Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4948

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-12-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
8066100 \ EJ VERZ 19-245
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kan BBL- overeenkomst als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt of is het een stage-overeenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 8066100 \ EJ VERZ 19-245

Beschikking van de kantonrechter van 2 december 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. C.C.M. Peper,

advocaat te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BETER THUIS WONEN MULTIHULP B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

verwerende partij,

hierna te noemen Multihulp,

gemachtigde: mr. E.N. Mulder,

advocaat te Nijkerk.

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om Multihulp te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens een onregelmatige opzegging, alsmede tot betaling van een billijke vergoeding. [verzoekster] heeft voorts verzocht om Multihulp te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris en vakantiegeld.

Multihulp heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 21 november 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

Voorafgaand aan de zitting hebben [verzoekster] en Multihulp nog stukken in het geding gebracht.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren [1987] , is op 12 februari 2019 met Multihulp een leerovereenkomst (BBL-traject) overeengekomen. [verzoekster] volgt de beroepsopleiding Verzorgende IG aan het ROC van Twente. Het betreft een BBL-opleiding, welke twee jaar duurt.

2.2.

In deze leerovereenkomst is het navolgende overeengekomen, voor zover hier van belang:

Ondergetekenden,

[… .]

verklaren hierbij een stageovereenkomst te zijn aangegaan onder de navolgende voorwaarden:

Artikel 1: Dienstverband

De leerling treedt met ingang van 15 februari 2019 in dienst van de werkgever in de functie van Stagiair.

[… .]

Artikel 5: Salaris

De eerste 7 maanden (voorbereidende periode) na indiensttreding bedraagt zakgeld € 347,- bruto per maand.[… .] Na 7 maanden krijgt de leerling € 1838,58 bruto per maand op fulltime basis.

[… ]

Artikel 8: Tussentijdse opzegging

Op het moment dat de leerovereenkomst voortijdig door leerling, dan wel school( al dan niet in overleg met op of op aangeven van werkgever), wordt beëindigd, eindigt deze leerovereenkomst per diezelfde datum.

De tussentijdse opzegtermijn bedraagt voor werkgever 1 maand en voor de leerling 1 maand [… . ] De opzegging dient schriftelijk te geschieden.

2.3.

Op de tussen partijen gesloten overeenkomst is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg 2018 – 2019, hierna ook de CAO, van toepassing. In de CAO is onder meer in artikel 3.18 het navolgende opgenomen, voor zover hier van belang:

Zakgeld en stagevergoeding leerlingen

Voorbereidende 1. Als je [… .] leerling-verzorgende-IG bent dan is er mogelijk periode sprake van een voorbereidende periode van [… .] 7 maanden.

[… .] Tijdens een voorbereidende periode ontvang je zakgeld:

Zakgeld a. € 347,00 bruto per maand [… .]

Stagevergoeding 2. Als je een opleiding volgt tot verzorgende [… .] ontvang je [… .] een stagevergoeding [… .]. De vergoeding is gebaseerd op een voltijdstage van gemiddeld 4 dagen per week. Als je minder stage loopt dan wordt de vergoeding naar verhouding van het aantal dagen toegekend. [… .]

2.4.

Op 24 juni 2019 schrijft [A] namens Multihulp het navolgende, voor zover hier van belang:

[… .] Uw leerovereenkomst voor bepaalde tijd loopt per 31-07-2019 af.

Zoals met u besproken, bevestigen wij u dat uw dienstverband niet zal worden verlengd. [… .]

3. Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de Multihulp te veroordelen tot betaling van een bedrag van:

  • -

    € 2.000,00 bruto, ter zake billijke vergoeding;

  • -

    € 13.789,35 bruto, ter zake vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

  • -

    € 1.103,15 bruto, ter zake vakantiegeld;

  • -

    € 4.474,74 bruto, ter zake achterstallig salaris,

genoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van de opeisbaarheid van de bedragen tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Multihulp in de kosten van deze procedure.

