Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4431

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
6576065 \ CV EXPL 18-92
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia zaak. Effectenlease. Schadevergoeding. Advisering door tussenpersoon.

Dexia heeft onrechtmatig gehandeld en is schadeplichtig wegens schending van de bijzondere zorgplicht en schending van artikel 25 NR 1995 dan wel artikel 41 NR 1999

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 6576065 \ CV EXPL 18-92

Vonnis van 29 oktober 2019

in de zaak van

[eiser in conventie] ,
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen [eiser in conventie] ,

gemachtigde: N. Boerman-Bove ,

tegen

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen Dexia,

gemachtigde: USG Legal Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 juli 2019;

- de akte nader bewijs van [eiser in conventie] van 13 augustus 2019;

- de antwoordakte van Dexia.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie:

2.1.

De kantonrechter verwijst naar en handhaaft hetgeen bij het tussenvonnis van 16 juli 2019 is overwogen. Bij dat vonnis is [A] kort gezegd toegelaten te bewijzen dat de rol van (een medewerker) van de tussenpersoon Spaar Select niet beperkt is gebleven tot het aanbrengen van [A] bij (de rechtsvoorgangster van) Dexia maar hij [A] tevens heeft geadviseerd. [A] heeft in dit kader een akte en producties in het geding gebracht en Dexia heeft daarop gereageerd. De onderhavige zaak behoort net als de zaken met dossiernummers 6580087, 6580305 en 6575624 tot een cluster van 40 zaken, aanhangig gemaakt bij één dagvaarding. In de meeste zaken is een tussenvonnis d.d. 12 maart 2019 gewezen met een bewijsopdracht. De bewijsopdracht in deze vier zaken is gelijkluidend maar later, 16 juli 2019, gegeven. De inhoud van de producties 50 tot en met 56, door eisende partijen overgelegd in april 2019, na de tussenvonnissen van 12 maart 2019, is niet meegenomen in de tussenvonnissen in de onderhavige vier zaken en zullen thans in dit vonnis worden meegenomen in de beoordeling, samen met de akten van partijen.

2.2.

Aan de orde is de vraag of [eiser in conventie] (inmiddels) voldoende bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat sprake is geweest van advisering, althans van méér dan aanbrengen van [eiser in conventie] bij Dexia (en dat Dexia dat wist). Die stelling is door [eiser in conventie] in de diverse processtukken als volgt onderbouwd:

a. De onderhavige effectenleaseovereenkomsten waren adviesproducten. Uit het jaarverslag 1997 van Bank Labouchere (de rechtsvoorgangster van Dexia), pagina 14 staat: “Onder de naam Bank Labouchere worden ook leaseproducten ontwikkeld voor distributie via onafhankelijke intermediairs. Deze producten zijn gericht op spaarders en beleggers die behoefte hebben aan persoonlijk advies door een onafhankelijk intermediair. Dit voorziet in een duidelijke behoefte”.

b. In verschillende door Dexia (Bank Labouchere) uitgegeven brochures, zoals die van het Capital Effect, Triple Effect en Profit Effect staat een alinea:

Persoonlijk Advies

Capital Effect is slechts één van de effectenleasemogelijkheden van Bank Labouchere. Uw financieel adviseur legt u de diverse andere mogelijkheden graag uit, zodat u een weloverwogen keuze kunt maken”.

Verder staat er de tekst: “Voor overleg en advies kunt u zich wenden tot:” waarna er ruimte is voor een sticker of stempel met de naam van de adviseur. Hieruit blijkt volgens [eiser in conventie] duidelijk dat het altijd de intentie is geweest dat tussenpersonen persoonlijke adviezen verstrekten (en dat Dexia dat wist).

c. In het jaarverslag van Dexia 2001 staat op pagina 31:

Bank Labouchere Beleggingsproducten heeft een sterke reputatie in het ontwikkelen van innovatieve en creatieve beleggingsproducten. Onderdeel daarvan zijn de effectenleaseproducten, waarmee Bank Labouchere Beleggingsproducten in het intermediairkanaal marktleider is met ruim 1000 onafhankelijke intermediairs en meer dan 100.000 klanten. Deze intermediairs vormen een distributienetwerk met landelijke dekking. De financieel intermediairs worden continue getraind, ondersteund en op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en producten. De intermediairs zijn allemaal geregistreerd bij de Autoriteit Financiële Markten (voorheen Stichting Toezicht Effectenverkeer) te Amsterdam”.

d. [eiser in conventie] verwijst verder naar de Bank Labouchere Effecten Lease Handleiding, versie 1 1998. Daarin staat onder meer:

“Gebruik Aanvraagformulier

Per gewenste Labouchere Effectenlease overeenkomst dient één aanvraagformulier te worden ingeleverd.

