Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4570

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-12-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
08/993056-18 en 08/993166-19 (ad informandum) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 49-jarige man tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor accijnsfraude. Samen met een andere man vervaardigde hij grote hoeveelheden waterpijptabak en rooktabak buiten een daartoe aangewezen accijnsgoederenplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers : 08/993056-18 en 08/993166-19 (ad informandum) (P)

Datum vonnis : 5 december 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende in [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 november 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E.L. Edens en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E. van der Meer, advocaat in Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: van 17 juni 2018 tot en met 15 augustus 2018 met een ander of alleen grote hoeveelheden waterpijptabak en rooktabak heeft vervaardigd, buiten een daartoe aangewezen accijnsgoederenplaats;

feit 2: op 15 augustus 2018 met een ander of alleen 2825 stuks sigaretten en/of 1069 kilogram waterpijptabak en/of 64 kilogram rooktabak bij zich had, terwijl deze goederen niet waren geregistreerd en opgegeven voor de heffing van accijns.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2018 tot en met 15 augustus 2018 in de gemeente Groningen, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, te weten een (grote) hoeveelheid (waterpijp/rook)tabak, althans (ongeveer) 1069 kilogram waterpijptabak en/of 64 kilogram rooktabak,

heeft vervaardigd buiten een accijnsgoederenplaats, die voor dat soort accijnsgoed(eren) als

zodanig is aangewezen;

feit 2

hij op of omstreeks 15 augustus 2018 in de gemeente Groningen, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, te weten een (grote) hoeveelheid sigaretten en/of (waterpijp/rook)tabak, althans (ongeveer) 2825 stuks sigaretten en/of 1069 kilogram waterpijptabak en/of 64 kilogram rooktabak,

voorhanden heeft gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Op 8 augustus 2018 ontving de politie een anonieme melding, inhoudende dat uit de woning aan [adres 1] in Groningen een wietlucht kwam. Op 14 augustus 2018 zag een verbalisant dat alle gordijnen aan de voorzijde van deze woning waren gesloten. In de tuin stond een blauw vat met een tuinslang. Naar aanleiding hiervan had de politie het vermoeden dat in de woning mogelijk een hennepkwekerij aanwezig zou zijn. Op 15 augustus 2018 werd daarom binnengetreden in de woning.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het vervaardigen, zoals onder 1 ten laste is gelegd, van grote hoeveelheden accijnsgoederen waarbij de hoeveelheden die verdachte voorhanden heeft gehad, zoals onder 2 ten laste is gelegd, een minimumpositie is. In dat kader heeft hij gewezen op de aangetroffen glycerol, waarmee een veelvoud aan waterpijptabak kan worden geproduceerd, en de WhatsApp-chats tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) waarin over grote hoeveelheden wordt gesproken.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat zijn betrokkenheid bij het vervaardigen van de accijnsgoederen beperkt was. Hij stelde enkel zijn woning ter beschikking aan medeverdachte [medeverdachte] , zodat [medeverdachte] daar tabak kon vervaardigen. Volgens de raadsman is op basis van het dossier niet vast stellen dat verdachte zelf tabak vervaardigde. Met betrekking tot het voorhanden hebben van de accijnsgoederen op de dag van zijn aanhouding, heeft verdachte verklaard dat hij slechts [medeverdachte] heeft geholpen om de goederen uit zijn huis te krijgen, zodat er een einde zou komen aan het gebruik van zijn huis. In het geval van een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat moet worden uitgegaan van de aangetroffen hoeveelheden accijnsgoederen zoals ten laste gelegd onder 2.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

feiten 1 en 2

(aangetroffen goederen)

De Douane trof in de woning aan [adres 1] in Groningen onder andere vier blauwe vaten met vloeistof, plastic bakken met een roodachtige substantie, twee sealapparaten, een digitale weegschaal, dozen met een product gelijkend op tabak, sloffen sigaretten, ongebruikte verpakkingen met de opdruk Al Fakher en verpakte zakken met de opdruk Al Fakher aan. Al Fakher is een bestaand merk voor waterpijptabak. De aangetroffen goederen werden in beslag genomen.2

(aanhouding verdachte en medeverdachte [medeverdachte])

Tijdens het afvoeren van de in beslag genomen goederen werd de politie aangesproken door een vrouw, die in de buurt woonachtig is. Zij vertelde onder andere dat met enige regelmaat een zwarte Mercedes bij de woning parkeerde met twee licht getinte mannen erin die de woning binnengingen.

