Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4945

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
08-01-2020
Zaaknummer
8094690 \ EJ VERZ 19-356
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Onterecht ontslag op staande voet van advocaat-stagiaire. Matiging gefixeerde schadevergoeding. Billijke vergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats

Zaaknummer : 8094690 \ EJ VERZ 19-356

Beschikking van de kantonrechter van 24 december 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, hierna te noemen werknemer,

gemachtigde: mr. J.M. de Nooij,

tegen

de besloten vennootschap [verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats] en (tevens) kantoorhoudende te [plaats 1] ,

verwerende partij, hierna te noemen werkgever,

gemachtigde: mr. F.M. Meis.

1 De procedure

1.1.

Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

- de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 8 oktober 2019

- het verweerschrift

- de bij brieven van 21 en 25 november 2019 toegezonden aanvullende producties van werknemer

- de mondelinge behandeling van 27 november 2019

- de pleitnota van werknemer

- de pleitnota van werkgever.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Werkgever is een advocatenkantoor dat sinds 1 februari 2018 actief is.

2.2.

Werknemer is op 13 mei 2019 voor de duur van twee jaar in dienst getreden bij werkgever in de functie van advocaat-stagiaire, tegen een loon van € 2.702,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

2.3.

In de ochtend van 29 juli 2019 heeft een collega van werknemer een e-mail uit naam van en vanaf het e-mailacccount van werknemer verzonden, zonder dat werknemer hiervan op de hoogte was.

2.4.

Later die dag heeft werknemer per e-mail aan zijn collega’s, waaronder begrepen de directie van werkgever, kenbaar gemaakt dat en waarom hij het niet accepteert dat er zonder zijn medeweten en zonder zijn instemming vanuit zijn naam en e-mailaccount

e-mails worden gestuurd. In die e-mail staat onder meer het volgende vermeld:

2.5.

In de avond van 29 juli 2019 heeft werknemer van een collega vernomen dat voornoemde e-mail uit alle e-mailboxen van de ontvangers van die e-mail was verwijderd.

2.6.

Op 30 juli 2019 om 8.14 uur is vanuit de directie van werkgever een e-mail gestuurd over het feit dat er kennelijk enige onvrede was ontstaan over de werkwijze met betrekking tot de correspondentie in andermans naam. In die e-mail staat onder meer vermeld dat die werkwijze wellicht niet in overeenstemming is met de gedragsregels en dat het een goed idee lijkt om dit tijdens een werkoverleg te bespreken. Ook staat in de betreffende e-mail vermeld dat vooralsnog per direct alleen namens iemand berichten zullen worden verzonden met de eigen naam van de opsteller van het bericht eronder.

2.7.

Nadat werknemer de privé e-mailadressen van zijn collega’s had verzameld, heeft hij de onder 2.4 genoemde e-mail op 30 juli 2019 om 8.59 uur thuis vanaf zijn privé

e-mailadres naar die privé-adressen verzonden.

2.8.

Omstreeks 10.30 uur diezelfde dag is werknemer door werkgever gebeld dat hij op staande voet is ontslagen. Dit ontslag is per e-mail van 1 augustus 2019 aan werknemer bevestigd. Over de reden van het ontslag op staande voet staat in die e-mail het volgende vermeld:

2.9.

Per 1 september 2019 is werknemer weer als (advocaat)stagiaire-ondernemer gaan werken bij het kantoor in [plaats 2] , waar hij vóór de indiensttreding bij werkgever werkzaam was.

2.10.

Per 16 september 2019 is werknemer werkzaam als advocaat-stagiair bij een advocatenkantoor te [plaats 1] .

3 Het verzoek

3.1.

Werknemer verzoekt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking voor recht te verklaren dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW ten grondslag ligt. Ook verzoekt werknemer werkgever te veroordelen:

- tot betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW van € 58.877,24 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen billijke vergoeding, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/nettospecificatie;

- tot betaling van de vergoeding ex artikel 7:677 lid 4 BW van € 67.876,95 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/nettospecificatie;

- om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking een eindafrekening per 30 juli 2019 op te maken en tot betaling over te gaan van hetgeen op grond van die eindafrekening verschuldigd is, waaronder vakantiegeld en vakantiedagen, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/nettospecificatie en te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en met de wettelijke rente;

- tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen;

- tot betaling van een bedrag van € 5.500,00 inclusief btw aan schadevergoeding ex artikel 7:611 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- in de kosten van deze procedure en in de nakosten, onder voorwaarden te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Werknemer legt aan dit verzoek – kort samengevat – ten grondslag dat geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Volgens werknemer heeft werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet in acht genomen en daarmee ernstig verwijtbaar gehandeld.

3.3.

