Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4729

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-12-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
ak_19_640
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stelen dat Rigtersbier aangeduid kan worden als een ambachtelijke bierbrouwerij met een beperkte omvang; verzoek om handhaving terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/640 en 19/641

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] ,

gemachtigde: [naam 1] eiser 1,

[eiser 2] , te [woonplaats] , eiser 2,

tezamen eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen, verweerder

gemachtigden: A. Somhorst, Y. Hoekstra en J. Janssen.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Rigtersbier B.V. gevestigd te Haaksbergen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden tegen de bierbrouwerij Rigtersbier B.V. op het perceel [adres] te Haaksbergen afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2019.

Eisers zijn verschenen. [eiser 1] heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] .

Overwegingen

1. Op 12 februari 2016 heeft verweerder een milieucontrole verricht op het perceel [adres] te Haaksbergen bij [naam 3] Door verweerder wordt geconstateerd dat het bedrijf valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer. Het bedrijf is een type b-inrichting. Hiervoor is op 29 juli 2009 een melding ingediend. Ook zijn maatwerkvoorschriften op het bedrijf van toepassing. Tijdens de controle wordt vastgesteld dat ten opzichte van de vergunde situatie de kaasmakerij heeft plaatsgemaakt voor een bierbrouwerij, er een ijsmakerij wordt aangelegd en de winkel van de voormalige kaasmakerij als proeflokaal voor bier wordt gebruikt. Hiervoor dient een nieuwe melding te worden gedaan op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Ook wordt een overtreding van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit vastgesteld vanwege het niet juist afzuigen van de dampen van de bierbrouwerij naar de buitenlucht.

2. Op 23 mei 2016 heeft verweerder aan [naam 3] een bestuurlijke waarschuwing opgelegd en medegedeeld voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen.

3. Op 10 juni 2016 is een melding Activiteitenbesluit gedaan door [naam 3]

4. Op 6 juli 2018 hebben eisers een verzoek om handhaving ingediend. Verzocht wordt om naleving van de oorspronkelijke bestemming kaasmakerij en het stopzetten van de brouwactiviteiten, uitbreiding van de brouwactiviteiten niet toe te staan en handhaving van de regelgeving met betrekking tot de opstallen grenzend aan het terrasgedeelte van het restaurant.

5. Op 10 juli 2018 heeft een controle plaatsgevonden op het perceel [adres] te Haaksbergen door een toezichthouder van verweerder. Er is een inventarisatie gemaakt van de aanwezige opstallen en het feitelijk gebruik. Er is sprake van een ambachtelijke bierbrouwerij, pannenkoekenrestaurant, opslag ruimte voor onder meer caravans, voormalige bedrijfswoning en een schuur met overkapping/barbecue.

6. Eisers hebben bij brief van 30 juli 2018 het verzoek om handhavend optreden nader aangevuld. Eisers stellen nadrukkelijk dat er wordt gehandeld in strijd met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan.

7. Bij besluit van 30 augustus 2018 wordt het verzoek om handhaving afgewezen vanwege het ontbreken van een bestuursrechtelijke grondslag. Er zal handhavend worden opgetreden indien de melding op grond van het Activiteitenbesluit en de aanvraag Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aantonen dat er geen sprake is van een milieucategorie 1 of 2 bedrijf.

8. Bij brief van 8 oktober 2018 hebben eisers bezwaar gemaakt. Op 10 december 2018 heeft de commissie bezwaarschriften een hoorzitting gehouden. De commissie heeft een nader onderzoek noodzakelijk geacht. In de brief van 18 december 2018 heeft de commissie nadere vragen gesteld aan het college.

9. De omgevingsdienst Twente (hierna ODT) heeft advies uitgebracht bij rapport van 16 januari 2019. Voorts is er een aanmeldnotitie bierbrouwerij Rigtersbier B.V. (hierna Rigtersbier) ingediend.