Op 16 augustus 2018 belde deze vrouw met de politie. Zij vertelde dat de zwarte Mercedes bij de woning stond en dat twee mannen bezig waren blauwe vaten op een aanhanger te laden.3

De politie is vervolgens naar de woning gereden en trof de Mercedes met kar al rijdend aan. De mannen in de auto identificeerden zich als [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte] (medeverdachte). Verdachte zei dat er blauwe vaten in de kar zaten. Medeverdachte [medeverdachte] verklaarde dat er een soort water met stroop voor tabak in de vaten zat. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] werden aangehouden.4

(onderzoek aangetroffen goederen)

De in de woning aangetroffen goederen zijn geteld, gewogen, bemonsterd en door het Douane Laboratorium onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat de vloeistof in de blauwe vaten glycerol betrof. Glycerol wordt onder andere gebruikt voor het bevochtigen van tabak en als vocht in waterpijptabak. Uit het onderzoek bleek daarnaast dat zich onder de aangetroffen goederen niet veraccijnsde sigaretten bevonden en ongeveer 1069 kilogram waterpijptabak en 64 kilogram rooktabak.5

(onderzoek mobiele telefoon)

De mobiele telefoon van medeverdachte [medeverdachte] werd in beslag genomen.6 De met deze telefoon gevoerde WhatsApp-chats werden veiliggesteld en vertaald. In de WhatsApp-app stond [alias medeverdachte] als profielnaam ingesteld. Medeverdachte [medeverdachte] verstuurde dus WhatsApp-berichten uit naam van [alias medeverdachte] . Hieronder worden de meest relevante WhatsApp-berichten, die verdachte en medeverdachte [medeverdachte] naar elkaar hebben gestuurd, weergegeven, waarbij het nummer van het bericht begint met het jaartal en daarna de maand en dan de dag.7

20180617-WA0042:
[alias medeverdachte] : Ik hoop dat god ons teruggeeft wat wij kwijt zijn geraakt. Ik ben bereid elke dag een vat te koken zolang er maar werk in zit.


20180617-WA0044:
[alias medeverdachte] : Ik kan per week zelfs 10 vaten koken. Jij kan het naar mij toebrengen en weer verkopen.

20180617:WA0045:
[alias medeverdachte] : Maar het is hele goeie kwaliteit. De smaak is heel goed, je krijgt er geen hoofdpijn van en ook geen bijwerkingen. Al Fakher is hele goede kwaliteit en alles wordt goed gecontroleerd en alles wordt goed in de gaten gehouden.

20180617-WA0047:
[verdachte] : [medeverdachte] , dit zijn mensen die er heel veel verstand van hebben. Dit zijn geen mensen die het voor de eerste keer doen; dus. Het zijn ook mensen die vaten vol in één keer kopen. Als zij ons product zien, dan zullen zij meteen doorhebben of het goeie kwaliteit is of niet. Dus wat ik van jou vraag is, dat wat je gaat koken, heel goed gaat maken zodat ik een monster naar hun toe kan brengen en zodat wij dan zaken met hun kunnen doen. Want dit zijn onze beste klanten eigenlijk. Wij kunnen vaten vol aan hun gaan verkopen.

20180617-WA0052:

[alias medeverdachte] : Als jij de producten brengt die ik nodig heb om te koken, dan beloof ik jou dat wat ik kook, precies zo als Al Fakher zal smaken. Niet 80 procent maar 100 procent zoals Al Fakher.

20180617-WA0053:

[verdachte] : Laten we dan maar aan de slag gaan. Alles wat je nodig hebt zal ik leveren. Jij, ik en [naam 1] die ons steunt, we zullen elkaar allemaal steunen en als wij goed aan het werk gaan dan zie ik dat wij samen de top zullen bereiken.

20180701-WA0030:
[verdachte] : Als ik vandaag veilig terug ben en de eerste ton gekookt is, dan zijn al onze problemen opgelost. Na die tweeduizend blikken die we klaar gaan maken, gaan we tienduizend blikken klaarzetten.

20180701-WA0029:
[verdachte] : Met Gods hulp zal het goed komen. Dat is de eerste stap naar de top.

