Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4220

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
ak_19 _ 693
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoeksplicht van de gemeente bij aanvraag Wmo ten behoeve van het volgen van onderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/43
JWWB 2020/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/693

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J. de Bruin,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van

eiseres om individuele begeleiding vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019.

Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. Luigies en

M. Boer-Beulakker.

Overwegingen

1.1.

Eiseres (37 jaar) heeft de diagnose Autisme Spectrum Stoornis (ASS) en ontvangt een Wajong-uitkering. Zij studeert vanaf 2013 in deeltijd aan de Hogeschool ArtEZ voor Docent Beeldende kunst en Vormgeving. Op 28 februari 2018 is eiseres naar Zwolle verhuisd.

1.2.

Op 10 april 2018 heeft eiseres zich tot verweerder gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor ondersteuning bij het volgen van haar opleiding.

De begeleiding wil zij ontvangen van [naam] .

1.3.

Op 14 mei 2018 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Uit het ondersteuningsplan van 25 juni 2018 blijkt dat eiseres heeft toegelicht dat zij begeleiding nodig heeft bij haar studie, bestaande uit ondersteuning in verband met het kunnen volgen van de opleiding en de stage. Voor de praktische zaken thuis ontvangt eiseres ondersteuning van Dimence. Eiseres heeft een begeleidingsplan en een PGB-plan overgelegd. Hierna heeft verweerder eiseres op 17 mei 2018 een mail gestuurd met de mededeling dat haar verzoek niet leidt tot een indicatie voor begeleiding vanuit de Wmo 2015. Eiseres heeft verzocht haar dit in de vorm van een besluit mee te delen. Verweerder heeft dit als aanvraag opgevat en daarna het primaire besluit genomen.

1.4.

In het bezwaarschrift heeft eiseres haar aanvraag nader toegelicht.

Volgens eiseres gaat het om individuele begeleiding bij het praktische deel van haar opleiding die zowel op zelfredzaamheid als op deelname aan het maatschappelijk verkeer

ziet, waarbij het op elk gebied gaat om de wijze van omgang met mensen en voorkomende situaties in het dagelijks leven. Eiseres is van mening dat haar opleiding slechts het middel

is van waaruit de begeleiding tot stand komt, maar niet het doel op zich.

1.5.

Verweerder heeft daarop het bestreden besluit genomen.

2.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat begeleiding bij onderwijs een taak

is van de onderwijsinstelling en niet onder de verantwoordelijkheid van het college valt. De (praktische) begeleiding die eiseres vraagt ziet met name op het kunnen volgen van de stage en dat behoort in essentie nu juist tot de opleiding zelf.

2.2.

Volgens eiseres gaat het uitdrukkelijk niet om begeleiding bij praktische zaken zoals huiswerkbegeleiding, huiswerk plannen en agenda bijhouden of leertechniek en pedagogische technieken aanreiken. Het gaat om begeleiding bij het persoonlijk functioneren met haar beperkingen, met als doel het verkrijgen van inzicht in haar functioneren in wisselwerking met de leerlingen. De prikkels die zij tijdens stage krijgt moet zij verwerken. De begeleiding laat haar zien waarom zij op een bepaalde manier reageert, wat het effect is op leerlingen en hoe zij dat kan veranderen. De stage is in dat opzicht een waarheidsgetrouwe nabootsing van het werkende leven na haar opleiding. De aanvraag heeft niet tot doel dat eiseres wordt begeleid bij haar opleiding. Het gaat om begeleiding bij en ter voorbereiding op de participatie van eiseres aan het maatschappelijk verkeer, wat onder het bereik van de Wmo 2015 valt. De begeleiding die vanuit de school wordt geboden is niet geschikt als ondersteuning van eiseres bij haar participatie.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

In geschil is of verweerder terecht de aanvraag om individuele begeleiding heeft afgewezen op de grond dat begeleiding bij onderwijs op het terrein van de onderwijsinstelling ligt en niet onder de Wmo 2015 valt.

3.2.

Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819) uiteengezet op welke manier het onderzoek naar maatschappelijke ondersteuning moet plaatsvinden.