10. Bij brief van 28 januari 2019 hebben eisers gereageerd op het advies naar aanleiding van het nader verrichte onderzoek.

11. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met inachtneming van het advies van de commissie bezwaarschriften, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

12. Verweerder heeft bij besluit van 14 maart 2019 besloten dat ter voorbereiding op het besluit op grond van artikel 2.1, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de gewenste activiteit geen milieueffectenrapportage hoeft te worden opgesteld, nu belangrijke nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet milieubeheer kunnen worden uitgesloten.

13. Op 2 mei 2019 is door bierbrouwerij Rigtersbier een aanvraag OBM ingediend. Verweerder heeft vervolgens de OBM conform de aanvraag verleend.

14. In beroep hebben eisers aangevoerd dat de door Rigtersbier ontplooide bedrijfsactiviteiten naar hun aard en karakter niet thuishoren in het buitengebied. Dat was en is ook niet de bedoeling van de gemeenteraad als planwetgever. Eisers menen dat verweerder de geldende planregels onjuist uitlegt en dat de bedrijfsactiviteiten wel in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan. Zo stellen eisers zich onder meer op het standpunt dat Rigtersbier ruimtelijk en functioneel niet gelijk te stellen is met een ambachtelijk bedrijf.

14.1.

De rechtbank stelt vast dat in deze procedure de vraag voorligt of verweerder terecht en op goede gronden het verzoek om handhaving heeft afgewezen omdat de aanwezige bierbrouwerij niet in strijd zou zijn met het geldende bestemmingsplan.

Op het perceel Alsteedseweg 38 te Haaksbergen is het bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1” van toepassing. Op het perceel rust de bestemming ‘Bedrijf’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn op grond van artikel 10.1 van het bestemmingsplan bestemd voor:

a. bedrijven die hierna zijn vermeld, met dien verstande dat voor het perceel hoek Enschedesestraat/Oude Enschedeweg geldt dat deze bedrijven slechts toegestaan zijn indien deze bedrijven onder de beheersovereenkomst van het perceel vallen of indien uit een verantwoording externe veiligheid blijkt dat de aanwezigheid van deze bedrijven geen problemen oplevert:

1. 1. ambachtelijke landbouwproductenverwerkende bedrijven, zoals een wijnmakerij, zuivelmakerij, slachterij en imkerij;

2. 2. aan agrarische functies verwante bedrijven, zoals een paardenpension;

3. 3. fouragehandel, hoefsmederij en hoveniers- en boomverzorgingsbedrijven;

4. 4. ambachtelijke bedrijven, zoals een dakdekker, rietdekker, schildersbedrijf, meubelmaker, installatiebedrijf;

5. 5. opslag- en stallingsbedrijven;

6. 6. zakelijke dienstverlening, zoals een adviesbureau of een computerservicebureau;

b. andere bedrijven die in ruimtelijk en functioneel opzicht met de hiervoor genoemde gelijk kunnen worden gesteld en die in de Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten zijn vermeld als milieucategorie 1 of 2, dan wel naar hun gevolgen voor de omgeving daarmee gelijk kunnen worden gesteld, met dien verstande dat voor het perceel hoek Enschedesestraat/Oude Enschedeweg geldt dat deze bedrijven slechts toegestaan zijn indien deze bedrijven onder de beheersovereenkomst van het perceel vallen of indien uit een verantwoording externe veiligheid blijkt dat de aanwezigheid van deze bedrijven geen problemen oplevert;

c. voor zover de bestemmingsvlakken zijn gelegen op de volgende adressen, tevens de daarbij vermelde bedrijfsactiviteiten:

adres

activiteit

bestaande oppervlakte (exclusief bedrijfswoning)
(op basis van het bestemmingsplan Haaksbergen Buitengebied 2000)

maximale oppervlakte
(exclusief bedrijfswoning)

Alsteedseweg 38

kaasmakerij en bergruimte

265 m2 (kaasmakerij)
2.100 m2 (bergruimte)

265 m2 (kaasmakerij)
2.100 m2 (bergruimte)

14.2.