20180721-WA0029:
[alias medeverdachte] : [naam 2] heeft mij verteld dat hij een apparaat heeft voor achthonderdvijftig euro waarmee wij de zakken kunnen sluiten. Je kunt met dat apparaat drie zakken tegelijk sluiten en de lucht die er nog inzit er uitzuigen. Hij heeft gezegd dat wij die kunnen proberen en dat we daarna pas hoeven te beslissen of we hem wel of niet kopen.

20180721-WA0030:
[verdachte] : Perfect. Ik zal hem maandag bellen en dan gaan wij met z’n tweeën dat ding ophalen.

20180729-WA0003:
[alias medeverdachte] : We hebben nog twee appels. Ik ga die zakken openen en ga alles opnieuw vullen. En die zak gaan we gebruiken voor halve kilo’s. Dus als je klanten hebt die niet één kilo maar een halve kilo willen, dan kunnen die klanten dat nu bij ons kopen.

20180730-WA0034:
[alias medeverdachte] : Ik heb vandaag een afspraak om half drie. Na die afspraak kan ik komen. Kan ik vandaag en morgen aan het werk. Ik ga drie liter appel en vijftig kilogram tabak koken.

20180801-WA0020:
[verdachte] : [naam 3] heeft contact met mij opgenomen en ik heb hem verteld dat de prijs voor een blikje veertig euro is en dat ik er hooguit vijf euro vanaf kan halen, voor vijfendertig. Maar dat bevalt hem absoluut niet. Hij wil hooguit vijftien euro voor een blikje betalen. Dus we gaan geen zaken doen met [naam 3] . Zulke mensen gaan onze zaken alleen maar belemmeren.

20180815-WA0010:
[alias medeverdachte] : Er zijn twintig dozen. In (aanpassing rechtbank) elke doos zijn er zestien zakken. Op elke doos staat wat er in zit; wat voor smaak er in zit. De dozen heb ik onder de tafel gelegd. Alle dozen zijn gevuld met twee appels. En één doos is gevuld met drie smaken. Op de doos heb ik vermeld wat voor smaken het zijn.

(informatie Duitse douanerecherche)

Op 29 juni 2018 stuurde de Duitse douanerecherche een brief naar het Douane Informatie Centrum in Nederland. In die brief stond dat de firma [bedrijf 1] uit Frankfurt actief is in de internationale tabakshandel. In augustus 2017 werd door deze firma 400 kilogram tabak en 1000 kilogram glycerine naar Nederland geleverd. Volgens de vrachtbrief was firma [bedrijf 2] , gevestigd aan de [adres 2] in Groningen, de ontvanger van het tabak en de glycerine.8 Op de vrachtbrief staat ‘EMPFANGER TEL. [telefoonnummer] ’.9 Dit telefoonnummer staat geregistreerd op naam van verdachte.10

(verklaringen verdachte en medeverdachte [medeverdachte])

Verdachte heeft verklaard dat hij zijn huis door medeverdachte [medeverdachte] liet gebruiken. Medeverdachte [medeverdachte] liep in en uit en nam spullen mee voor het vervaardigen van tabak.11 Verder heeft verdachte verklaard dat hij geen vergunning had voor een accijnsgoederenplaats.12

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat bij de moeder van verdachte ook spullen te vinden zijn.13 De politie trof daar inderdaad drie zakjes waterpijptabak met de opdruk Al Fakher en een plastic bakje met kaartjes ten behoeve van de verpakking van deze tabak aan.14

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van verdachte dat zijn betrokkenheid enkel heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van de woning aan [medeverdachte] . Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van 17 juni 2018 tot en met 15 augustus 2018 in de gemeente Groningen met één ander meermalen illegaal hoeveelheden waterpijptabak en rooktabak vervaardigde, zijnde goederen waarvan de vervaardiging op grond van de Wet op de accijns enkel was toegestaan op een daartoe aangewezen accijnsgoederenplaats.

Daarnaast acht de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met één ander op 15 augustus 2018 – de datum van de doorzoeking – illegaal grote hoeveelheden sigaretten, waterpijptabak en rooktabak voorhanden had, nu die goederen niet waren geregistreerd en opgegeven voor heffing in het kader van de Wet op de accijns.