Werkgever verweert zich en meent dat het verzoek van werknemer moet worden afgewezen. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Werknemer heeft het verzoek tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop het ontslag op staande voet is gegeven.

4.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet al dan niet terecht is gegeven en of aan werknemer (onder meer) een billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding dient te worden toegekend.

4.3.

Ingevolge artikel 7:677 lid 1 BW is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van werknemer, die ten gevolge hebben dat van werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.4.

Vooropgesteld wordt dat een ontslag op staande voet een uiterst middel is en dat het slechts mag worden gegeven als van de werkgever op grond van een dringende reden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zullen hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vergelijk HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BV9532).

4.5.

Partijen verschillen van mening over welke dringende reden(en) voor het ontslag op staande voet in het telefoongesprek van 30 juli 2019 aan werknemer is/zijn medegedeeld. Wat hier echter ook van zij, de mededeling van de dringende reden(en) hoeft niet gelijktijdig met het ontslag plaats te vinden, maar dient onverwijld te geschieden, hetgeen betekent dat een korte tijdspanne tussen de opzegging en de mededeling is toegestaan. Werkgever heeft kort na het telefoongesprek van 30 juli 2019, namelijk per e-mail van 1 augustus 2019, in ieder geval alle redenen voor het ontslag op staande voet aan werknemer kenbaar gemaakt, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter als onverwijld moet worden aangemerkt. Dit betekent dat de in de e-mail van 1 augustus 2019 genoemde redenen de ontslaggrond fixeren.

4.6.

In de betreffende e-mail staat als (eerste) reden voor het ontslag op staande voet vermeld dat werknemer de belangen van werkgever ernstig heeft geschaad. Werkgever beschrijft in die e-mail in dat kader dat zij de hiervoor onder 2.4 genoemde e-mail van werknemer als een dolk in de rug heeft ervaren, aangezien werknemer haar daarin beschuldigt van het bewust aanzetten tot gedragsrechtelijk verwijtbaar gedrag, maar vooral omdat werknemer ervoor gekozen heeft de kwestie van het verzenden van e-mails uit zijn naam direct met het hele team te delen en niet eerst met de directie te bespreken. Verder beschrijft werkgever in de betreffende e-mail dat het haar na het verwijderen van voornoemde e-mail uit de postvakken van de collega’s en het versturen van de hiervoor onder 2.6 genoemde e-mail is gebleken dat werknemer bezig was om via de privé

e-mailaccounts van de medewerkers de zaak buiten werkgever om verder te escaleren. Werkgever, zo staat in de e-mail van 1 augustus 2019 vermeld, beschouwt deze handelwijze van werknemer als dusdanig ernstig, schadelijk en verwijtbaar dat sprake is van een niet te herstellen vertrouwensbreuk en meent dat daarom reden is voor ontslag op staande voet.

4.7.

De vraag is of de in de e-mail van 1 augustus 2019 genoemde redenen voor het ontslag op staande voet dit ontslag rechtvaardigen. Werknemer meent van niet en voert daartoe aan dat hij werkgever in zijn e-mail van 29 juli 2019 niet heeft beticht/willen betichten van het bewust aanzetten tot gedragsrechtelijk verwijtbaar handelen, maar zijn eigen verantwoordelijkheid heeft willen nemen en zijn collega’s bewust heeft willen maken van de individuele tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van advocaten. Werknemer stelt ook dat (hij in de veronderstelling was dat) zijn patroon en de directie op 29 juli wegens vakantie afwezig waren en dat hij er daarom voor heeft gekozen een e-mail te sturen. Volgens werknemer had hij op het moment van het verzenden van zijn tweede e-mail de door werkgever op 30 juli 2019 verzonden e-mail bovendien nog niet gelezen en was hij dan ook niet bezig om de kwestie verder te escaleren. Werknemer wijst er verder op dat werkgever na zijn eerste e-mail haar beleid meteen heeft aangepast, dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgehad en dat de sanctie van een ontslag op staande voet een te zware maatregel is.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat werknemer met het versturen van de e-mail van 29 juli 2019 en het nadien nogmaals versturen van die e-mail aan de privé
e-mailadressen van zijn collega’s, verwijtbaar heeft gehandeld. In de betreffende e-mail van werknemer staat letterlijk vermeld “Alle advocaten zijn naast werknemer/werkgever individueel tuchtrechtelijk aansprakelijk. Het feit dat een werkgever, als Saul, opdracht/aanzet heeft gegeven tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, doet daarin beginsel niet aan af.” Dit kan als een beschuldiging van werkgever worden gelezen, hetgeen werknemer – zo is ter zitting gebleken – (inmiddels) ook wel inziet. Werknemer heeft naar het oordeel van de kantonrechter als advocaat-stagiaire, die nog maar kort bij werkgever in dienst was, ook wel hoog van de toren geblazen door de kwestie van het op zijn naam versturen van e-mails direct bij al zijn collega’s aan te kaarten en niet eerst met de directie te bespreken, althans bij de directie onder de aandacht te brengen. Dat werknemer in de veronderstelling was dat de directie met vakantie was, kan hem wat dit betreft niet baten, nu gelet op de door werkgever overgelegde producties 7 en 8 aangenomen moet worden dat werknemer bekend was met het feit dat de directie in de vakantie gewoon bereikbaar was. Met werkgever is de kantonrechter bovendien van oordeel dat werknemer uit het feit dat werkgever de e-mail van werknemer uit de e-mailboxen van haar medewerkers had verwijderd, had moeten inzien dat die e-mail niet goed was gevallen bij de directie. Hoewel de kantonrechter kan begrijpen dat werknemer verbolgen was over deze verwijdering, had werknemer pas op de plaats moeten maken en de betreffende e-mail zeker niet nogmaals moeten versturen aan de privé e-mailadressen van zijn collega’s.