Het aanvraagformulier dient te worden voorzien van een stempel of naam van de adviseur, het ATP nummer van de adviseur en de handtekening van de client.

Bij het niet duidelijk (of onvolledig) invullen van het aanvraagformulier kan deze niet in behandeling worden genomen. Daarom verzoeken wij vriendelijk om de gegevens in blokletters in te vullen.”

en

“Administratieve Routing

Adviseur stuurt een volledig ingevuld en door hem en cliënt ondertekend aanvraagformulier aan Bank Labouchere.

Aanvraagformulieren die op beursdag 1 vóór 12.00 uur door Bank Labouchere worden ontvangen, worden in principe op beursdag 2 verwerkt, waarna de aandelen worden aangekocht.

Na aankoop van de aandelen, wordt de lease-overeenkomst tussen Bank Labouchere en de cliënt opgesteld en in tweevoud ondertekend door Bank Labouchere in principe op beursdag 3 aan adviseur verzonden.

Adviseur draagt zorg voor de ondertekening door client (en zijn of haar echtgeno(o)t(e)) van de overeenkomst, na ondertekening retourneert hij één exemplaar aan Bank Labouchere.

Bank Labouchere dient een ondertekend exemplaar voor de eerste dag van de tweede

maand die volgt op de dag waarop de aandelen zijn aangekocht in haar bezit te hebben. Wanneer dit niet het geval is dan worden de overeenkomsten geannuleerd. Dit houdt in dat de aandelen worden verkocht en er aan het contract geen rechten meer ontleent kunnen worden. Ook niet wanneer de cliënt al geld heeft overgemaakt.

Als Bank Labouchere een getekend contract heeft ontvangen dan is het niet meer mogelijk om een eenmaal aangevraagde vooruitbetaling om te zetten in een maandbetaling en vice versa.

Houdt er dus rekening mee dat wanneer men een hypotheekaanvraag heeft lopen, waarmee Labouchere Effecten Lease wordt gefinancierd, de aanvraag pas wordt ingezonden als de hypotheek rond is. Dit voorkomt onnodige problemen.

Cliënten die een aanvraag indienen en het contract niet binnen de gestelde termijn getekend retourneren mogen gedurende drie maanden na annulering geen nieuwe overeenkomst aanvragen.

Na ontvangst door Bank Labouchere van de getekende overeenkomst zal op of

omstreeks de eerste dag van de volgende maand de eerste termijn uit hoofde van de

overeenkomst worden geïncasseerd. Bij een contract waarvan de aandelen zijn aangekocht in maand 1 en dat retour komt in maand 2 zal door middel van een inhaalincasso direct twee maal geïncasseerd worden.”

Volgens [eiser in conventie] blijkt uit deze teksten de weg die gevolgd moest worden vanaf een ingevuld aanvraagformulier door de adviseur tot een getekende overeenkomst en zelfs de incasso van de eerste termijn. Op het aanvraagformulier moeten meerdere onderdelen worden ingevuld door de adviseur en het formulier moet worden ondertekend door de adviseur en de cliënt. Voor de in te vullen onderdelen is de persoonlijke situatie van de cliënt relevant. Er moet al een keuze worden gemaakt uit verschillende effectenleaseovereenkomsten, soms uit drie soms uit meer dan drie. Dat betekent dat de adviseur moet uitleggen wat die verschillende effectenleaseovereenkomsten inhouden en ook waarom welk aandelenleasecontract het beste past bij de cliënt.

