Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3987

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
ak_ZWO_19_225_I
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging en terugvordering teveel ontvangen bijstandsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/225

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder,

gemachtigde: H.M.M. Adema.

Procesverloop

In het besluit van 7 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van [naam] beëindigd, omdat haar inkomen hoger is dan de voor haar geldende bijstands-norm. Volgens verweerder heeft [naam] € 916,18 teveel aan bijstand ontvangen en moet zij dat terugbetalen.

In het besluit van 21 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.

[naam] heeft tegen het besluit van 21 december 2018 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. [naam] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de behandeling op de zitting geschorst en het vooronderzoek heropend om verweerder de gelegenheid te geven om een gedetailleerd inzicht te geven in de (maandelijkse) betaling van de bijstandsuitkering aan [naam] en de verrekening ervan met haar inkomsten. Dit ter nadere onderbouwing van verweerders stelling dat [naam] € 916,18 teveel aan bijstand zou hebben ontvangen.

Verweerder heeft op 1 juli 2019 een brief naar de rechtbank gestuurd met een uitleg en een berekening van de vordering. [naam] heeft haar reactie hierop naar de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft deze reactie op 10 juli 2019 ontvangen.

[naam] en verweerder zijn daarna gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord

Zij hebben niet aangegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken. De rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wat is er aan deze procedure vooraf gegaan?

1. [naam] ontvangt sinds 6 juli 2007 een bijstandsuitkering. [naam] woont samen met haar zoon [naam]. Bij de hoogte van deze uitkering is rekening gehouden met het feit dat [naam] een alleenstaande ouder is.

Op 6 juni 2018 is [naam] 21 jaar geworden. Volgens verweerder heeft dat gevolgen voor de bijstandsuitkering die [naam] ontvangt.

Wat vindt verweerder?

2. Verweerder heeft de bijstandsuitkering van [naam] stopgezet met ingang van 6 juni 2018. Volgens verweerder kan zij met ingang van die datum de kosten delen met [naam], die 21 jaar is geworden. Om deze reden heeft [naam] recht op een lagere uitkering. Aangezien de inkomsten die [naam] van het UWV ontvangt hoger zijn dan het (lagere) bedrag aan bijstandsuitkering waar zij recht op heeft, wordt de bijstandsuitkering beëindigd.

[naam] ontving de voorbije periode afwisselend een Ziektewetuitkering en een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van het UWV. Deze inkomsten werden telkens achteraf verrekend met de bijstandsuitkering. Omdat nog niet alle inkomsten zijn verrekend, heeft [naam] volgens verweerder € 916,18 teveel aan uitkering ontvangen en dat moet zij terugbetalen.

Wat vindt [naam]?

3. [naam] is het niet met verweerder eens. Volgens [naam] heeft zij het bedrag van

€ 916,18 nooit gekregen. Ze heeft alleen een bedrag van € 90,97 gekregen en dit bedrag is ook terug te vinden op de bankafschriften. [naam] voert verder aan dat de situatie aan haar vreet en dat ze er mentaal en fysiek last van heeft.

Wat wil [naam] bereiken?

4. Op zitting heeft [naam] te kennen gegeven dat haar beroep niet gaat over de stopzetting van haar bijstandsuitkering per 6 juni 2018. Ook gaat haar beroep niet over het door haar in haar beroepschrift genoemde openstaande bedrag van € 337,50. Eerder is al in het besluit van 28 mei 2018 aan eiseres meegedeeld dat zij dit bedrag voorlopig niet hoeft terug te betalen.

Het beroep van [naam] gaat over het bedrag van € 916,18 dat zij naar eigen zeggen nooit ontvangen heeft.

Wat oordeelt de rechtbank?

5. Verweerder heeft in de brief van 1 juli 2019 uitgelegd hoe de Ziektewetuitkering en WW-uitkering van [naam] zijn verrekend met haar bijstandsuitkering. De WW-uitkering die [naam] in september 2017 heeft ontvangen, is meteen met de bijstandsuitkering van september 2017 verrekend. Daarna heeft verweerder besloten om de maandelijkse inkomsten van [naam] niet diezelfde maand te verrekenen, maar deze achteraf met de bijstandsuitkering te verrekenen. Verweerder is hiermee in november 2017 begonnen. Dit betekent dat in de maand oktober 2017 de inkomsten van [naam] niet zijn verrekend. [naam] kreeg dus in oktober 2017 haar volledige bijstandsuitkering, terwijl zij door haar inkomsten eigenlijk minder had moeten krijgen.

