Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:498

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
7020745 CV EPL 18-3534
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg begrip 'inkomsten': moeten uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis gezien worden als inkomsten waardoor er gekort wordt op de wachtgelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 7020745 CV EPL 18-3534

Vonnis van 5 februari 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser, hierna te noemen: [eiser 1]

en

2 [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser, hierna te noemen: [eiser 2] ,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. C.J.M. Fens, werkzaam bij FNV, Individuele Belangenbehartiging, te Deventer,

tegen

de stichting

Stichting Menzis Beheer,

gevestigd te Wageningen,

gedaagde, hierna te noemen Menzis Beheer,

gemachtigde: mr. drs. D. Eringa-Oudijk, werkzaam bij gedaagde.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 oktober 2018;

- de voorafgaand aan de comparitie toegezonden producties 9 en 10 van de zijde van eisers;

- de door de griffier gemaakte aantekeningen van het verhandelde tijdens de comparitie;

- de e-mailberichten van Menzis Beheer en eisers van respectievelijk 19 en 27 december 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Menzis is een landelijke zorgverzekeraar die is ontstaan vanuit een fusie van meerdere zorgverzekeraars. Bij één van de rechtsvoorgangers van Menzis, RZT, bestonden verschillende financiële regelingen waarop het personeel van RZT in geval van inactiviteit gebruik kon maken. Dit betroffen een wachtgeldregeling, een regeling op basis waarvan arbeidsongeschikten een aanvulling op hun uitkering konden krijgen en een pré-VUT-regeling. Ondanks de fusie(s) zijn deze regelingen behouden gebleven voor de personeelsleden die ooit bij RZT recht hadden op deze regelingen. De regelingen zijn destijds ondergebracht bij een daarvoor opgerichte stichting, Stichting De Burcht. In 2010 is Stichting De Burcht opgeheven en is het aanwezige vermogen en beheer van de verschillende financiële regelingen overgedragen aan Menzis Beheer. De betreffende regelingen worden nog steeds aangeduid als ‘Burchtregelingen’.

2.2.

In 2006 heeft de toenmalige werkgever van eisers besloten de destijds bestaande pré-VUT-regeling af te schaffen voor werknemers die geboren zijn na 31 december 1949. Eisers behoren tot die groep. De aanleiding hiervoor waren fiscale maatregelen waardoor een VUT-regeling de facto onbetaalbaar werd. De werkgever heeft destijds besloten de betreffende werknemers te compenseren voor de afschaffing van de pré-VUT-regeling en heeft per werknemer een bedrag gestort in een prepensioenregeling in de vorm van een premievrije aanspraak op prepensioen bij Zwitserleven. De afspraken zijn vastgelegd in het Pensioenreglement Prepensioen. Ook eisers hebben van deze regeling gebruik gemaakt en een Zwitserlevenpolis afgesloten. Op de dag dat eisers 62 jaar zijn geworden, is de Zwitserlevenpolis tot uitkering gekomen.

2.3.

In 2009 respectievelijk 2008 hebben [eiser 1] respectievelijk [eiser 2] als gevolg van ontslag bij Menzis recht gekregen op wachtgeld conform de wachtgeldregeling van Stichting De Burcht. In artikel 8 lid 3 van het wachtgeldreglement is het volgende bepaald:

De inkomsten die de deelnemer geniet of gaat genieten met ingang van of na de dag waarop hem wachtgeld is toegekend, worden verrekend met het wachtgeld over de maand waarop bedoelde inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

2.4.

Menzis Beheer heeft op het wachtgeld van eisers de uitkeringen ingevolge de Zwitserlevenpolis in mindering gebracht. Bij [eiser 1] vindt deze korting maandelijks plaats vanaf aanvang van de uitbetaling van de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis. [eiser 2] heeft de uitgekeerde bedragen niet opgegeven aan Menzis Beheer aangezien hij ervan uitging dat het niet ging om ‘inkomsten’ in de zin van het reglement. Nadat Menzis Beheer bekend werd met de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis heeft Menzis Beheer deze uitkeringen verrekend met het wachtgeld van [eiser 2] waardoor een verrekening heeft plaatsgevonden van ruim € 34.000,00, zijnde een verrekening over de gehele looptijd van de Zwitserlevenpolis. Dit bedrag is door hem voldaan.