De rechtbank stelt vast dat voor het adres Alsteedsweg 38 is opgenomen dat dit perceel tevens bestemd is voor een kaasmakerij en bergruimte waarvoor een maximale oppervlakte is vastgesteld. Voorheen was op het perceel een kaasmakerij aanwezig. Eisers hebben in dit kader aangevoerd dat door de toevoeging van het woordje “tevens” in het huidige Veegplan, de bestemming ten onrechte is uitgebreid. Hoewel eisers verbolgen zijn over het feit dat er een dergelijke wijzing heeft plaatsgevonden, bestaat er tussen partijen geen verschil van mening over het feit dat deze wijziging onherroepelijk is en geen onderdeel kan uitmaken van de onderhavige procedure.

14.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar het advies van de ODT, dat Rigtersbier aangeduid kan worden als een ambachtelijke bierbrouwerij met een beperkte omvang, in de zin van artikel 10.1, onderdeel a, sub 1, en dat de activiteiten overeenkomen met een bedrijf dat naar zijn gevolgen voor de omgeving gelijk kan worden gesteld met milieucategorie 1 of 2, in de zin van artikel 10.1, onderdeel b, van het bestemmingsplan.

De ODT heeft met betrekking tot artikel 10.1, onderdeel a, sub 1, van het bestemmingsplan geconcludeerd dat een ambachtelijk bedrijf wordt gekenmerkt door kleinschaligheid, unieke producten en doordat de ambachtsman individuele aandacht besteedt aan het materiaal. Kenmerken van ambachtelijke productie zijn onder andere dat er geen of een beperkte arbeidsverdeling is en de mechanisatiegraad beperkt is. Kort samengevat is de ODT van oordeel dat gezien de beperkte omvang van de activiteiten en de beperkte aanwezige productieruimte kan worden gesteld dat sprake is van een ambachtelijk bedrijf. In dat kader wordt uitgegaan van een productieruimte van 80 m2, afwezigheid van grote industriële machines en een lage mechanisatiegraad. De opslagruimte voor mout betreft 33 m2. Er zijn drie gisttanks aanwezig met een opslagcapaciteit van 1.000 liter per tank. Er worden maximaal 2 brouwsels per week geproduceerd in 47 werkbare weken per jaar. Er vinden vier transportbewegingen per maand plaats in de dagperiode voor de aan- en afvoer van goederen. Op grond van het bestemmingsplan is 265 m2 bestemd voor een kaasmakerij. De ruimte die in werking is als bierbrouwerij blijft hier ruim onder.

Verweerder heeft daaraan toegevoegd dat de bierbrouwerij in ruimtelijk opzicht vergelijkbaar is met de voorheen gevestigde kaasmakerij. Het productieproces vindt geheel plaats binnen de bestaande gebouwen. Er vindt geen uitbreiding van de gebouwen plaats. De ruimtelijke uitstraling blijft volledig hetzelfde. In functioneel opzicht is de brouwerij volgens verweerder eveneens vergelijkbaar met de voorheen aanwezige ambachtelijke kaasmakerij. In beide gevallen gaat het om kleinschalige bedrijven, waarbij op kleinschalige wijze kaas of bier wordt gemaakt. Beide bedrijven hebben een kleine productieruimte waar de producten worden gemaakt. Beide bedrijven zijn kleinschalig wat betreft het aantal werknemers. In functioneel opzicht doen beide bedrijfsvormen niet voor elkaar onder. De verwachting is dat de bierbrouwerij minder klanten trekt dan de kaasmakerij.

14.3.1.

Eisers menen echter dat er geen sprake kan zijn van een ambachtelijk bedrijf omdat er vier werknemers in dienst zijn. Kort geleden is daar een accountmanager voor de buitendienst bij gekomen om het merk verder in de markt te zetten. Men wil bij zoveel mogelijk horeca zaken het merk Rigtersbier op de kaart krijgen en bij slijterijen/slijterijketens in de winkel hebben.