Aan ieder effectenleasecontract van Bank Labouchere is een aanvraagformulier voorafgegaan, waarbij is geadviseerd. [eiser in conventie] doet in dit verband een beroep op wat daarover is overwogen in het vonnis van deze rechtbank van 9 januari 2008 (ECLI:NL:RBALM:2008:BC6971, rechtsoverweging 22.j):

j. Uit het aanvraagformulier aandelenlease van 19 maart 2001 van Spaar Select dat voorafgegaan is aan de overeenkomst Overwaarde Effect zonder Herbelegging Vooruitbetaling van 4 juli 2001 blijkt dat er toen al een keuze is gemaakt voor deze beleggingsconstructie. Op dat formulier afkomstig van Spaar Select met de naam van haar adviseur [naam adviseur 1] , diens adviseursnummer [adviseursnummer] en de handtekening van X, is namelijk vermeld dat X uit de dertien daarop genoemde constructies gekozen heeft voor “Overwaarde Effect zonder Herbelegging” met onder meer een vooruitbetaling van f. 28.800,-. De rechtbank leidt ook daaruit en uit het feit dat er geen daaraan voorafgaande correspondentie tussen X en Labouchere is overgelegd, af dat Spaar Select degene is die geadviseerd heeft over de wijze van beleggen en tot welk bedrag. Dat levert een handelen in strijd met de Vrijstellingsregeling op, immers meer dan aanbrengen en is als beroeps- of bedrijfsmatig adviseren aan te merken”.

e. de tussenpersoon in deze zaak was aangesteld als clientenremisier van Bank Labouchere op basis van een Overeenkomst Clientenremisier Bank Labouchere. Hierdoor was Dexia bekend met het verstrekken van adviezen door de tussenpersonen. De verdiensten voor de tussenpersoon, de provisie, is opgenomen in art. 2 in het supplement bij de Overeenkomst Clientenremisier Bank Labouchere. De provisie werd berekend per effectenleaseovereenkomst, niet per cliënt. Uit het supplement, art. 2.2, blijkt voorts dat de overeenkomst wordt aangevraagd door de adviseur.

f. Dexia heeft aan alle tussenpersonen een programma verstrekt waarmee een prognose gemaakt kon worden, om de adviezen te visualiseren met betrekking tot belastingvoordeel en rendement.

g. De clientenremisiers hadden adviseurs in dienst die werden opgeleid, getraind en begeleid door Bank Labouchere, gelet op de jaarverslagen van Bank Labouchere van 1997 en 2001.

h. In een interview voor het magazine van Spaar Select heeft de heer Jack Troost, directeur van het bedrijfsonderdeel “Labouchere beleggingsproducten” van Bank Labouchere aangegeven:

“Klanten kunnen dezelfde aandelenleaseproducten afnemen via zowel Legio Lease, als Bank Labouchere. Wat maakt het voor de klant voor verschil? Jack Troost: Als je als klant bij Legio Lease inhaakt op een productaanbod, dan vul je de bon in of het aanvraagformulier en stuurt het naar Leiden. Op dat moment krijg je geen advies en neem je wellicht impulsief een beslissing. …

Voor hetzelfde geld kun je je financiële planning ook laten beoordelen en regelen door een bedrijf als Spaar Select. In die planning kan dan exact hetzelfde product worden opgenomen. Dat kost de klant niets meer dan rechtstreeks bij Legio Lease afsluiten. Maar het voordeel is natuurlijk wel, dat het product wordt afgesloten als onderdeel van een totaal financieel plan.”

i. [eiser in conventie] verwijst naar een passage uit het memorandum van Dexia (productie 56) getiteld “De niet-aansprakelijkheid van Dexia voor gedragingen van tussenpersonen”, waarin onder meer staat:

“Tussenpersonen kwalificeerden onder de werking van de toenmalige Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (Wte) als clientenremisiers. De werkzaamheden van de tussenpersonen zijn zelden beperkt gebleven tot de werkzaamheden van een clientenremisier in strikte zin, namelijk tot het aanbrengen van een cliënt bij een effecteninstelling. Doorgaans is er daarnaast sprake geweest van het geven van beleggingsadvies”.

j. Uit de stelling van Dexia zelf, dat zij betwist dat [eiser in conventie] niet door de tussenpersoon op de hoogte is gebracht van de risico’s klevende aan effectenlease, kan ook worden afgeleid dat er sprake is geweest van advisering.

k. Dexia heeft na ontvangst van het aanvraagformulier ook niet gecontroleerd of er sprake is geweest van advisering, terwijl dat gelet op de vermelding van de adviseur, wel op haar weg lag.

