Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4943

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
C/08/237709 / KG ZA 19-254
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 1:377a en 1:2 BW. Vordering man aanwezigheid bij de bevalling of kort na de bevalling contact met het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0012
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/237709 / KG ZA 19-254

datum uitspraak: mondelinge deel 4 oktober 2019

schriftelijke deel 18 oktober 2019

vonnis in kort geding

inzake

[eiser],

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof,

en

[gedaagde],

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2]

gedaagde.

1 Het procesverloop

1.1.

De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de dagvaarding van 26 september 2019.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2019. Aanwezig waren namens de man, zijn advocaat en namens de raad voor de kinderbescherming, verder te noemen: de raad, F. Algra.

1.3.

Gedaagde is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.

2 De feiten

Partijen hebben tot medio zomer 2019 een affectieve relatie gehad. De vrouw is in verwachting van het kind van partijen. De man heeft met toestemming van de vrouw de ongeboren vrucht erkend.

3 De vordering in conventie

De man vordert de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te bevelen casu quo te veroordelen binnen één dag na betekening van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis onverminderd uitvoering te geven aan de door de voorzieningenrechter vast te stellen regeling betreffende zijn aanwezigheid bij casu quo direct na de geboorte van het kind van partijen zoals genoemd onder punt 14 van de dagvaarding, zulks op straffe van een aan hem te betalen dwangsom van € 10.000,- indien de vrouw nalatig is om aan het deze te wijzen vonnis te voldoen, dan wel een bedrag dat de voorzieningenrechter juist acht;

II. de vrouw te bevelen casu quo te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis onverminderd uitvoering te geven aan de door de voorzieningenrechter vast te stellen voorlopige contactregeling (zoals deze genoemd is onder punt 14 van de dagvaarding), dan wel subsidiair aan een voorlopige contactregeling als de voorzieningenrechter juist acht, zulks op straffe van een aan hem te betalen dwangsom van € 1.500,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van

€ 50,000,-, dan wel een bedrag dat de voorzieningenrechter juist acht;

III. partijen door te verwijzen naar de module ‘Ouderschap Blijft’ voor het houden van

intensieve oudergesprekken dan wel naar een ander passend traject dat gericht is op

onder andere het houden van intensieve oudergesprekken;

IV. de vrouw te bevelen casu quo te veroordelen om hem voorlopig eens per maand over de gezondheid, welzijn, en andere gewichtige aangelegenheden van de minderjarige te informeren, dan wel subsidiair een andere beslissing te nemen over de wijze van informatieverstrekking door de vrouw aan hem die de voorzieningenrechter in het belang van de minderjarige juist acht;

V. althans dusdanige (voorlopige) beslissingen te nemen als de voorzieningenrechter juist acht.

5 De beoordeling

Spoedeisend belang

5.1.

De man heeft voldoende gesteld dat er sprake is van een spoedeisend belang. De vrouw is inmiddels ruim 38 weken zwanger en de man wil een regeling die erop neerkomt dat hij contact heeft met het kind kort na de bevalling. De man is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontvankelijk in zijn vordering.

Inhoudelijke beoordeling

Voorlopige contactregeling

5.2.

De man heeft ter onderbouwing van zijn vordering het navolgende naar voren gebracht. Na de relatiebreuk medio zomer 2019 heeft de vrouw contact met hem onderhouden. Er werden afspraken gemaakt over zijn aanwezigheid bij de bevalling. Ook werd over gezag en omgang gesproken. Deze situatie is veranderd, want hij heeft geen contact meer met de vrouw. Hij maakt zich zorgen dat de vrouw hem uit het leven van hun zoontje wil houden. De man is van mening dat hij in de zogenoemde ‘beginperiode’ betrokken moet worden. Vooral de eerste vijf dagen na de geboorte zijn cruciaal voor de band tussen ouder en kind. De man moet dus vóór, tijdens en na de geboorte - voor langer dan vijf dagen - betrokken zijn. Dat vergroot zijn band met het kind in een later stadium. De man acht het een recht van het kind alsmede van hem als vader, dat onder andere wordt gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat er contact plaatsvindt tijdens de eerste (belangrijke) momenten na de geboorte. De man verwijst ook naar artikelen 3, 8 en 9 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

5.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. Ingevolge het derde lid van voormeld artikel ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.4.