3 Het geschil

3.1.

De vordering

Eisers vorderen dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat op het wachtgeld van eisers geen verrekening mag plaatsvinden van uitbetalingen op grond van de Zwitserlevenpolis;

II. Menzis Beheer veroordeelt om aan [eiser 1] de reeds verrekende bedragen te restitueren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat die verschuldigd is;

III. Menzis Beheer veroordeelt om aan [eiser 2] een bedrag van € 34.046,00 te restitueren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat die verschuldigd is;

IV. Menzis Beheer veroordeelt in de kosten van de procedure.

Eisers leggen hier, kort samengevat, het volgende aan ten grondslag.

Primair stellen eisers dat de uitkeringen ingevolge de Zwitserlevenpolis geen inkomsten zijn zoals bedoeld in artikel 8 lid 3 van het wachtgeldreglement. Subsidiair zijn zij van mening dat de betreffende uitkeringen geen inkomsten zijn die verrekend kunnen worden aangezien de storting door Menzis Beheer een incidentele, geheel vrijwillige voorziening was. Ook is er geen enkele voorwaarden verbonden aan de vrijval van de polis in die zin dat gestopt moet worden met werken. Meer subsidiair beroepen eisers zich op het vertrouwensbeginsel in welk verband zij stellen niet bedacht te hoeven zijn dat een voorziening die is toegekend voor ingang van het wachtgeld later daarop gekort zal worden.

3.2.

Het verweer

Menzis Beheer concludeert - samengevat - tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van eisers met veroordeling van eisers in de kosten van de procedure waaronder begrepen de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

Menzis Beheer stelt daartoe dat de tekst van de wachtgeldregeling zegt dat ’inkomsten’ op het wachtgeld moeten worden verrekend. De uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis zijn aan te merken als inkomsten en dienen derhalve in mindering te worden gebracht op het wachtgeld. Waar het in eerste instantie nooit mogelijk was dat prepensioen en wachtgeld gelijktijdig uitgekeerd werden, is dat na 2006 technisch wel mogelijk geworden. De bedoeling van Menzis Beheer om geen samenloop te laten plaatsvinden, is echter nooit veranderd. De uitkomst daarvan zou ook volstrekt onacceptabel zijn voor Menzis Beheer.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die voorligt is of de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis inkomsten zijn zoals bedoeld in artikel 8 lid 3 van het wachtgeldreglement van Stichting De Burcht waar eisers vanaf het moment waarop hun arbeidsovereenkomst met hun toenmalige werkgever Menzis (hierna ook te noemen: Menzis) is beëindigd aanspraak op maken c.q. hebben gemaakt tot het moment waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken c.q. hebben bereikt.

4.2.

In het wachtgeldreglement van Stichting De Burcht is niet nader omschreven wat als inkomsten in de zin van artikel 8 lid 3 aangemerkt dient te worden. Ook ontbreekt een toelichting op het reglement. Dit betekent dat, gelet op het karakter van het reglement, naar objectieve maatstaven beoordeeld dient te worden of de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis aangemerkt dienen te worden als inkomsten zoals bedoeld in het wachtgeldreglement. Daartoe zal eerst nader onderzocht worden wat het karakter is van de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis en of deze op het moment van het tot uitbetaling komen aan te merken zijn als ‘inkomsten’. Eisers stellen zich primair op het standpunt dat zulks niet het geval is.

4.3.

Uit het Pensioenreglement Prepensioen, overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord blijkt dat Menzis een eenmalig bedrag beschikbaar heeft gesteld ten behoeve van een nader omschreven groep werknemers waarbij de hoogte van dit bedrag afhankelijk was van de diensttijd, de leeftijd en het salaris van de individuele werknemer. Het ter beschikking gestelde bedrag diende vervolgens gebruikt te worden voor de aankoop van een premievrij prepensioen overeenkomstig het Pensioenreglement Prepensioen. Het deelnemerschap ving volgens bedoeld reglement aan op 31 december 2015 en eindigt in geval van overlijden dan wel bij het bereiken van de datum waarop de deelnemer 65 jaar wordt. Ten slotte is onder meer bepaald dat de aanspraak ingevolge dit prepensioenreglement niet kan worden afgekocht of vervreemd. De betreffende polissen zijn om fiscale redenen op naam van de individuele werknemers gesteld.