4.9.

De kantonrechter acht voornoemde handelwijze van werknemer echter onvoldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Werkgever heeft in haar verweerschrift toegelicht dat dit handelen als gezagsondermijnend moet worden aangemerkt en dat werknemer met zijn handelen het personeel tegen haar heeft willen opzetten, maar de kantonrechter deelt die opvatting van de werkgever niet. Werknemer zet in zijn

e-mail van 29 juli 2019 zijn collega’s niet aan om in strijd met de kantoorregels te handelen. De e-mail bevat, naast de smadelijke suggestie in de richting van de werkgever, vooral een vanuit zijn eigen beroepsmatige belang geschreven en in zeer stellige bewoordingen vervatte oproep om niet langer uit zijn naam e-mails te versturen. Het ligt naar het oordeel van de kantonrechter voor de hand dat werknemer inderdaad (slechts) de bedoeling had zijn collega’s bewust te maken van hun individuele tuchtrechtelijke aansprakelijkheid. Het is bovendien goed mogelijk dat werkgever er ten onrechte van uitgaat dat werknemer, voordat hij zijn e-mail nogmaals aan zijn collega’s verstuurde, het door werkgever verstuurde e-mailbericht van 30 juli 2019 reeds had gelezen. Er waren immers meer personen die toegang hadden tot de mailbox van werknemer, zodat een eventuele leesbevestiging – die overigens niet is overgelegd – niets zegt over de persoon van de lezer van de betreffende e-mail.

4.10.

De conclusie uit het voorgaande is dan ook dat werkgever werknemer ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Dit betekent dat de door werknemer verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.

4.11.

De kantonrechter constateert dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geen tussentijds opzegbeding bevat. Nu sprake is van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet, is werkgever op grond van artikel 7:677 lid 4 BW een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd. Deze vergoeding bedraagt in beginsel het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. Volgens de berekening van werknemer komt dit neer op een vergoeding van € 67.876,95 bruto, exclusief jaarlijkse indexeringen. Met het oog op de omstandigheden komt het de kantonrechter in het onderhavige geval echter billijk voor om deze vergoeding te matigen. Werknemer is immers per 1 september 2019 weer als (advocaat)stagiaire-ondernemer gaan werken bij het kantoor waar hij vóór de indiensttreding bij werkgever werkzaam was en is kort daarna in dienst getreden als advocaat-stagiaire bij een advocatenkantoor te [plaats 1] . Werknemer heeft dus kort na het ontslag op staande voet weer inkomsten genoten, zodat een schadevergoeding van € 67.876,95 de kantonrechter bovenmatig voorkomt. Mede gelet op het verwijtbare handelen van werknemer, ziet de kantonrechter aanleiding de gefixeerde schadevergoeding te matigen tot zes maandsalarissen. Dit komt neer op een bedrag van
€ 16.402,63 bruto (zijnde een vergoeding van € 14.500,73 over de eerste 5 maanden en 11 dagen, en een bedrag van € 1.901,90 (zijnde 19/30 x € 3.003,-) over de laatste 19 dagen). Op grond van artikel 7:686a lid 1 BW kan werknemer vanaf 30 juli 2019 aanspraak maken op de wettelijke rente over dit bedrag.

4.12.

Ten aanzien van de door werknemer verzochte billijke vergoeding geldt dat uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter een billijke vergoeding kan toekennen als de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Het in strijd met de daarvoor geldende regels opzeggen van een arbeidsovereenkomst valt een werkgever ernstig aan te rekenen (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 4, p. 16) en leidt tot ernstige verwijtbaarheid aan haar zijde. Nu hiervoor is geoordeeld dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, kan werknemer in beginsel dan ook aanspraak maken op een billijke vergoeding.

4.13.

Bij de begroting van de billijke vergoeding gaat het er om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan wel worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia)).

