Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4040

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
C/08/238223 / KG ZA 19-264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vorderingen eiser onvoldoende onderbouwd, ze worden afgewezen.

Proceskosten: in zeer eenvoudige, niet bewerkelijke kort gedingzaken is het liquidatietarief kort geding aangewezen als redelijk tarief, vordering gedaagde afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer : C/08/238223 / KG ZA 19-264

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2019

in de zaak van

besloten vennootschap

[eiser] B.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

eisende partij,

advocaat: mr. D.C.J. Bogerd te Kampen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 1] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. H. Tadema te Deventer.

1 De procedure

1.1.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is bij vonnis van 14 oktober 2019 op het door BGY gevorderde beslist (‘kop-staart vonnis’). De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, volgen hieronder.

2 De feiten

2.1.

BGY is op 5 april 2017 opgericht door GB Beheer B.V. en [gedaagde] . Sinds de oprichting is [gedaagde] werkzaam voor BGY.

2.2.

[gedaagde] was voorheen werkzaam op de afdeling Research en Development bij Ten Cate in Nijverdal.

2.3.

BGY houdt zich bezig met het ontwikkelen en produceren van kunstgrasgarens. Ten behoeve hiervan heeft BGY een grasgarenmachine aangeschaft (hierna: de machine).

2.4.

In de machine worden instellingen gezet, die gebaseerd zijn op recepten van verschillende kunstgrasgarens.

2.5.

De recepten betreffen een overzicht van de verhoudingen van diverse grondstoffen.

2.6.

Sinds 29 december 2017 worden alle aandelen in BGY gehouden door HBI Holding B.V.

2.7.

BGY is voornemens om de ontwikkeling en productie van kunstgrasgarens te beëindigen en de machine te verkopen aan een derde partij.

2.8.

In verband met het stopzetten van de bedrijfsactiviteiten van BGY is aan [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst aangeboden om zijn dienstverband te beëindigen.

2.9.

Vervolgens is er tussen partijen discussie ontstaan over de (financiële) afwikkeling en de beëindiging van het dienstverband tussen [gedaagde] en BGY en over de vraag wie eigenaar is van de recepten voor de kunstgrasgarens alsmede de bijbehorende instellingen van de machine.

2.10.

[gedaagde] is per 26 september 2019 op staande voet ontslagen door BGY.

2.11.

[mailadres] is een privé-emailadres geregistreerd op naam van [gedaagde] .

3 Het geschil

3.1.

BGY vordert - samengevat en na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de volledige en - ten opzichte van de laatste productiedag - ongewijzigde recepten, machine-instellingen, logbestanden, WBSO-stukken die allen in ieder geval zien op de in productie 12 van de dagvaarding overgelegde producten van BGY en alle zakelijke e-mailcorrespondentie van [mailadres] , dan wel het terugzetten van voornoemde recepten, machine-instellingen en logbestanden in haar oorspronkelijke staat bij werkgever, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. exclusieve toegang tot [mailadres], op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 3.109,33;

alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan haar vorderingen legt BGY - kort gezegd - ten grondslag dat zij eigenaar is van de recepten, machine-instellingen, logbestanden en WBSO-stukken die volgens haar in bezit zijn van [gedaagde] . BGY vordert afgifte van deze eigendommen door [gedaagde] . Wat betreft de afgifte en inzage van alle zakelijke e-mailcorrespondentie voert BGY verder aan dat zij dat nodig heeft om inzicht te krijgen in haar eigen rechtspositie nu is gebleken dat [gedaagde] het e-mailadres [mailadres] is blijven gebruiken voor zakelijke werkzaamheden van BGY.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer; op de wederzijdse stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Van spoedeisendheid van de zaak is voldoende gebleken. BGY heeft immers voldoende onderbouwd gesteld dat zij een dergelijk belang heeft nu de potentiële koper van de machine vóór 14 oktober 2019 duidelijkheid wil hebben over onder andere de recepten voor de kunstgrasgarens en de machine-instellingen en dat de verkoop van de machine anders mogelijk niet doorgaat.

4.2.

Voor toewijzing van de vorderingen van BGY moet aannemelijk zijn dat een gelijke of soortgelijke vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voorshands dient thans bij gevolg te worden beoordeeld of de bodemrechter (onder andere) tot het oordeel zal komen dat BGY eigenaar is van de betreffende recepten en machine-instellingen en dat [gedaagde] deze daarom aan haar dient terug te geven.

Afgifte recepten en machine-instellingen

4.3.

Tussen partijen is primair in geschil wie eigenaar is van de recepten en machine-instellingen. BGY stelt dat zij eigenaar is. Ter onderbouwing voert zij aan dat (i) de recepten en machine-instellingen van de machine (welke zouden zijn beschreven in productie 12 van de dagvaarding) in 2017 bij oprichting van BGY zijn ingebracht door [gedaagde] als werknemer danwel (ii) dat deze tijdens het dienstverband van [gedaagde] bij BGY zijn (her)ontwikkeld, auteursrechtelijk zijn beschermd en daarom mede op grond van artikel 7 Auteurswet (Aw) toekomen aan BGY als werkgever.