14.3.2.

Zoals de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 4 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2684), bestaat bij gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan en de plantoelichting voor de wijze waarop een in het bestemmingsplan opgenomen begrip moet worden uitgelegd, aanleiding om aansluiting te zoeken bij hetgeen in het algemeen spraakgebruik, zoals dat door "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" wordt omschreven, daaronder wordt verstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht aansluiting gezocht bij hetgeen in het algemeen gangbare taalgebruik onder ambachtelijk wordt verstaan. In de Dikke van Dale wordt ambachtelijk omschreven als een kleinschalig bedrijf waar nog ambachtelijk, veelal met de hand, zonder grote machines, wordt gewerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het aantal werknemers en dan met name hun inzet binnen het bedrijf meegewogen worden bij het bepalen of er sprake is van al dan niet een kleinschalige onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval nog steeds sprake van een kleinschalig bedrijf in de zin van de definitie van een ambachtelijk bedrijf gelet op het aantal werknemers dat op dit moment werkzaam is en hun beperkte inzetbaarheid. Zoals ter zitting door de heer [naam 2] is verklaard is er naast hem nog een brouwer in dienst bij het bedrijf voor vier dagen in de week en een medewerker die ongeveer 6 uur per week arbeid verricht. De accountmanager is niet meer in dienst. De invloed van de bedrijvigheid op de omgeving is daarmee in beginsel dan ook nog steeds naar aard en invloed beperkt.

Het feit dat, zoals eisers stellen, Rigtersbier actief op zoek is naar een afzetmarkt, betekent naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat niet gesproken kan worden van een ambachtelijk kleinschalig bedrijf, omdat het zoeken naar een afzetmarkt niets zegt over de aard en omvang van een bedrijf. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor hetgeen namens eiser is aangevoerd omtrent het feit dat Rigtersbier zich internationaal presenteert en het bier op festivals verkoopt. Deze activiteiten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet strijdig met het uitoefenen van een ambachtelijk bedrijf.

14.4.

Eisers menen verder dat een bierproductie van maximaal 800 hectoliter per jaar niet passend is bij een kleinschalig ambachtelijk bedrijf. In het primaire besluit heeft verweerder aansluiting gezocht bij de “Bijzondere regeling voor bierbrouwerijen” uit het Archief Nederlandse emissierichtlijn lucht. In deze regeling wordt onderscheid gemaakt tussen kleine en grote brouwerijen. Als grote brouwerijen worden brouwerijen aangemerkt die meer dan 200.000 hectoliter per jaar produceren. Brouwerijen die minder dan 200.000 hectoliter per jaar produceren, worden als kleine brouwerijen aangemerkt. Zeer kleine brouwerijen zijn brouwerijen die minder dan één brouwsel per paar dagen maken. Deze zijn vaak gekoppeld aan horeca, lokaal gebonden en zeer specifiek. Deze regeling is per 1 maart 2007 komen te vervallen. De rechtbank acht echter het hanteren van deze uitgangspunten niet onredelijk. Rigtersbier produceert 800 hectoliter op jaarbasis. Naar het oordeel van de rechtbank is deze productie passend bij een kleinschalig bedrijf. Dat er volgens eisers drie gisttanks zijn met een bruto volume van 1300 liter per tank en een moutvoorraad van 3.925 kilo, zegt op zichzelf niets over de omvang van de jaarproductie. Ter zitting is ook duidelijk geworden dat gelet op de afgegeven OBM een productie van meer dan 800 hectoliter op jaarbasis niet is toegestaan.

14.5.

Eisers voeren ook aan dat er een nieuwe automatische vulmachine is geplaatst, labels automatisch worden aangebracht door een labelmachine en er verder gebruik wordt gemaakt van een heftruck. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het gebruik maken van machines echter niet dat geen sprake kan zijn van een ambachtelijk kleinschalig bedrijf. Het is de rechtbank niet gebleken dat de huidige inzet van machines het ambachtelijke karakter te niet doet.