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij op 15 februari 2019 in dienst is getreden bij Multihulp. Zij volgt een BBL-opleiding aan het ROC van Twente, hetgeen betekent dat zij één dag in de week naar school gaat en vier dagen in de week werkzaam is (geweest) voor Multihulp. [verzoekster] stelt dat Multihulp de tussen partijen bestaande overeenkomst op onjuiste gronden heeft opgezegd. Volgens de tussen partijen gemaakte en vastgelegde afspraken, is er sprake van een overeenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege afloopt bij het einde van de opleiding. Multihulp heeft de overeenkomst niet eerder kunnen beëindigen. [verzoekster] verzoekt om deze reden om een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging en om een billijke vergoeding.

3.2.

Multihulp concludeert tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] . Zij stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een stageovereenkomst is gesloten. Deze stageovereenkomst is er op gericht dat de door de stagiaire verrichte werkzaamheden primair gericht zijn op het verwerven en/of uitbreiden van de kennis en ervaring van de stagiaire zodat het element ‘arbeid’ in de zin van artikel 7:610 BW ontbreekt. [verzoekster] is in het bezit van het diploma ‘Helpende’. De kennis van een helpende is beperkt en om bij Multihulp als ‘Verzorgende IG’ aan de gang te gaan in het BBL-traject, diende [verzoekster] ervaring op te doen als stagiair. Door als stagiaire mee te lopen met medewerksters van Multihulp, zou zij ervaring op kunnen doen, waarna [verzoekster] vanaf september 2019 als BBL-er Verzorgende IG aan de slag had kunnen gaan en de daarbij behorende stagevergoeding gaan ontvangen. [verzoekster] heeft zich echter niet aan de afspraken gehouden door onbevoegde handelingen te verrichten, reden waarom Multihulp heeft besloten dat het onmogelijk was om met [verzoekster] verder te gaan. Multihulp stelt dat op 24 juni 2019 voor haar de maat vol was en de stageovereenkomst tijdens een gesprek met [verzoekster] heeft beëindigd.

4 de beoordeling

4.1.

De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoekster] aldus dat Multihulp niet enkel met behulp van het tussentijdsopzeggingsbeding de tussen partijen bestaande

(arbeids-)overeenkomst had kunnen beëindigen, waar zij hiervoor voorafgaand toestemming aan het UWV had dienen te vragen.

4.2.

De stellingen van [verzoekster] gaan alleen op wanneer de tussen partijen bestaand hebbende overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. Volgens artikel 7:610 BW is de arbeidsovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. In z’n algemeenheid wordt hieruit afgeleid dat de drie voornaamste voorwaarden voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst zijn dat arbeid wordt verricht, dat loon wordt betaald en dat er sprake is van een gezagsverhouding. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (vlgs. HR 9 oktober 2015, NJ 2016/276)). Niet beslissend is derhalve welke juridische kwalificatie partijen zelf aan hun verhouding hebben gegeven, maar of de (feitelijke) afgesproken rechten en verplichtingen, mede gelet op de feitelijke uitvoering daarvan, al dan niet voldoen aan de in artikel 7:610 BW vermelde kenmerken van een arbeidsovereenkomst.

4.3.

Een stageovereenkomst vertoont dikwijls kenmerken van een arbeidsovereenkomst. Er wordt gewerkt (arbeid verricht) onder begeleiding van een stagebegeleider (gezagsverhouding) en er wordt een stagevergoeding, in het onderhavige geval zakgeld, betaald (loon). Het is evenwel vaste rechtspraak dat in het geval van een stageovereenkomst het element ‘arbeid’ niet zonder meer kan worden aangenomen. Als maatstaf heeft te gelden of de werkzaamheden die worden verricht naar de bedoeling van partijen zozeer gericht zijn op het uitbreiden van eigen kennis en ervaring, zulks mede met het oog op voltooiing van de opleiding, dat van een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt voor de andere arbeid te verrichten niet kan worden gesproken. Daaruit volgt dat het erop aankomt of het verrichten van de werkzaamheden in overwegende mate in het belang is van de opleiding die wordt gevolgd. Zodra het primaire doel van de arbeidsprestatie verschuift naar een (actieve) bijdrage aan de verwezenlijking van het primaire doel van de onderneming, dan kan men niet langer volhouden dat sprake is van een stage- of leerovereenkomst (vlgs. HR 14 april 2006, NJ 2007/447).