(medeplegen)

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met [medeverdachte] , als medepleger, waterpijptabak en rooktabak vervaardigd en sigaretten, waterpijptabak en rooktabak voorhanden gehad. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ten tijde van de aanhouding bij elkaar in de auto zaten, terwijl zij vaten met glycerol vervoerden. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hadden onder meer via WhatsApp veelvuldig contact met elkaar.. Zij hadden het dan onder andere over het koken van tabak, hoeveelheden, samples, de smaak en kwaliteit van tabak en geld. Uit de WhatsApp-chats komt verder een zekere rolverdeling naar voren, in die zin dat verdachte de beslissingen nam over onder andere de verkoopprijs van tabak, het al dan niet contact opnemen met klanten en het aanschaffen van apparaten. Medeverdachte [medeverdachte] had ten opzichte van verdachte een meer uitvoerende rol. Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] nauw en bewust hebben samengewerkt. De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

(hoeveelheid waterpijptabak, rooktabak en sigaretten)

- glycerol

In de aangetroffen blauwe vaten kon 200 liter vloeistof. Vier blauwe vaten waren gevuld met een vloeistof. In totaal kon hierin dus 800 liter. De hoeveelheid vloeistof die nog in de vaten aanwezig was, is geschat op 300 liter van de totale 800 liter. Uit onderzoek bleek dat de vloeistof glycerol betrof. Met de niet meer aanwezige 500 liter glycerol kan 1655 of 2002 kilogram waterpijptabak zijn geproduceerd. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier evenwel niet is vast te stellen hoeveel glycerol in de ten laste gelegde periode is gebruikt voor het produceren van waterpijptabak.

- WhatsApp-chats

In de WhatsApp-chats wordt door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] weliswaar gesproken over grote hoeveelheden (ꜥ10 vaten per week koken’, ‘tienduizend blikken klaarmaken’), maar naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat dergelijke grote hoeveelheden ook werkelijk in de ten laste gelegde periode zijn geproduceerd.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om voor wat betreft de ten laste gelegde periode te komen tot een bewezenverklaring van een grotere hoeveelheid waterpijptabak, rooktabak en sigaretten dan onder 1 en 2 ten laste gelegd.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

feit 1

hij in de periode van 17 juni 2018 tot en met 15 augustus 2018 in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met één ander,

meermalen,

telkens opzettelijk grote hoeveelheden accijnsgoederen, te weten ongeveer 1069 kilogram waterpijptabak en 64 kilogram rooktabak,

heeft vervaardigd buiten een accijnsgoederenplaats, die voor dat soort accijnsgoederen als zodanig is aangewezen;

feit 2

hij op 15 augustus 2018 in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met één ander,

telkens opzettelijk grote hoeveelheden accijnsgoederen, te weten een grote hoeveelheid sigaretten en ongeveer 1069 kilogram waterpijptabak en 64 kilogram rooktabak,

voorhanden heeft gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 5 lid 1 sub a en b van de Wet op de accijns. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 lid 1 sub a van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 lid 1 sub b van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte, rekening houdend met de ad informandum gevoegde feiten, wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moet hiervan worden afgetrokken.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman moet er bij de strafbepaling rekening worden gehouden met de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (hierna: LOVS). Hier geldt als uitgangspunt dat bij een benadelingsbedrag tussen de € 125.000,00 en € 250.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden wordt opgelegd, terwijl de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maar liefst achttien maanden heeft geëist. De raadsman heeft verder verzocht om rekening te houden met het feit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in Nederland grotendeels moet worden uitgezeten en dat verdachte een first-offender is. Vanwege deze omstandigheden volstaat volgens de raadsman een werkstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan handelen in strijd met artikel 5 van de Wet op de accijns. Hij en zijn mededader vervaardigden van 17 juni 2018 tot en met 15 augustus 2018 grote hoeveelheden waterpijptabak en rooktabak buiten een daartoe aangewezen accijnsgoederenplaats. Daarnaast hadden zij op 15 augustus 2018 grote hoeveelheden sigaretten, waterpijptabak en rooktabak voorhanden, terwijl die buiten het systeem van de heffing van accijns werden gehouden.

De rechtbank zal bij de strafoplegging verder rekening houden met de drie ad informandum gevoegde feiten, die door verdachte zijn bekend. Op 16 november 2019 én van 16 november 2019 tot en met 19 november 2019 heeft verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan handelen in strijd met artikel 5 van de Wet op de accijns. Ook toen had hij grote hoeveelheden sigaretten, waterpijptabak en rooktabak voorhanden waarover geen accijns was betaald. Daarnaast heeft hij zich van 16 tot en met 19 november 2019 schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door zakjes met de merknaam Al Fakher voorhanden te hebben, terwijl op die zakjes in strijd met de waarheid stond dat de inhoud ervan was vervaardigd ‘in the UAE’.