l. Specifiek voor [eiser in conventie] is verder nog het volgende aangevoerd. Een telemarketeer van Spaar Select heeft [eiser in conventie] benaderd, of er vrijblijvend een adviseur langs mocht komen. De adviseur, [naam adviseur 2] , is bij [eiser in conventie] thuis geweest en heeft gevraagd naar de doelstelling van [eiser in conventie] (sparen voor de kinderen en een aanvulling op zijn pensioen). Naar aanleiding hiervan kwam de adviseur met de informatie over het product AllRound Effect. Dit was volgens de adviseur een geweldig product dat paste bij de doelstelling van [eiser in conventie] .

Op zowel het aanvraagformulier als de effectenleaseovereenkomst staat de naam van de tussenpersoon als adviseur en diens ATP-nummer vermeld.

2.3.

Uit al deze algemene en voor [eiser in conventie] specifieke feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de tussenpersoon heeft geadviseerd/ meer heeft gedaan dan het enkel aanbrengen van [eiser in conventie] bij Dexia, en dat Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, aldus [eiser in conventie] .

2.4.

Dexia heeft het volgende verweer gevoerd tegen de gestelde advisering, kort samengevat. Uit de algemene stellingen/documenten kan niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is geweest van de vereiste persoonlijke advisering. Ten aanzien van de specifieke stellingen: Het aanvraagformulier bewijst slechts dat er contact is geweest tussen de tussenpersoon en [eiser in conventie] maar zegt niets over de relatie tussen [eiser in conventie] en de tussenpersoon, het bewijst niet dat er sprake is van een op de persoon gericht financieel beleggingsadvies. Er is geen Persoonlijk Financieel Plan overgelegd. Dexia betwist verder hetgeen [eiser in conventie] heeft gesteld over het huisbezoek en de communicatie met de tussenpersoon. De enkele vermelding van de naam van de tussenpersoon op de contracten zegt niets over wat zich destijds precies tussen de tussenpersoon en [eiser in conventie] heeft afgespeeld. Dexia betwist training te hebben gegeven aan de tussenpersoon, zij prees de producten slechts aan bij de tussenpersonen. De wijze waarop provisie werd toegekend zegt voorts niets over hoe de tussenpersoon de afnemer daadwerkelijk is tegemoet getreden.

Er is geen sprake geweest van een persoonlijk financieel beleggingsadvies aan [eiser in conventie] . Dexia verwijst in dit verband naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:111). Dexia had bovendien geen wetenschap van een eventueel persoonlijk financieel advies.

2.5.

De kantonrechter overweegt het volgende.

In het door Dexia genoemde arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2019 wordt overwogen dat de in de arresten van de Hoge Raad neergelegde afwijking van de eigenschuldregeling als genoemd in het zgn. Hofmodel uit 2009, berust op de overschrijding van de bevoegdheid van de clientenremisier ten opzichte van een beleggingsadviseur. Voorts wordt overwogen:

“5.13 Met betrekking tot de taakverdeling tussen een cliëntenremisier en een beleggingsadviseur zet plv. PG De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie onder 3.7 en 3.8 bij het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) uiteen dat een cliëntenremisier werkzaam is bij de totstandkoming van transacties van effecten doordat hij beroeps- en bedrijfsmatig derden als cliënten aanbrengt bij een (andere) effecteninstelling (in het onderhavige geval Dexia). Een cliëntenremisier acquireert aldus derden voor een effecteninstelling als mogelijke cliënt van die effecteninstelling. Acquireren kan geschieden door promotieactiviteiten. Op grond van artikel 1 sub b onder 1 van de Wte 1995 valt een cliëntenremisier onder de omschrijving van een effectenbemiddelaar. Een beleggingsadviseur is degene die, beroeps- of bedrijfsmatig, derden (zijn cliënten) adviseert bij beleggingen in effecten. Zolang zij hun cliënten niet in contact brengen met een effecteninstelling en hun dienstverlening beperken tot advisering over beleggen, zijn zij volgens de Wte 1995 geen effectenbemiddelaar en niet vergunningplichtig. Ingeval de beleggingsadviseur zijn cliënt in contact brengt met een specifieke effecteninstelling of adviseert over een specifieke effecteninstelling, is echter wel sprake van effectenbemiddeling en valt de beleggingsadviseur ook onder de vergunningplicht. In de onderhavige zaak dient derhalve tot uitgangspunt dat een cliëntenremisier mag aanbrengen en in dat kader acquireren, maar niet zonder vergunning adviseren en een beleggingsadviseur mag adviseren over beleggen, maar niet, althans niet zonder vergunning, omtrent de keuze van de effectenbemiddelaar of de instelling die de effectendiensten zal uitvoeren.