4.4.

De kantonrechter deelt de opvatting van eisers dat in 2006 reeds vermogen is overgedragen van de toenmalige werkgever naar eisers niet. Immers, het door Menzis beschikbaar gestelde bedrag kon enkel aangewend worden voor de aankoop van een premievrij prepensioen en stond derhalve niet ter vrije besteding van eisers. Ook kon de aanspraak niet worden afgekocht, is fiscaal gezien eerst bij uitbetaling van de uitkeringen sprake van belastbaar loon en komt het bedrag uit de Zwitserlevenpolis in het geheel niet tot uitbetaling indien een werknemer eerder zou komen te overlijden dan de in de polis vermelde ingangsdatum van de uitkering.

4.5.

Zoals hiervoor is overwogen, is in het wachtgeldreglement niet nader omschreven wat als inkomsten in de zin van artikel 8 lid 3 aangemerkt dient te worden. Menzis Beheer stelt dat gelet op de van toepassing zijnde uitleg naar objectieve maatstaven, in eerste instantie gekeken dient te worden naar hetgeen in het woordenboek1 hierover aangeeft, zijnde ‘wat aan geld of geldswaarde ontvangen wordt’. De kantonrechter volgt Menzis Beheer hierin niet nu zulks een veel te ruime uitleg betreft. Immers, in die situatie zou ook een uit een loterij ontvangen geldbedrag onder het inkomstenbegrip van artikel 8 lid 3 vallen. Het zal een ieder duidelijk zijn dat dit niet is bedoeld.

4.6.

Gelet op het karakter van de wachtgeldregeling en de nauwe verbondenheid met de regeling ingevolge de WW ziet de kantonrechter aanleiding om voor de uitleg van het inkomstenbegrip in artikel 8 lid 3 van het wachtgeldreglement aansluiting te zoeken bij het sociaal zekerheidsrecht, meer in het bijzonder de vraag of het UWV inkomsten uit prepensioen verrekent met WW-uitkeringen. Immers, in beide situaties gaat het om, kort samengevat, een inkomensvoorziening ten gevolge van het beëindigen van de dienstbetrekking door de werkgever terwijl ook hetgeen overigens is opgenomen in artikel 8 van het wachtgeldreglement sterke gelijkenis vertoont met de regeling in de WW.

4.7.

In artikel 3:5 van het Algemeen Inkomensbesluit (AIB) wordt voor de WW als inkomen in verband met arbeid beschouwd een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid van de AOW. Hierop bestaat één uitzondering in die zin dat niet tot het inkomen in verband met arbeid wordt gerekend de uitkering die door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren. Door de CRvB is hierover op 6 september 2017 een aantal uitspraken gedaan, onder meer ECLI:NL:CVB: 2017: 2863 en ECLI:NL:CRVB:2017:2864.

4.8.

Uit de stellingen van eisers begrijpt de kantonrechter dat eisers niet zo zeer betwisten dat, indien de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis te duiden zijn als een (pre)pensioenregeling van de toenmalige werkgever, de uitkeringen onder de WW tot korting leiden, maar stellen zij zich op het standpunt dat de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis geen uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting van de werkgever is, maar een incidentele, geheel vrijwillige voorziening, ingegeven door de wens van hun toenmalige werkgever om de getroffen werknemers te compenseren voor de afschaffing van de VUT-regeling. In die situatie zou korting ingevolge de WW (in het verlengde hiervan onder de wachtgeldregeling) niet mogelijk zijn in welk verband eisers aansluiting zoeken bij nader genoemde uitspraken van de CRvB. De kantonrechter volgt eisers daarin niet en overweegt daartoe het volgende.

4.9.