4.14.

De kantonrechter hecht bij het beoordelen van de vraag of aan werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend, veel waarde aan het handelen van werknemer, dat – zoals hiervoor is overwogen – als verwijtbaar kan worden aangemerkt. Gelet op de houding van werknemer, is het bovendien maar zeer de vraag of werknemer, indien het ontslag op staande voet zou zijn vernietigd, tot half mei 2021 bij werkgever in dienst was gebleven. Dit geldt te meer nu werknemer zelf stelt dat de wijze waarop voorafgaand aan het ontslag met hem en zijn collega’s is omgegaan, hem niet beviel en er bovendien sprake was van het vertrek van zijn patroon, waarvoor geen opvolger beschikbaar was.
Werknemer stelt verder dat het ontslag op staande voet een ernstige hindernis in zijn carrièreverloop is en dat hij door het ontslag in zijn eer en goede naam is aangetast, maar deze stellingen sluiten niet aan bij het feit dat hij per 1 september 2019 weer voor zijn oude kantoor aan het werk kon en kort daarna in [plaats 1] een baan heeft gevonden als advocaat-stagiaire. Zoals eerder overwogen, maakt dit ook dat slechts sprake is geweest van een geringe inkomstenderving. Werknemer stelt ook nog andere materiële schade te hebben geleden, maar heeft deze door werkgever betwiste schade niet onderbouwd. Al met al is de kantonrechter in de gegeven omstandigheden dan ook van oordeel dat werknemer met de vergoeding wegens onregelmatige opzegging voldoende wordt gecompenseerd voor het handelen van werkgever. Dit betekent dat de verzochte billijke vergoeding zal worden afgewezen.

4.15.

Werknemer maakt onder verwijzing naar het New Hairstyle-arrest ook aanspraak op een bedrag van € 5.500,- aan schadevergoeding wegens gemaakte kosten van rechtsbijstand. Gesteld noch gebleken is echter dat die kosten, zoals in het bedoelde arrest, andere kosten betreffen dan die zijn gemaakt met het oog op de kwesties die in onderhavige procedure aan de orde zijn, zodat het bedrag van € 5.500,- alleen al om die reden moet worden afgewezen.

4.16.

Werknemer verzoekt werkgever ook te veroordelen een eindafrekening op te maken en over te gaan tot betaling van hetgeen zij op grond van die eindafrekening verschuldigd is, waaronder onder meer vakantiegeld en vakantiedagen, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie en te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en met de wettelijke rente. Werkgever heeft bij haar verweerschrift een eindafrekening overgelegd waarin het vakantiegeld verwerkt is. Volgens werknemer is werkgever echter nog altijd niet tot betaling overgegaan, is de datum van uitdiensttreding op die eindafrekening onjuist en zijn de vakantiedagen niet daarin opgenomen. Werkgever heeft ter zitting toegezegd het een en ander te controleren en tot betaling over te gaan, indien blijkt dat er inderdaad nog niet betaald is. Aangezien het de kantonrechter niet duidelijk is of en zo ja, welke acties werkgever in dit kader heeft ondernomen, zal het verzoek tot het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto-specificatie worden toegewezen – voor zover werkgever nog niet aan haar verplichtingen in dit kader heeft voldaan – en zal werkgever worden veroordeeld tot betaling van hetgeen zij op grond van die eindafrekening aan werknemer verschuldigd is. Over het nog te betalen bedrag is werkgever wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd, zodat ook deze toewijsbaar zijn. De kantonrechter ziet wel aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%.

4.17.

Gelet op de uitkomst van deze procedure, zal werkgever in de proceskosten worden veroordeeld.

4.18.

Werkgever heeft ter zitting nog verzocht deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, aangezien haar financiële positie slecht zou zijn. Werkgever heeft deze stelling echter onvoldoende onderbouwd, zodat het betreffende verzoek van werkgever wordt gepasseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst van werknemer geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW ten grondslag ligt;

5.2.

veroordeelt werkgever om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan werknemer te voldoen een bedrag van € 16.402,63 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 juli 2019 tot de dag der algehele voldoening, zulks onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie;

5.3.

veroordeelt werkgever, voor zover zij inmiddels niet reeds aan die verplichting heeft voldaan, om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking een correcte eindafrekening per 30 juli 2019 op te maken en tot betaling aan werknemer over te gaan van hetgeen zij op grond van die eindafrekening verschuldigd is, zulks onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 26 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% ex artikel 7:625 BW;

5.4.

veroordeelt werkgever in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag der algehele voldoening. Deze kosten worden
tot op heden aan de zijde van werknemer begroot op:

- € 486,00 aan griffierecht,

- € 720,00 aan salaris gemachtigde, en

- € 100,00 aan nakosten.

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.