5.14

Het hof leidt uit het voorgaande af dat voor een beroep op vermindering van eigen schuld vereist is dat vast komt te staan dat de cliëntenremisier waarmee Dexia heeft gecontracteerd aan de afnemer een (beleggings)advies heeft verstrekt. Het is voorts aan de afnemer ( [geïntimeerde] in dit geval) om te stellen en – zo nodig – te bewijzen dat deze tussenpersoon zijn bevoegdheid als cliëntenremisier heeft overschreden door hem niet (slechts) aan te brengen bij Dexia door het doen van een voorstel aan Dexia voor een overeenkomst, maar door hem (tevens) te adviseren. Adviseren omvat naar het oordeel van het hof in dit geval meer dan een enkel aanprijzen van een product: het moet ten minste gaan om een ten behoeve van de afnemer gegeven advies waarin zijn persoonlijke financiële situatie is meegewogen. Van advisering is geen sprake wanneer een cliëntenremisier algemene informatie verstrekt over bepaalde, derhalve specifieke, effecten om vervolgens op basis van de door de belegger verstrekte gegevens een voorselectie te maken waaruit de belegger dan uiteindelijk zelf kan kiezen.”.

2.6.

Uit de algemene producties vermeld onder 2.2. blijkt voldoende dat Dexia ten tijde van het afsluiten van de onderhavige overeenkomst grootschalig gebruik maakte van tussenpersonen die de afnemers adviseerden (en de cliënt dus niet alleen aanbrachten als mogelijke klant bij Dexia) en dat Dexia dat ook wist. De vraag is of dat in dit concrete geval ook gebeurd is. Er zijn immers gevallen waarbij wel een tussenpersoon was betrokken maar geen sprake was van advisering (zie bijv. ECLI:NL:GHDHA:2017:2756).

2.7.

De kantonrechter gaat er van uit dat de Bank Labouchere Handleiding Effectenlease uit 1998, door [eiser in conventie] deels overgelegd, authentiek is. De (interne) Handleiding is qua uiterlijk authentiek en Dexia heeft de authenticiteit onvoldoende betwist door te stellen dat zij de authenticiteit niet meer kan achterhalen door het tijdsverloop en zij de authenticiteit dus bij gebrek aan wetenschap moet betwisten. Uit de Handleiding blijkt de gang van zaken zoals Dexia die in 1998 voorstond, in het bijzonder ten aanzien van de gang van zaken met betrekking tot het aanvraagformulier en de aankoop van de aandelen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de gang van zaken ten tijde van het afsluiten van de onderhavige effectenleaseovereenkomst in september 2000 wezenlijk anders is geweest. Dexia heeft daaromtrent ook niets anders gesteld.

2.8.

[eiser in conventie] heeft in al zijn processtukken benadrukt dat het belangrijkste bewijs op basis waarvan gesteld kan worden dat er sprake is geweest van advisering/ méér dan aanbrengen, en dat Dexia dat wist, het overgelegde aanvraagformulier effectenlease is. [eiser in conventie] heeft gelet op de Administratieve Routing in de Handleiding, in combinatie met het overgelegde aanvraagformulier, voldoende aannemelijk gemaakt dat tussenpersonen, na het contact met de cliënt, doorgaans de aanvraagformulieren invulden, met vermelding van naam en ATP-nummer en dat daarbij aan Dexia is aangegeven dat de cliënt heeft gekozen voor het aangekruiste effectenleaseproduct en de daarbij vermelde bedragen aan vooruitbetalingen of maandelijkse termijnen. De financieel adviseur stuurde het aanvraagformulier vervolgens op naar Dexia. Dexia heeft die gemotiveerde en met producties onderbouwde “standaard” gang van zaken onvoldoende betwist. Zoals reeds is overwogen in het vonnis van deze rechtbank van 9 januari 2008 blijkt uit het hanteren van de aanvraagformulieren door de adviseur (en Dexia) dat er toen feitelijk al een keuze is gemaakt voor de beleggingsconstructie. Uit het door Dexia overgelegde ingevulde aanvraagformulier blijkt dat er gekozen is uit meerdere mogelijkheden, met bepaalde maandbedragen en/of vooruitbetalingen. Daaruit, en uit het feit dat er geen eerder contact heeft plaatsgevonden tussen Dexia en de afnemer, moet worden afgeleid dat de tussenpersoon meer heeft gedaan dan het enkel aanbrengen van de afnemer als mogelijke klant bij Dexia. De door Dexia daarna verzonden overeenkomst correspondeerde ook met de inhoud van het aanvraagformulier.