4.4.

[gedaagde] betoogt dat hij eigenaar is van de recepturen en machine-instellingen. Het betreft volgens hem knowhow die hij heeft opgedaan ten tijde van zijn vorige dienstverband bij Ten Cate te Nijverdal. [gedaagde] voert verder aan dat partijen bij het aangaan van de samenwerking in BGY niets zijn overeengekomen ten aanzien van de recepten en machine-instellingen en de toepassing van zijn knowhow. Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat hij bij de start van BGY heeft geweigerd om afstand te doen van zijn knowhow en/of eventuele intellectuele eigendom. Dat heeft hij destijds kenbaar gemaakt aan de heer [A] senior en is - aldus [gedaagde] - ook de reden dat er bijvoorbeeld bij aanvang van het dienstverband nooit een arbeidsovereenkomst door partijen is ondertekend waarin soortgelijke afspraken zouden staan.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Niet in geschil is dat [gedaagde] zich vóór zijn indiensttreding bij BGY bij Ten Cate onder meer bezighield met het onderzoeken, samenstellen en ontwikkelen van recepten voor (kunst)garens en dat hij hierover specialistische kennis heeft vergaard. [gedaagde] heeft zijn knowhow en ervaring - zo begrijpt de voorzieningenrechter - later eveneens toegepast in het ontwikkel- en productieproces van kunstgrasgarens bij BGY.

4.6.

BGY heeft haar stellingen dat zij eigenaar is (geworden) van de gevorderde recepten en machine-instellingen, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd. Allereerst is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] zijn knowhow bij oprichting in 2017 heeft ingebracht bij BGY. Hiervan zijn geen stukken overgelegd. Uit de enkele indiensttreding van [gedaagde] bij BGY kan in ieder geval niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat BGY van rechtswege eigenaar is geworden van de knowhow van [gedaagde] , danwel dat hij deze zou hebben ingebracht in BGY.

Ook het beroep op productie 12 van de dagvaarding kan BGY hier niet baten. Het is immers op basis van productie 12 niet duidelijk wat er nu moet worden verstaan onder deze producten, om welke bepaalde recepten/samenstellingen en machine-instellingen het nu concreet gaat en of deze door [gedaagde] zijn (her)ontwikkeld voor/ten behoeve van BGY. Tijdens de mondelinge behandeling heeft BGY dit evenmin voldoende toegelicht.

4.7.

Gelet op het bovenstaande is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat BGY eigenaar is (geworden) van de recepten en machine-instellingen zoals omschreven in productie 12 van de dagvaarding en dat [gedaagde] deze daarom aan haar dient terug te geven. Ook is zonder nadere bewijslevering niet met voldoende zekerheid vast te stellen welke afspraken partijen hebben gemaakt over de knowhow van [gedaagde] en de (her)ontwikkeling van de recepten en machine-instellingen (met bijbehorende logbestanden) binnen BGY en dientengevolge aan wie deze toebehoren. Daar komt bij dat op dit moment sowieso niet goed kan worden vastgesteld of de door BGY gestelde recepturen en de machine-instellingen dienen te worden beschouwd als een “werk“ in de zin van artikel 1 juncto 10 Auteurswet en of het auteursrecht de recepten en machine-instellingen als zodanig beschermt of dat enkel sprake is van bedrijfsgeheimen (knowhow) die niet worden beschermd door een exclusief recht van intellectuele eigendom, maar door BGY hadden moeten worden beschermd door het aangaan van bijvoorbeeld een geheimhoudingsovereenkomst met [gedaagde] . De gevorderde voorzieningen van BGY ten aanzien van afgifte van de recepten en machine-instellingen (met bijbehorende logbestanden) dienen al met al te worden afgewezen.

Afgifte WBSO-stukken

4.8.

BGY betoogt dat zij nieuw producten ontwikkelt en in dat kader in aanmerking komt voor bepaalde fiscale voordelen op basis van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk. De voorzieningenrechter begrijpt verder uit de stellingen van BGY dat de documenten, waaronder de Speurings- en Ontwikkelingsverklaring van BGY en de onderbouwing daarvoor, zich bij [gedaagde] zouden bevinden en dat hij deze dient af te geven aan haar.

4.9.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De onderhavige vordering van BGY komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu [gedaagde] gemotiveerd heeft gesteld dat hij deze al heeft afgegeven aan BGY en dat deze bovendien ter beschikking zijn via de accountant van BGY. Daartegen afgezet heeft BGY onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit anders ligt. Ook uit de producties zoals overgelegd in deze procedure kan niet genoegzaam worden afgeleid dat [gedaagde] nog over de door BGY gestelde WBSO-stukken beschikt. BGY stelt enkel dat het volgens de accountant niet klopt dat [gedaagde] de WBSO-stukken heeft afgegeven, maar zij onderbouwt dit niet met nadere stukken zoals een schriftelijke verklaring van de accountant. Dit had evenwel op de weg van BGY gelegen.