Uit die uitspraak blijkt onder meer dat:

- het college moet vaststellen wat de hulpvraag is;

- het college moet vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;

- wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is;

- het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, moet het college een maatwerkvoorziening verlenen.

3.3.

Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld met een ondersteuningsbehoefte voor begeleiding bij het volgen van onderwijs. Hoewel verweerder in het bestreden besluit het zogeheten stappenplan beschrijft, blijkt uit de stukken niet dat een onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen daarvoor daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zijn onderzoek voortijdig afgebroken, omdat verweerder in een vroeg stadium al tot de conclusie kwam dat de gevraagde voorziening niet onder de werkingssfeer van de Wmo 2015 zou vallen. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte.

3.4.

Anders dan onder de oude Wmo kent de Wmo 2015 geen specifieke taakvelden waarvan begeleiding bij het volgen van onderwijs is uitgezonderd. De wetgever heeft met de Wmo 2015 beoogd gemeenten breed verantwoordelijk te maken voor het bieden van ondersteuning aan mensen met beperkingen binnen het sociale domein. De Wmo 2015 voorziet in belangrijke waarborgen voor het uitvoeren van een goed onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van mensen. Van gemeenten wordt verwacht dat zij dit onderzoek uitvoeren in goede samenspraak met de mensen om wie het gaat en dat zij samen met betrokkenen komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. Daarbij dienen zij samen te werken met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en andere betrokken partijen op het gebied van jeugdzorg, onderwijs, preventieve gezondheidszorg, welzijn, wonen, werk en inkomen (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 2).

3.5.

Ten aanzien van ondersteuning bij onderwijs is in artikel 2.3.5, vijfde lid, onder d

van de Wmo 2015 bepaald dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen.

Uit de formulering volgt, dat de afstemming plaatsvindt als uit het onderzoek blijkt dat

daar aanleiding toe bestaat. Dit kan betekenen dat afwijzing van de Wmo-aanvraag

met verwijzing naar de onderwijsinstelling afdoende is, maar ook dat verweerder in de begeleiding bij dit onderwijs wel een rol heeft in die zin dat een (aanvullende) maatwerk-voorziening wordt getroffen.

3.6.

Of verweerder heeft kunnen beslissen eiseres niet in aanmerking te brengen voor

een maatwerkvoorziening van individuele begeleiding kan de rechtbank niet beoordelen. Verweerder heeft immers geen zorgvuldig en compleet onderzoek gedaan naar het doel,

de inhoud en omvang van de ondersteuningsbehoefte, de noodzaak van ondersteuning en

op welke wijze daarin kan worden voorzien. Daarbij is het de rechtbank in het bijzonder niet duidelijk geworden of de verlangde en benodigde ondersteuning daadwerkelijk geboden

kan worden vanuit de onderwijsinstelling. Ter zitting is namens verweerder ook erkend

dat niet is onderzocht welke ondersteuning de onderwijsinstelling concreet biedt en welke niet, en waarom dat zo is. Naar het oordeel van de rechtbank moet dit alsnog gebeuren.

Ook moet nog inzichtelijk worden gemaakt of, en zo ja in welke mate, de hulpvraag van eiseres opgelost kan worden door de ondersteuning thuis vanuit Dimence. Pas als dit allemaal zorgvuldig is onderzocht, kan verweerder een beslissing nemen over de vraag

of er - al dan niet aanvullend - een maatwerkvoorziening moet komen en zo ja, welke.

Dat kan overigens ook betekenen dat de aanvraag van eiseres alsnog wordt afgewezen.

3.7.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan blijven. Verweerder moet alsnog zorgvuldig de problematiek en behoeften van eiseres in kaart brengen en vervolgens bezien hoe de concrete specifieke ondersteuningsbehoefte van eiseres kan worden verlicht of opgelost. Als afstemming met de onderwijsinstelling en met Dimence uitwijst dat door hen niet alle noodzakelijke begeleiding geboden kan worden en er nog een behoefte resteert, is het aan verweerder te beoordelen of en op welke wijze daarin met een maatwerkvoorziening kan worden voorzien.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.

5. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het griffierecht aan eiseres worden vergoed.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 512 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming

van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en

mr. D.H. Harbers, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.