2.9.

Een dergelijk door de financieel adviseur ingevuld aanvraagformulier effectenleaseovereenkomst is, naast het betaald zijn van een vergoeding voor de werkzaamheden van de tussenpersoon, een hele sterke aanwijzing dat de tussenpersoon meer heeft gedaan dan slechts het aanbrengen van de cliënt bij Dexia. In dit geval heeft [eiser in conventie] voldoende aannemelijk gemaakt dat de tussenpersoon het aanvraagformulier heeft ingevuld en dat toen al feitelijk een keuze is gemaakt uit verschillende mogelijkheden.

2.10.

In het onderhavige geval komt nog bij het gebruik van een aanvraagformulier en het feit dat Dexia de tussenpersoon een vergoeding betaalde voor de werkzaamheden, de persoonlijke verklaring van [eiser in conventie] zelf, waarin onder meer wordt verklaard dat de financieel adviseur bij hem thuis is geweest en het product, als zijnde passend bij de doelstelling van [eiser in conventie] , heeft gepresenteerd. Het product zelf is bovendien complex en heeft fiscale aspecten. Het is niet goed voorstelbaar dat [eiser in conventie] daarvoor op eigen initiatief heeft gekozen, zonder financieel advies van de betrokken tussenpersoon. Gelet hierop moet er naar het oordeel van de kantonrechter, mede gelet op de systematische werkwijze, van worden uitgegaan dat de tussenpersoon zich niet heeft beperkt tot het enkel aanbrengen van [eiser in conventie] bij Dexia, maar dat er sprake is geweest van specifiek financieel advies als bedoeld in 2.5. en dat Dexia daarvan gelet op de standaard werkwijze, het vermelden van de tussenpersoon als adviseur op de overeenkomst en het gebruik van het aanvraagformulier ook wist, althans heeft moeten weten.

2.11.

De omstandigheid dat [eiser in conventie] is geadviseerd/ er sprake is geweest van méér dan aanbrengen van [eiser in conventie] bij Dexia, en dat Dexia daarvan wist of behoorde te weten, dient Dexia zwaar te worden aangerekend. Die omstandigheid speelt een rol bij de verdeling van de schade over [eiser in conventie] en Dexia in die zin dat in een dergelijk geval de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia wegens het onrechtmatig handelen, zoals overwogen in het tussenvonnis van 16 juli 2019, geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door [eiser in conventie] reeds betaalde rente, aflossing en kosten (overweging 3.4.4 en 3.4.5 van het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 oktober 2018). Of (ook) sprake is geweest van het doorgeven van een order (gelet op ECLI:NL:GHDHA:2019:216) kan verder onbesproken blijven.

2.12.

[eiser in conventie] heeft de schade in eerste instantie becijferd op een bedrag van

€ 7.827,24. Door Dexia is gesteld dat hierop in mindering moet worden gebracht fiscaal voordeel tot een bedrag van € 152,76 (in verband met aftrekbare rente).

[eiser in conventie] heeft hierop gesteld dat eventueel dividend inderdaad in mindering kan worden gebracht, maar hij is het niet eens met het in mindering brengen van fiscaal voordeel. Volgens [eiser in conventie] is het verrekenen van het fiscaal voordeel in strijd met art. 6: 100 BW. Dat artikel luidt: “Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.” Volgens [eiser in conventie] is het fiscaal voordeel geen voordeel uit “eenzelfde gebeurtenis” als bedoeld in dat artikel. [eiser in conventie] verwijst onder meer naar de maatstaf wanneer er sprake is van “een zelfde gebeurtenis” opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4012).