Voor de vraag of sprake is van een uit de dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering zoals bedoeld in artikel 3:5 van het AIB is naar het oordeel van de kantonrechter niet van doorslaggevend belang of de toenmalige werkgever van eisers destijds al dan niet arbeidsrechtelijk verplicht was de betreffende werknemers die voorheen werkzaam waren geweest bij RZT een prepensioenverzekering aan te bieden. Van belang is dat Menzis voor deze nader omschreven groep werknemers ter compensatie van de afschaffing van de pré-VUT-regeling vanwege het onbetaalbaar worden hiervan vanwege fiscale redenen, een andere voorziening heeft getroffen waardoor zij alsnog, voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, eerder kunnen stoppen met werken. De prepensioenverzekering die is afgesloten vloeit derhalve voort uit de dienstbetrekking die eisers hadden met hun toenmalige werkgever.

4.10.

De prepensioenvoorziening is niet voor de eisers individueel getroffen maar voor een grotere, nader omschreven groep werknemers op wie destijds de pre-VUT-regeling van toepassing was. Het beroep van eisers op de uitspraak van CRvB van 26 november 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BG6766) gaat dan ook niet op. Bovendien hebben eisers, anders dan in de door hen genoemde situatie waarover de uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2017:1039) handelt, de prepensioenverzekering niet uit eigen middelen gefinancierd, maar heeft Menzis een eenmalige bedrag ter beschikking gesteld voor het premievrije pensioen. Weliswaar is aan de vrijval van de polis geen voorwaarde verbonden in die zin dat eerder gestopt dient te worden met werken, maar zulks betekent niet dat om die reden de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis niet zouden zijn aan te merken als een periodieke uitkering in de zin van artikel 3:5 van het AIB. In dit verband wordt erop gewezen dat de CRvB in zijn uitspraak van 6 september 2017, ECLI: NL:CRVB:2017:2863 heeft bepaald dat de vraag of een prepensioen onder de uitzondering van artikel 3:5, derde lid van het AIB valt, restrictief uitgelegd dient te worden omdat het gaat om een uitzondering op de hoofdregel (te weten: inkomen dat verrekend moet worden met de WW-uitkering).

4.11.

Het voorgaande betekent dat, nu het subsidiaire standpunt van eisers geen stand houdt, beoordeeld dient te worden in hoeverre eisers een gerechtvaardigd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel.

4.12.

Eisers voeren in dit verband aan dat het begrip ‘inkomsten’ een voor de rechthebbende belastende bepaling is, zodat een restrictieve uitleg voor de hand ligt en verwacht mag worden dat alleen inkomsten die hetzelfde karakter hebben als het wachtgeld, gekort gaan worden. Ook hoefden zij er niet op bedacht te zijn dat een voorziening die is toegekend voor ingang van het wachtgeld later daarop gekort zal gaan worden. Ten slotte beroepen eisers zich op de informatie die zij hebben ontvangen.

4.13.

Wat betreft de door eisers voorgestane uitleg van het begrip ‘inkomsten’ wijst de kantonrechter naar hetgeen hierover reeds is overwogen. Niet valt in te zien waarom alleen loon of een andere loondervingsvoorziening gekort zou mogen worden. Ook de tekst van artikel 8 van het wachtgeld geeft hiervoor aanknopingspunt nu ook nader omschreven inkomsten uit bedrijf in mindering strekken op het wachtgeld. Eisers stellen weliswaar dat de voorziening reeds is toegekend voor ingang van het wachtgeld, maar op dit punt volgt de kantonrechter eisers niet. De prepensioenverzekering is weliswaar in 2006 afgesloten, maar zoals hiervoor reeds is overwogen zijn de uitkeringen ter zake eerst vanaf de 62-jarige leeftijd tot uitbetaling gekomen en deel gaan uitmaken van het vermogen van eisers.

4.14.

Wat betreft de door de toenmalige werkgever van eisers gegeven informatie kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat, in ieder geval gedurende een zekere periode, geen eenduidige informatie is verschaft over de vraag of de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis nu wel of niet in mindering worden gebracht op het wachtgeld. Gewezen wordt op de brief van de heer [A] , teammanager P&O Servicedesk van 25 maart 2013 en de, met instemming van partijen, nagezonden e-mailwisseling tussen de dames [B] en [C] enerzijds en de heer [D] anderzijds. Echter voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is dit niet voldoende. Immers, gesteld noch gebleken is dat aan eisers toezeggingen zijn gedaan op basis waarvan bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis niet gekort worden op de wachtgelduitkeringen. De hiervoor genoemde brief en e-mailcorrespondentie heeft niet met eisers plaatsgevonden, terwijl de door eisers als productie 5 bij dagvaarding overgelegde memo van 2 maart 2009 van [E] aan [eiser 1] slechts de hoofdzaken benoemd van het wachtgeldreglement van Stichting De Burcht en derhalve niet volledig pretendeert te zijn.