Zoals ook op de mondelinge behandeling is besproken, is de vraag wat de wettelijke grondslag is van de vordering van de man. Artikel 1:377a BW regelt het recht van het kind op omgang met zijn ouders. Voor zover de voorzieningenrechter heeft kunnen vaststellen is op dit moment nog sprake van een ongeboren vrucht. Oplossing zou kunnen bieden artikel

1:2 BW waarin staat dat het kind waarvan een vrouw zwanger is reeds als geboren wordt aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Echter is de voorzieningenrecht, met de raad, van oordeel dat op dit moment het belang van de ongeboren vrucht, oftewel het kind niet kan worden beoordeeld. Niet duidelijk is geworden onder welke omstandigheden de man en de vrouw uit elkaar zijn gegaan. Ook is niet duidelijk hoelang partijen een affectieve relatie hebben gehad en hoe de zwangerschap van de vrouw verloopt. Een ongeboren vrucht, maar ook een pasgeboren baby is afhankelijk van zijn moeder. Het belangrijkste is op dit moment het welzijn van de moeder en de ongeboren vrucht, dan wel de pasgeboren baby. De moeder moet in alle rust kunnen bevallen en het kind kunnen voeden en verzorgen. De raad stelt ook dat voor een kind de echte hechting met de vader begint bij de leeftijd van twee/drie jaar. De voorzieningenrechter mist dus de omstandigheden waarin de moeder en de ongeboren vrucht/pasgeboren baby verkeren voor, tijdens en na de bevalling om te kunnen beoordelen dat de vordering van de man kan worden toegewezen. Daarbij komt dat nu nog sprake is van een ongeboren vrucht, niet kan worden beoordeeld of sprake is van zwaarwegende belangen van het kind om het recht op omgang te ontzeggen (artikel 1:377a, derde lid, BW).

5.5.

Alles overziend zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de man onder I en II afwijzen.

Verwijzing naar Ouderschap Blijft

5.6.

De rechtbank wijst de vordering om partijen door te verwijzen naar de module Ouderschap Blijft af, omdat het volgen van een dergelijke module enkel mogelijk is na instemming van beide ouders. Bovendien behoort een rechtstreekse verwijzing naar deze module niet tot de mogelijkheden, omdat de gemeente daarvoor eerst een indicatie moet afgeven.

Voorlopige informatieregeling

5.7.

De man vordert een voorlopige informatieregeling. Ter zitting is hierover geen mondelinge uitspraak gedaan, zodat de voorzieningenrechter aanleiding ziet, hierover alsnog bij dit schriftelijk vonnis te beslissen.

5.8.

Volgens artikel 1:377b, eerste lid, BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

5.9.

Vast staat dat de man op dit moment geen enkele informatie ontvangt van de vrouw over het (ongeboren) kind. Zodra het kind is geboren, heeft de vrouw op grond van de wet de verplichting de man te informeren. De vrouw heeft niet verzocht om te bepalen dat ingevolge artikel 1:377b, tweede lid, BW de toepassing van het eerste lid van genoemd artikel buiten toepassing blijft. De voorzieningenrechter ziet daar ambtshalve ook geen aanleiding toe, zodat de vordering van de man kan worden toegewezen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

verleent de vrouw verstek;

beveelt de vrouw om de man voorlopig eens per maand te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden van het (nog uit de vrouw te geboren) kind van partijen, met dien verstande dat de vrouw de man voor het eerst binnen een week na de bevalling informeert over de geboorte van het kind, hoe het met het kind gaat en verstrekking van een foto en daarna voor het eerst na een maand, telkens per maand informeert met onder meer toezending van een dan recente foto van het kind;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is deels mondeling gewezen te Zwolle door mr. J. de Ruiter, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Nagelhout als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019 en deels gewezen en openbaar uitgesproken en schriftelijk uitgewerkt op 18 oktober 2019.

Een afschrift van dit vonnis wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in dit vonnis vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.