De inkomsten van [naam] zijn steeds achteraf verrekend met haar bijstandsuitkering. Dit betekent dat de inkomsten van [naam] in oktober 2017 zijn verrekend met de bijstandsuitkering in november 2017, haar inkomsten van november 2017 met haar bijstandsuitkering van december 2017, enzovoort. Zolang [naam] een bijstandsuitkering ontving kon dit ook zo doorgaan. Haar bijstandsuitkering stopte op 5 juni 2018. Hierdoor konden de inkomsten van mei 2018 niet geheel meer verrekend worden. Alleen tot en met
5 juni 2018 kon verweerder nog wat verrekenen, maar het grootste gedeelte niet meer. Ook de inkomsten van de eerste vijf dagen van juni konden niet meer verrekend worden. Omdat niet meer alles met de bijstandsuitkering verrekend kon worden, bleef er een bedrag over dat [naam] moet terugbetalen. Dat is € 916,18. Het is dan ook juist dat verweerder dit bedrag van [naam] terugvordert.

6. De rechtbank vindt wel dat verweerder onzorgvuldig is geweest en dat het niet nodig zou moeten zijn dat [naam] beroep moet instellen om duidelijk te krijgen waar het bedrag van € 916,18 vandaan komt. Verweerder is er in de bezwaarprocedure door de bezwaarschriftencommissie al op gewezen dat het erom gaat dat [naam] graag wil weten hoe dit bedrag tot stand is gekomen. Voor zowel de bezwaarschriftencommissie als voor

[naam] was de berekening die verweerder gaf niet duidelijk. Tijdens de hoorzitting op

10 september 2018 konden de bezwaarschriftencommissie en [naam] de uitleg van verweerder ook niet volgen. De bezwaarschriftencommissie had verweerder zelfs vooraf gevraagd om de verrekening aan de hand van een overzicht uit te leggen. Dat is niet gebeurd. De bezwaarschriftencommissie heeft daarom gewacht met het advies.

Verweerder heeft daarna in de brief van 15 oktober 2018 een schema met bedragen naar

[naam] gestuurd, zonder deze bedragen aan haar uit te leggen. [naam] heeft op deze brief gereageerd en uit die reactie blijkt duidelijk dat zij het schema niet begrijpt. Verweerder vond het niet nodig om de reactie van [naam] opnieuw aan de bezwaarschriftencommissie voor te leggen en heeft in het besluit van 21 december 2018 haar bezwaar ongegrond verklaard.

De uitleg van verweerder in het dossier en op zitting over hoe de inkomsten van [naam] met de bijstandsuitkering zijn verrekend, was ook voor de rechtbank niet duidelijk. In het dossier zit wel het schema over de maandelijkse verrekening dat eerder naar [naam] was gestuurd, maar ook dat is niet duidelijk. Verweerder heeft de terugvordering van € 916,18 in het besluit van 21 december 2018 dan ook niet goed uitgelegd. Dat heet een motiveringsgebrek. Daarom heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd om een duidelijke uitleg te geven. Pas in de brief van 1 juli 2019 kwam verweerder met een nieuw schema en een uitleg die duidelijk maakt hoe het bedrag dat [naam] moet terugbetalen tot stand is gekomen.

Omdat in beroep is gebleken dat het besluit dat [naam] € 916,18 moet terugbetalen op zich juist is, zal de rechtbank de gebrekkige motivering in het besluit van 21 december 2018 passeren. Dat kan op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De verklaring van [naam] dat zij niet weet hoe zij het bedrag moet terugbetalen en dat de situatie mentaal en fysiek aan haar vreet, maakt niet dat verweerder van terugvordering van het bedrag af moet zien. Niet is gebleken van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van de terugvordering. Daarbij is van belang dat verweerder niet tot invordering overgaat als het inkomen van [naam] onder een bepaalde grens komt (dit heet de beslagvrije voet). Volgens het besluit van 28 mei 2018 zit het inkomen van [naam] onder die grens, zodat [naam] haar schulden bij verweerder voorlopig niet hoeft af te lossen.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond ([naam] krijgt geen gelijk).

8. De rechtbank vindt dat, gelet op wat er onder punt 6 staat, verweerder aan [naam] het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan [naam] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van

A. van den Ham, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.