtoffer geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gevaarlijk rijgedrag heeft de raadsman bepleit dat het enkel maken van een verkeersfout niet voldoende lijkt voor de vereiste reële kans op een ongeval. Er was volgens de raadsman geen sprake van concreet gevaarscheppend gedrag. Verdachte had een prima dag gehad, hij voelde zich bij aanvang van de rit niet vermoeid of ziek, maar hij is waarschijnlijk een kort moment onoplettend geweest.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Oorzaak verkeersongeval

Over de oorzaak van het verkeersongeval heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij vermoedelijk in slaap is gevallen achter het stuur. Hij kan zich het moment vlak voor de klap van de botsing niet herinneren. Verdachte voelde zich niet vermoeid toen hij in de auto stapte.3 Bij de politie verklaarde verdachte dat hij onderweg, ergens bij Mariënberg, voor het eerst merkte dat hij moe was. Hij dacht: ‘zou ik niet even aan de kant van de weg moeten gaan staan?’. Ook verklaarde verdachte bij de politie dat het hem niet zou verbazen als hij minimaal één keer zijn ogen dicht heeft laten zakken. Hij kan zich dat niet precies meer herinneren.4 Ter terechtzitting heeft verdachte daarover verklaard dat hij deze antwoorden gaf, toen de politie doorvroeg ten aanzien van zijn vermoeidheid. Als hij zich echt te moe voelt om te rijden, gaat hij wel eens langs de kant van de weg staan. Dat vond hij in dit geval niet nodig.5

Het vermoeden dat verdachte zijn ogen dicht heeft laten zakken, past bij de resultaten van de door de politie verrichte verkeersongevalsanalyse. De betrokken auto’s verkeerden in voldoende rijtechnische staat van onderhoud en ze vertoonden geen gebreken. Er zijn ter plaatse geen infrastructurele bijzonderheden. Het ongeval vond bij daglicht plaats op een droog wegdek en onder droge en heldere weersomstandigheden. Uit het sporenonderzoek blijkt daarnaast dat de trekker met oplegger ten tijde van de botsing aan de uiterst rechterzijde van de rijbaan reed. Uit het sporenonderzoek volgt ook dat de bestuurder van de Kia, [slachtoffer] , voldoende rechts had gehouden ten tijde van de botsing. De oorzaak van het ongeval moet volgens de verkeersongevalsanalyse gezocht worden in een rij- dan wel beoordelingsfout van verdachte.6

Er zijn geen aanwijzingen dat verdachtes aandacht van het verkeer, op het moment van het ongeval, was afgeleid omdat hij met iets anders dan het besturen van zijn auto is bezig geweest.

De verklaringen van getuigen [getuige 1] (die achter verdachte reed) en [getuige 2] (de bestuurder van de aangereden trekker met oplegger) sluiten ook aan bij het vermoeden van verdachte dat hij in slaap is gevallen.7 Ze zagen de auto van verdachte gelijkmatig respectievelijk geleidelijk naar links gaan voordat de botsing plaatsvond. [getuige 2] verklaarde nog dat hij met groot licht seinde, maar dat verdachte daar niet op reageerde.

De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat verdachte door vermoeidheid een kort moment van verminderde aandacht voor het verkeer heeft gehad. Als gevolg daarvan is hij over de dubbele doorgetrokken streep op de verkeerde weghelft beland en in botsing gekomen met de trekker met oplegger en de personenauto.

De mate van schuld

Er is pas sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) als verdachte zich roekeloos, of in elk geval zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Bij die beoordeling komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Hoewel de oorzaak van het verkeersongeval niet met zekerheid kan worden vastgesteld, is de meest waarschijnlijke verklaring dat verdachte achter het stuur in slaap is gevallen. Verdachte voelde zich nog niet moe bij aanvang van de autorit. Hij erkent evenwel dat hij zich onderweg toch vermoeid voelde, maar niet in zodanige mate dat hij niet langer op verantwoorde wijze kon deelnemen aan het verkeer. Verdachte verklaarde ook dat hij de auto wel eens aan de kant zet, als hij zich te moe voelt. Hij zou dat nu ook gedaan hebben, als het naar zijn inschatting nodig was geweest.8