2.13.

De Hoge Raad is in 2016 (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483) echter teruggekomen op de maatstaf van “een zelfde gebeurtenis” in het arrest uit 2011 en heeft hij bepaald dat voor voordeelstoerekening als bedoeld in art. 6: 100 BW is vereist dat tussen de normschending en de voordelen een condicio sine qua non-verband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. De schadeveroorzakende gebeurtenis, het aangaan van de overeenkomst waarbij de waarschuwings- en onderzoeksplicht (en art. 41 NR dan wel 21 NR) werden geschonden, heeft ook geleid tot fiscale voordelen, die [eiser in conventie] anders niet zou hebben gehad. [eiser in conventie] heeft niet betwist dat hij dit voordeel ook daadwerkelijk heeft genoten zodat het redelijk is het fiscale voordeel, qua hoogte niet door [eiser in conventie] betwist, in mindering te brengen op de schade.

2.14.

Vast staat dat [eiser in conventie] in termijnen € 7.373,80 heeft betaald en voor restschuld € 453,64. De kantonrechter zal deze bedragen in conventie toewijzen, verminderd met fiscaal voordeel van € 152,76, oftewel een bedrag van € 7.674,68, te vermeerderen met de wettelijke rente, rekening houdende met het moment dat de betalingen (tot dit bedrag) zijn verricht en met de verrekeningen. Voorts zal Dexia, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure in conventie worden veroordeeld, te begroten volgens de gebruikelijke tarieven in kantonzaken. [eiser in conventie] heeft verzocht om vergoeding van zijn volledige proceskosten, maar [eiser in conventie] heeft daarbij niet aangegeven wat die kosten in zijn geval zijn en bovendien is de stelling, dat Dexia de zaak niet heeft willen schikken ondanks het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016, voor toekenning van de volledige proceskosten onvoldoende. De gevorderde nakosten zullen conform de landelijke aanbeveling worden begroot op het tarief van een half punt gemachtigdesalaris, met een maximum van € 120,00. Gelet op het gemachtigdesalaris in deze zaak, van € 300,00 per punt, zal worden toegewezen € 120,00.

2.15.

[eiser in conventie] heeft tot slot verzocht om vergoeding van buitengerechtelijke kosten terwijl Dexia heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van buitengerechtelijke verrichtingen van zodanige omvang dat deze ondanks het bepaalde in artikel 6: 96 lid 3 BW en artikel 241 Rv. voor vergoeding in aanmerking komen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser in conventie] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt die afzonderlijk, naast de vergoeding van 241 Rv., voor vergoeding in aanmerking komen. De door [eiser in conventie] overgelegde (standaard) correspondentie is daarvoor onvoldoende.

2.16.

De vordering in reconventie zal gelet op de toewijzing van de vordering in conventie worden afgewezen. Dexia heeft bij die vordering geen belang meer of de vorderingen zijn niet toewijsbaar gelet op de toewijzing van de vordering in conventie. Dexia zal ook in reconventie, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

2.17.

Het verzoek van Dexia om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in verband met, kort gezegd, het restitutierisico, zal worden afgewezen. [eiser in conventie] wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring te hebben en het daar tegenoverstaande restitutierisico is in dit geval niet geconcretiseerd.

3 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

Verklaart voor recht dat Dexia jegens [eiser in conventie] onrechtmatig heeft gehandeld en dat Dexia om deze reden schadeplichtig is wegens schending van de bijzondere zorgplicht en schending van artikel 25 NR 1995 dan wel artikel 41 NR 1999 en veroordeelt Dexia om aan [eiser in conventie] te voldoen tegen bewijs van kwijting een bedrag van € 7.674,68, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf het moment dat de betalingen zijn verricht.

Veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser in conventie] begroot op

€ 223,00 griffierecht en € 900,00 gemachtigdesalaris. Begroot de nakosten op € 120,00.

Veroordeelt Dexia de uitbetaling van voornoemde bedragen te verrichten aan/op bankrekeningnummer [nummer] ten name van Stichting Derdengelden Juridico te Almelo.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

Wijst de vorderingen van Dexia af.

Veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van [eiser in conventie] begroot op € 300,00 gemachtigdesalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.