14.6.

Eisers voeren vervolgens aan dat er ook verhuuractiviteiten van het gebouw plaatsvinden en dat door Rigtersbier machines worden gebouwd. Ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gebleken dat de machines niet op het perceel [adres] worden geproduceerd, maar enkel daar worden getest en van daaruit naar de afnemers gaan. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van verhuuractiviteiten die niet aan het brouwen gerelateerd kunnen worden.

15. Eisers menen verder dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de plansystematiek. Uit onderdeel c, van artikel 10.1 van het bestemmingsplan blijkt dat er specifieke planregels gelden voor de daarin opgenomen adressen die niet vallen onder onderdeel a of b. Dit betekent dat als een adres met een bedrijfsactiviteit in onderdeel c wordt genoemd, deze bedrijfsactiviteit niet valt onder onderdeel a en b. Voor het adres [adres] is in onderdeel c een aparte planregel opgenomen, een kaasmakerij met bergruimte. Aangezien verweerder heeft gemeend dat de bierbrouwerij in ruimtelijk en functioneel opzicht te vergelijken is met de voorheen aanwezige kaasmakerij, betekent dit volgens eisers dat er geen sprake kan zijn van een bedrijf vallend onder onderdeel a en b van de planregels.

15.1.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat onder onderdeel c, van artikel 10.1 van het bestemmingsplan perceelsgebonden bestemmingen zijn opgenomen met de daarbij behorende voorschriften. Zo is de omvang van een kaasmakerij en de daarbij behorende bergruimte vastgelegd in het bestemmingsplan. Dit sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat een kaasmakerij ook kan vallen onder de bestemmingen genoemd in artikel 10.1, onderdeel a en b. Overigens heeft de ODT geconcludeerd dat de bierbrouwerij is te duiden als een ambachtelijke bierbrouwerij met een beperkte omvang, in de zin van artikel 10.1, onderdeel a, sub 1, en dat de activiteiten overeenkomen met een bedrijf dat naar zijn gevolgen voor de omgeving gelijk kan worden gesteld met milieucategorie 1 of 2, in de zin van artikel 10.1, onderdeel b, van het bestemmingsplan. Dat advies heeft verweerder ook ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

16. Op grond van artikel 10.1, onderdeel b, van het bestemmingsplan is tevens een bedrijf dat naar zijn gevolgen voor de omgeving gelijk kan worden gesteld met milieucategorie 1 of 2 toegestaan. Onder verwijzing naar het advies van de ODT heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bierbrouwerij naar zijn gevolgen voor de omgeving gelijk kan worden gesteld met milieucategorie 1 of 2.

16.1.

De rechtbank stelt vast dat in het advies van de ODT is beoordeeld of de bierbrouwerij voldoet aan een bedrijf dat naar zijn gevolgen voor de omgeving gelijk kan worden gesteld met milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand wordt gehanteerd van 30 meter. Hierbij wordt uitgegaan van het worst case scenario, inhoudende dat de brouwerij is gelegen in een rustige woonwijk en rustig buitengebied. Geuremissie vindt niet of summier plaats en mogelijke geurhinder die wel ontstaat wordt afgevoerd door middel van een algehele afzuiging met een afvoer van ruim drie meter boven de daklijn. Hierdoor is direct boven het dak geen geurhinder te verwachten.

Geluidshinder wordt ook niet verwacht, omdat alle activiteiten binnen plaatsvinden. Alleen bij het bottelen van de flessen zal de geluidshinder toenemen in het gebouw. Aangezien deze activiteit overdag plaatsvindt, batchgewijs en in een deugdelijk geïsoleerd gebouw, is er sprake van een zeer geringe geluidsemissie. In het kader van verkeershinder is het volgens de ODT niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van een verkeersaantrekkende werking; er zullen maximaal 4 transportbewegingen per maand gedurende de dagperiode plaatsvinden voor aan- en afvoer van goederen, in combinatie met dagelijks maximaal 2 tot 3 vervoersbewegingen van eigen personeel. Dit zal niet tot akoestische hinder leiden en er kan worden voldaan aan de geluidsnormen op grond van het Activiteitenbesluit op een afstand van 30 meter. Voldaan wordt ook aan de richtafstanden ten opzichte van geur en geluid zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Verweerder heeft deze conclusie van de ODT onderschreven.