4.15.

Ook de overgelegde informatie van de oud-bestuursleden van de voormalige stichting De Burcht waarin zij verklaren dat met inkomsten volgens het wachtgeldreglement altijd werd bedoeld ‘inkomsten uit tegenwoordige arbeid’, leidt niet de kantonrechter niet tot een ander oordeel. Ten tijde van de oude regelingen kon immers geen samenloop plaatsvinden van de verschillende regelingen in verband met inactiviteit en in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst eindigde ook het deelnemerschap aan de oude pre-VUT-regeling.

4.16.

Eisers hebben een beroep gedaan op een als productie 10 overgelegde verklaring van de toenmalige teammanager van [eiser 2] , mevrouw [F] . Hierin staat vermeld dat [F] heeft onthouden dat de heer [D] in een gesprek in 2007 met [eiser 2] waar zij bij aanwezig is geweest, heeft meegedeeld dat de uitkering van Zwitserleven niet van invloed is op de hoogte van het wachtgeld omdat ‘Zwitserleven afgekocht was’.

4.17.

De kantonrechter is van oordeel dat, ook indien dit door [D] zou zijn gezegd, hetgeen door hem desgevraagd wordt betwijfeld gelet op de intentie van het bestuur van Stichting De Burcht om wachtgeld en uitkering Zwitserleven niet te laten cumuleren, aan de verklaring van [F] geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. In het Pensioenreglement Prepensioen van de Stichting De Burcht is immers onder meer expliciet bepaald dat de aanspraak ingevolge het prepensioenreglement niet kan worden afgekocht. Hoe het door [F] verklaarde derhalve moet worden geduid, is niet duidelijk. Bovendien blijkt uit de als productie 9 overgelegde brief van 21 december 2005 en de sheets van een presentatie van 17 januari 2006 duidelijk dat het uitgangspunt in 2005/2006 steeds is geweest om de nieuwe regeling zo nauw mogelijk te laten aansluiten bij de oorspronkelijke intenties van de regeling, of, zoals dat op de sheet op pagina 3 staat, ‘Recht doen aan de geest van de bestaande regeling, passend binnen de wettelijke mogelijkheden’. Hierbij past niet dat in geval van inactiviteit uit een en dezelfde dienstbetrekking zowel aanspraak gemaakt kan worden op wachtgeld als op een uitkering ingevolge prepensioen.

4.18.

Hoewel de kantonrechter zich realiseert dat eisers een gevoel bekruipt van ongelijkheid nu voormalige collega’s van hen die nog steeds in dienst zijn van Menzis, naast hun loon uit dienstbetrekking, de uitkeringen uit de Zwitserlevenpolis ontvangen, kan dit niet afdoen aan hetgeen hiervoor is overwogen. Die betreffende werknemers ontvangen immers geen wachtgeld zodat het in artikel 8 lid 3 van het wachtgeldreglement bepaalde op hen niet van toepassing is. Hooguit zou gezegd kunnen worden dat destijds onvoldoende aandacht is gegeven aan de mogelijkheid dat werkenden, ondanks de prepensioenverzekering, desondanks er voor zouden kunnen kiezen door te blijven werken. Dat betekent echter niet dat het begrip ‘inkomsten’ in het op eisers van toepassing zijnde wachtgeldreglement anders zou moeten worden uitgelegd dan hiervoor is overwogen.

4.19.

De conclusie is derhalve dat de vorderingen van eisers afgewezen dienen te worden. Zij zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van eisers af;

5.2.

veroordeelt eisers in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Menzis Beheer begroot op € 960,00 wegens het salaris van de gemachtigde en € 100,00 wegens nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van het onder 5.2. bepaalde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers , kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019. (ak)

1 Van Dale Groot woordenboek, hedendaags Nederlands, 4e editie