Van een bestuurder van een motorrijtuig mag verwacht worden dat hij enkel aan het verkeer deelneemt als hij zich voldoende fit voelt. Verdachte treft enig verwijt, nu hij ondanks zijn vermoeidheid is blijven rijden, terwijl er voor hem de mogelijkheid was om te stoppen. Dit verwijt komt er in de kern op neer dat verdachte een inschattingsfout heeft gemaakt ten aanzien van een opkomende vermoeidheid en de invloed daarvan op zijn rijvaardigheid. Deze inschattingsfout is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid of onachtzaamheid, zoals bedoeld in artikel 6 WVW. De rechtbank acht dan ook niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Door zijn gedrag heeft verdachte wel gevaar op de weg veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. Verdachte heeft een moment van verminderde aandacht voor het verkeer en de verkeerssituatie gehad. Hij is op een autoweg met zijn auto naar links gegaan, over een dubbele doorgetrokken streep, waardoor hij op de weghelft terecht kwam die voor het tegemoetkomende verkeer bestemd was. Verdachte heeft aldus in strijd met de artikelen 3 en 76, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) gehandeld. Zijn handelen was concreet gevaarzettend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de subsidiair ten laste gelegde overtreding heeft begaan.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor onder 4 genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 20 september 2016 te Balkbrug in de gemeente Hardenberg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting Hoogeveen, daarmee heeft gereden op de N48 en naar links is gegaan en in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (N48) is terechtgekomen en in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N48) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep heeft bevonden en geheel of gedeeltelijk rijdend op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N48) is gebotst tegen een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N48) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) en vervolgens is gebotst tegen een achter dat andere motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (N48) rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk Kia), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 5 van de WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

7 De strafbaarheid van verdachte

Voor zover de verdediging zich beroept op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld (AVAS), verwerpt de rechtbank dit verweer. Uit de overwegingen onder 4 volgt reeds dat de rechtbank van oordeel is dat er in dit geval wel sprake is van enige vorm van (strafrechtelijk relevante) schuld bij verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a Wetboek van Strafrecht (Sr) en aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Volgens de raadsman zou een straf niets toevoegen, gelet op de impact die het ongeval op verdachte heeft gehad. Verdachte was direct na het ongeval en ook daarna begaan met de toestand van de andere betrokkenen. Voor het geval er een straf zou worden opgelegd, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een (lage) geldboete volstaat.

De raadsman heeft daarnaast betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

8.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte was op 21 september 2016 als bestuurder van een personenauto vanaf zijn werk onderweg naar huis, rijdend over de N48. Verdachte is in een kort moment van afwezigheid op de verkeerde weghelft terecht gekomen en achtereenvolgens frontaal gebotst tegen een trekker met oplegger en een personenauto. De bestuurder van de personenauto heeft daardoor lichamelijk letsel opgelopen, waardoor ze een tijd niet en daarna een periode minder dan gebruikelijk heeft kunnen werken. Verdachte was zich ervan bewust dat de betreffende weg bekend staat als ‘dodenweg’, zoals hij ter terechtzitting verklaarde, welke benaming past bij wegen met een verhoogd risico op een (levensbedreigend) ongeval.

Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest, hij heeft een blanco strafblad. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het ongeval een grote impact op hem heeft gehad. Verdachte heeft zich na het ongeval bekommerd om alle betrokkenen. Hij maakte excuses, stuurde kaarten, bloemen en ging met hen in gesprek. Verdachte heeft vervolgens samen met het slachtoffer [slachtoffer] gekozen voor mediation. Dat verdachte niet heeft nagelaten om zijn steun naar het slachtoffer [slachtoffer] en naar andere betrokkenen te laten blijken, is op zichzelf prijzenswaardig; het betekent echter niet zonder meer dat zijn rijgedrag onbestraft moet blijven. De rechtbank is van oordeel dat met een op te leggen straf recht gedaan wordt aan generale preventie, in het kader van de verkeersveiligheid, zodat ook anderen kunnen leren van het gebeurde. De rechtbank zal bij het opleggen van de straf rekening houden met het lange tijdsverloop sinds het feit is gepleegd.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie. Deze is gebaseerd op de door hem bepleite bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde misdrijf, terwijl de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde overtreding bewezen heeft verklaard.

Alles overziende, acht de rechtbank in dit geval een boete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, passend en geboden. De rechtbank acht daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen niet noodzakelijk.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23 en 24c Sr, alsmede artikel 177 WVW.

10. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro);

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 7 (zeven) dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Westendorp, voorzitter, mr. H.R. Schimmel en

mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Oost-Nederland met registratienummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA), 28 december 2016, pagina 29-41.

3 Proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2019.

4 Proces-verbaal verhoor, 21 september 2016, pagina 27.

5 Proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2019.

6 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA), 28 december 2016, pagina 29-41.

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , 20 september 2016, pagina 5 en proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , 22 september 2016, pagina 7.

8 Proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2019.