Het handelen van verdachte heeft verschillende kwalijke gevolgen.

Het illegaal vervaardigen en voorhanden hebben van accijnsgoederen verstoort de reguliere markt voor tabakswaren en werkt ontwrichtend op het systeem van de economische ordening van het land en, voor zover sprake is van internationale handel, ten aanzien van de ordening van de Europese economische markt.

Ten tweede wordt door dit feit voor hoge bedragen aan accijns ontdoken.

Daarbij komt dat aan bonafide bedrijven, die wel aan hun verplichtingen in het kader van de Wet op de accijns voldoen, oneerlijke concurrentie wordt aangedaan.

Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank houdt bij de strafbepaling rekening met de hoogte van het benadelingsbedrag en de LOVS. In de zaak met parketnummer 08/993056-18 is aan de hand van de aangetroffen accijnsgoederen berekend dat het benadelingsbedrag € 114.602,00 is. Als gevolg van de ad informandum gevoegde feiten (parketnummer 08/993166-19) is de Nederlandse staat benadeeld voor een bedrag van € 47.062,00. In totaal is het benadelingsbedrag dus € 161.664,00. In de LOVS geldt als uitgangspunt dat bij een benadelingsbedrag tussen de € 125.000,00 en € 250.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden wordt opgelegd. De rechtbank ziet, vanwege de ernst en omvang van het bewezen verklaarde, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en zal verdachte dan ook een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Voor de vraag hoe lang die gevangenisstraf moet zijn, houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, wetende dat hij zich voor het illegaal vervaardigen en voorhanden hebben van accijnsgoederen moest verantwoorden bij de strafrechter, gewoon is doorgegaan met het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Ook houdt de rechtbank rekening met de mate van professionaliteit waarmee verdachte en zijn mededader accijnsgoederen vervaardigden. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het blanco strafblad van verdachte.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, passend en geboden is, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf heeft tot doel verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de duur van de proeftijd op drie jaren stellen. Een stevige ‘stok achter de deur’ is naar het oordeel van de rechtbank op zijn plaats om zoveel mogelijk te waarborgen dat verdachte niet meer zal recidiveren.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder parketnummers 08/993056-18 en 08/993166-19 in beslag genomen goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de feiten zijn verkregen en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 lid 1 sub a van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 lid 1 sub b van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer de onder parketnummers 08/993056-18 en 08/993166-19 in beslag genomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Peterzon, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en

mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst en FIOD met dossiernummer 63637 en onderzoeksnaam Hoogkerk. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal Douane aangetroffen goederen van 29 september 2018, p. 185-192 met bijlagen 1-4, p. 193-217 (AMB-018).

3 Proces-verbaal aanleiding onderzoek van 30 augustus 2018, p. 83-85 (AMB-001).

4 Processen-verbaal aanhouding [verdachte] en [medeverdachte] van 16 augustus 2018, p. 57-58 (PD-001-02) en p. 71-72 (PD-002-02).

5 Proces-verbaal van weging en laboratorium onderzoek van 21 december 2018, p. 219-222 met bijlagen 1-5, p. 223-367 (AMB-019).

6 Bewijs inbeslagneming Samsung Galaxy G7 van 17 augustus 2018, p. 113 (AMB-013).

7 Proces-verbaal van ambtshandeling uitwerking WhatsApp-chats van 5 februari 2019, p. 117-118 en p. 135-147.

8 Een geschrift, zijnde een brief betreffende ‘Info Zollfahndungsamt Berlin-Brandenburg (Nederlands)’ van 29 januari 2018, p. 461-462 (DOC-034a).

9 Een geschrift, zijnde een brief betreffende ‘Info Zollfahndungsamt Berlin-Brandenburg (Duits) van 29 januari 2018, p. 460 (DOC-034).

10 Een geschrift, zijnde een rapport van het Ministerie van Veiligheid en Justitie betreffende ‘Info tenaamstelling tel.nr. 31647593153’, p. 463 (DOC-035).

11 Proces-verbaal van de terechtzitting van 21 november 2019.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 17 augustus 2019, p. 389 (V-001-02).

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 17 augustus 2019, p. 406 (V-002-02).

14 Bewijs inbeslagneming op adres [adres 3] Groningen van 17 augustus 2018, p. 115 (AMB-015).