Afgifte e-mailcorrespondentie en toegang e-mailaccount [mailadres]

4.10.

De grondslag voor de afgifte van en inzage in de gevraagde e-mailcorrespondentie van [mailadres] (en exclusieve toegang daartoe) heeft BGY in deze procedure niet duidelijk gemaakt. De voorzieningenrechter zal deze vordering daarom beoordelen aan de hand van artikel 843a lid 1 Rv, dat bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. BGY voert aan dat [gedaagde] voor zijn zakelijke werkzaamheden (met klanten en leveranciers) gebruikt heeft gemaakt van zijn privé e-mailaccount [mailadres] .com. [gedaagde] heeft zich (ook tijdens de mondelinge behandeling) op het standpunt gesteld dat hij zijn e-mailaccount niet heeft gebruikt voor zakelijke e-mailcorrespondentie van BGY.

4.11.

De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. BGY heeft onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] zijn privé-emailaccount heeft gebruikt voor zakelijke e-mailcorrespondentie van BGY en dat [gedaagde] in het bezit daarvan is. Artikel 843a Rv biedt geen basis voor het opvragen van bescheiden waarvan een partij indicaties heeft dat de wederpartij over die bescheiden beschikt en waarvan hij vermoedt dat deze wel steun zouden kunnen geven aan zijn/haar stellingen. Bovendien kan in het korte bestek van deze procedure niet worden beoordeeld of [gedaagde] zakelijke e-mailcorrespondentie met betrekking tot BGY heeft gevoerd via [mailadres]. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk en dit gaat het bestek van een kort geding te buiten. In het licht van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat ook de gevorderde afgifte van e-mailcorrespondentie en de toegang tot het e-mailaccountant moeten worden afgewezen, nog daargelaten dat de door BGY gevorderde inzage en toegang - gelet op de generieke omschrijving en onbepaaldheid daarvan in het petitum - onvermijdelijk tot executieproblemen zal leiden.

Proceskosten

4.12.

BGY zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. In dit verband geldt het volgende. [gedaagde] heeft werkelijke advocaatkosten ad € 3.750,- (exclusief BTW) voor het bepleiten van dit kort geding gevorderd. Deze kosten zijn, voor zover het hier een geschil met betrekking tot de handhaving van intellectuele eigendommen betreft, op grond van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar voor zover deze redelijk en niet onevenredig zijn en voor zover de eisen van billijkheid zich niet tegen vergoeding verzetten. De termen ‘redelijk en evenredig’ en ‘billijkheid’ geven hierbij aan dat de veroordeling in de proceskosten enerzijds afhankelijk is van de complexiteit van de vordering en anderzijds van de mate van verwijtbaarheid van de inbreuk. Verder dienen de gevorderde kosten tijdig te worden opgegeven en gespecificeerd zodat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren (HR 30 mei 2008, NJ 2008/ 556). Om te beoordelen wat onder redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten moet worden verstaan, wordt aansluiting gezocht bij de ‘Indicatietarieven in IE-zaken’. Volgens deze tarieven zijn in eenvoudige kort geding procedures kosten ter hoogte van maximaal € 6.000,- redelijk en evenredig te noemen. In zeer eenvoudige, niet bewerkelijke kort gedingzaken is het liquidatietarief kort geding aangewezen als redelijk tarief. In het onderhavige geval wordt geoordeeld dat de zaak - anders dan namens [gedaagde] ter zitting is betoogd - niet als bewerkelijk kan worden aangemerkt en dat de intellectuele eigendomsrechtelijke aspecten van beperkte aard zijn. Daarbij is van belang dat in dezen geen discussie is geweest over handhaving en mogelijke inbreuk van intellectuele eigendom door BGY. Bovendien heeft [gedaagde] nagelaten de gevorderde kosten tijdig op te geven en is er geen gespecificeerde urenspecificatie met werkzaamheden overgelegd waaruit blijkt dat de werkelijke advocaatkosten € 3.750,- bedragen. De door [gedaagde] gevorderde advocaatkosten worden aldus tot een bedrag van € 980,- redelijk en evenredig geoordeeld en toegewezen (conform het liquidatietarief kort geding per 1 januari 2019).

De kosten aan de zijde van [gedaagde] in deze procedure worden in totaal begroot op:

-griffierecht € 297,00

-salaris advocaat € 980,00-

Totaal € 1.1277,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt BGY in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.277,- (€ 297,- griffierecht en salaris advocaat € 980,-, conform liquidatietarief per 1 januari 2019),

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier. De feiten en motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgesteld op 18 oktober 2019.