4.4.

Bij gelegenheid van de mondeling behandeling heeft [verzoekster] aangegeven dat zij zelf haar rooster samenstelde. Zij maakte zelfstandig één week van te voren haar weekrooster, door aanvankelijk via het werknemersportaal en later via de WhatsApp een afspraak te maken met een medewerker van Multihulp met wie zij wilde meelopen. Deze medewerker gaf vervolgens haar al dan niet goedkeuring dat [verzoekster] mocht meelopen. Afgesproken werd voor de deur van de cliënt. [verzoekster] verrichtte werkzaamheden in het bijzijn van die medewerker van Multihulp die vervolgens voor deze werkzaamheden moest aftekenen. De kantonrechter wil wel geloven dat [verzoekster] ook incidenteel, wanneer de planning misliep, zelfstandig (basis-) werkzaamheden heeft verricht waarbij zij de cliënt heeft moeten wassen en aankleden, doch een en ander rechtvaardigt niet de conclusie dat de verrichte handeling actief bijdraagt aan de verwezenlijking van het primaire doel van Multiwerk. Naar het oordeel van de kantonrechter is de door [verzoekster] verrichte arbeid in het kader van de leerovereenkomst primair gericht op het vergroten van haar eigen kennis en het opdoen van werkervaring, zodat geen sprake is van arbeid in de zin van artikel 7:610 BW. Een en ander betekent dat voor de opzegging van leerovereenkomst geen toestemming van het UWV was vereist en dat deze overeenkomst door [verzoekster] , met gebruikmaking van het tussentijdse opzeggingsbeding en met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, rechtsgeldig kon worden opgezegd. Nu geen sprake is van een onregelmatig opzegging is voor de toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens een onregelmatige opzegging geen plaats. De hierop gebaseerde verzoeken worden dan ook door de kantonrechter afgewezen.

4.5.

[verzoekster] stelt (subsidiair) dat zij op basis van de leerovereenkomst de eerste zeven maanden recht heeft op een vergoeding van € 347,00 bruto per maand, daar waar haar slechts een bedrag van € 173,50 door Multihulp is betaald, zodat zij nog recht heeft op een bedrag van 6 x 173,50 = € 1.041,00 bruto.

Multihulp stelt dat [verzoekster] werkzaam was op basis van een ‘dienstverband’ van 50% en dat zij daardoor slechts aanspraak kan maken op de helft van het in de CAO vastgestelde zakgeld van € 347,00 op fulltimebasis, zijnde een bedrag van € 173,50 wat zij ook daadwerkelijk heeft ontvangen.

De zakgeldregeling, voorkomende in de leerovereenkomst, komt exact overeen met de in de CAO opgenomen bepaling in artikel 3.18 van die cao (zie 2.3.). Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. In de CAO wordt aangegeven dat je tijdens een voorbereidende periode, waarvan in casu sprake is, aanspraak hebt op een zakgeld van € 347,00 bruto per maand. In tegenstelling tot regeling met betrekking tot de stagevergoeding die in de CAO expliciet is gebaseerd op een voltijdstage van gemiddeld 4 dagen per week, wordt in de regeling met betrekking tot de voorbereidende periode dit onderscheid niet gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] tijdens de voorbereidende periode dan ook aanspraak op een zakgeld van € 347,00 bruto per maand. Het hierop gebaseerde subsidiaire verzoek van [verzoekster] is dan ook voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de hierover verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift, te weten 26 september 2019.

4.6.

Nu de tussen partijen bestaande overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt, kan de in dat kader van die overeenkomst verschuldigde zakgeld niet als loon worden aangemerkt. Hierover is dan ook geen vakantiegeld verschuldigd.

4.7.

[verzoekster] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Multihulp om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 1.041,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure tot op deze uitspraak aan de zijde van Multihulp gevallen en begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Marsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2019.