16.2

De rechtbank stelt vast dat eisers in dit kader niet specifiek aangevoerd hebben dat het bedrijf niet aangemerkt kan worden als een bedrijf dat naar zijn gevolgen voor de omgeving gelijk kan worden gesteld met een milieucategorie 2-bedrijf. Eisers stellen in beroep wel dat de bierbrouwerij negatieve effecten heeft. Zo ervaren zij onder meer overlast van bezoekers, die dan ook vaak alcohol genuttigd hebben en is er volgens eisers een toename van verkeersbewegingen. Ter zitting hebben eisers overigens aangegeven geen geluidsoverlast te ondervinden van de bierbrouwerij, zoals eerder werd gesteld in het beroepschrift, zodat dit aspect geen bespreking meer behoeft.

16.2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een dusdanige omvang van verkeersbewegingen dat hierdoor de rust en privacy wordt aangetast, ook niet in vergelijking met de voorheen aanwezige kaasmakerij. De verkeersbewegingen beperken zich tot de vervoersbewegingen van het personeel en de beperkte maandelijkse laad- en losactiviteiten. Dat het landelijke karakter wordt aangetast, terwijl alle werkzaamheden in de bestaande gebouwen plaatsvinden, is ook niet aannemelijk gemaakt door eisers. Dat geldt ook voor het hetgeen is aangevoerd over de waardedaling van hun woningen. De overlast die eisers zeggen te ondervinden van (dronken) mensen, kan bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet gerelateerd worden aan de brouwerij. Wel is er een restaurant aanwezig op het perceel, maar dit restaurant behoort niet toe aan Rigtersbier. Rigtersbier huurt enkel de voormalige kaasmakerij. Bovendien ligt hier voor de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het handhavingsverzoek heeft afgewezen omdat er geen strijd zou bestaan met het bestemmingsplan. De door eisers aangevoerde gronden zijn in dat verband enkel van belang voor de vraag of de activiteiten zijn toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers hiermee niet onderbouwd dat gelet op de effecten die de bierbrouwerij op de omgeving heeft, sprake is van met het bestemmingsplan strijdige activiteiten.

17. Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat zij weinig vertrouwen hebben in de toekomst. Zo zijn eisers ongerust dat er zonder enig nader overleg of oog voor hun belangen toegestaan zal worden dat de bedrijfsactiviteiten worden uitgebreid. In het verleden hebben er tenslotte ook allemaal ontwikkelingen plaatsgevonden zonder dat dit met hen werd gecommuniceerd.

17.1.

De angst die eisers hebben voor toekomstige ontwikkelingen is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende weggenomen omdat de huidige activiteiten van de bierbrouwerij zijn vastgelegd in de OBM. In deze vergunning zijn het aantal liters bier dat mag worden gebrouwen beperkt en zijn ook de grenzen van de inrichting met de daarbij behorende omvang in vierkante meters vastgelegd. Rigtersbier is dan ook gehouden tot naleving van deze vergunning.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht en op goede gronden het verzoek om handhaving afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat Rigtersbier aangeduid kan worden als een ambachtelijke bierbrouwerij met een beperkte omvang, in de zin van artikel 10.1, onderdeel a, sub 1, en komen de activiteiten overeen met een bedrijf dat naar zijn gevolgen voor de omgeving gelijk kan worden gesteld met milieucategorie 1 of 2, in de zin van artikel 10.1, onderdeel b, van het bestemmingsplan.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.E. Melissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.