Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3960

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
08/910004-18 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:7389, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 41-jarige man uit Zwolle is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar en tbs met dwangverpleging voor onder andere het doodschieten van zijn jeugdvriend en het verstoppen van het lijk in de kruipruimte. Daarnaast moet hij de nabestaanden een schadevergoeding betalen van bijna 15.000 euro voor de begrafeniskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer : 08/910004-18 (P)

Datum vonnis : 29 oktober 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] ,

nu verblijvende in de P.I. Almelo, HvB De Karelskamp.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen

van 24 mei 2018, 17 juli 2018, 9 oktober 2018, 7 januari 2019, 2 april 2019, 25 april 2019,

7 mei 2019, 5 juli 2019, 1 oktober 2019 en 15 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.R.G. Nijpels en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na een op 9 oktober 2018 toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte:

feit 1: alleen of met een ander [slachtoffer] heeft gedood door hem met

een pistool door zijn hoofd te schieten;

feit 2: alleen of met een ander het lichaam van [slachtoffer] in stukken heeft gezaagd,

de lichaamsdelen in zakken heeft gedaan en vervolgens in de kruipruimte van zijn

woning heeft verstopt;

feit 3: een pistool en munitie in zijn bezit heeft gehad;

feit 4: alleen of met een ander een revolver en munitie in zijn bezit heeft gehad;

feit 5: € 1.500,00 van [slachtoffer] heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

feit 1

hij in of omstreeks de nacht van 7 op 8 februari 2018, althans in of omstreeks de periode van 7 februari 2018 tot en met 17 februari 2018, te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen (pistool) een of meer kogels door/in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten;

feit 2

hij op of omstreeks 9 en/of 10 februari 2018, althans in of omstreeks de periode van 7 februari 2018 tot en met 17 februari 2018 te Zwolle, althans in in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten: het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verbrand, vernietigd, verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door toen aldaar met dat oogmerk het lichaam van die [slachtoffer] in stukken te zagen/snijden en/of de delen van het lichaam in zakken te stoppen en/of (vervolgens) te verbergen in de kruipruimte van zijn woning (aan [adres 1] );

feit 3

hij in of omstreeks de periode van 7 februari 2018 tot en met 17 februari 2018 te Zwolle, althans in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een pistool (type Tokagypt, kaliber 9mm Parabellum), en/of munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen (kaliber 9mm Parabellum), voorhanden heeft gehad;

feit 4

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 9 mei 2018 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een revolver (type Smith & Wesson, kaliber .38), en/of munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen (kaliber .38), voorhanden heeft gehad;

feit 5

hij in of omstreeks de periode van 7 februari 2018 tot en met 17 februari 2018 te Zwolle, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 1500 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of zijn erfgenamen, in ieder geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Als wettig bewijs heeft hij – kort gezegd – gebezigd dat [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in de woning van verdachte om het leven is gekomen door een schot door het hoofd, terwijl verdachte daarbij als enige aanwezig was. Daarbij komt dat het pistool waarmee is geschoten van verdachte was. Verder heeft verdachte de dood van [slachtoffer] een ruime week verzwegen en handelingen verricht om de dood van [slachtoffer] te verdoezelen en sporen weg te werken. Bovendien had verdachte een motief om [slachtoffer] om het leven te brengen.

Voor wat betreft de overtuiging hecht de officier van justitie grote waarde aan het aantreffen van het metaaldeeltje in het hoofd van [slachtoffer] , waarover het NFI heeft gerapporteerd dat de vorm en de plaats van aantreffen goed passen bij een scenario waarbij de kogel eerst door een plaatstalen voorwerp is gedrongen en vervolgens het hoofd van [slachtoffer] heeft geraakt. Er zat dus een voorwerp tussen het pistool en het hoofd van [slachtoffer] , aldus de officier van justitie, terwijl verdachte heeft verklaard dat dat niet het geval was. Dit brengt volgens de officier van justitie tegelijkertijd met zich dat het door verdachte aangedragen alternatieve (zelfdodings)scenario onwaarschijnlijk is.

Verder acht de officier van justitie, behoudens het ten laste gelegde medeplegen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het wegmaken van het lijk van [slachtoffer] , zoals onder 2 ten laste is gelegd.

Tot slot heeft hij een bewezenverklaring gevorderd voor de onder 3 tot en met 5 ten laste gelegde feiten, te weten het voorhanden hebben van een pistool, een revolver en munitie en diefstal van € 1.500,00.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde doodslag. Hij heeft

daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat [slachtoffer] in verdachtes woning een pistool heeft gevonden, het pistool op zichzelf heeft gericht terwijl hij op de bank zat, waarna verdachte vanuit de keuken naar hem toeliep en heeft geprobeerd om het pistool van hem af te halen en het pistool is afgegaan, steun vindt in getuigenverklaringen en forensische rapporten. Daarbij komt dat verdachte zijn verklaring na verloop van tijd niet op essentiële onderdelen heeft aangepast en zijn verklaring geen inconsistenties kent. Verdachte heeft weliswaar geen verklaring voor het aangetroffen metaaldeeltje, maar de invloed daarvan op de bewijsvraag zou volgens de raadsman nihil moeten zijn.

Ten aanzien van het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat het onder 2 ten laste gelegde medeplegen en het onder 3 ten laste gelegde type pistool niet bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

FEIT 1 (doodslag)

4.3.1

De feiten waarvan wordt uitgegaan

Op 17 februari 2018 trof de politie in de kruipruimte van de woning van verdachte aan [adres 1] drie zwarte plastic zakken aan.2 Hierin zaten delen van het lichaam van [slachtoffer] .3

Het lichaam van [slachtoffer] is door het Nederlandse Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. In zijn hoofd zat een doorschot dat van rechts (inschot) naar links (uitschot), voetwaarts en iets achterwaarts liep. Het NFI komt tot de conclusie dat het intreden van de dood zondermeer wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen, die zijn opgelopen door het doorschot door het hoofd.4

Het pistool waarmee geschoten is, was in het bezit van verdachte en bevond zich in zijn woning.5 Het schietincident heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte.

Verdachte heeft na het schietincident het stoffelijk overschot in zijn woning versleept van woonkamer naar toilet en vervolgens naar de badkamer. Aldaar heeft hij het stoffelijk overschot in acht delen gezaagd en uiteindelijk in de kruipruimte van zijn woning verstopt om het op een vermissing te doen lijken.6

In de avond en dagen na het incident heeft verdachte alles in het werk gesteld om het op een vermissing te doen lijken. Zo is er in zijn telefoon een WhatsApp-bericht gericht aan de hem bekende [getuige] aangetroffen van 7 februari 2018 om 23.14 uur: ‘Heb [slachtoffer] net afgezet maar ben in de war over wat je gezegd hebt vanavond’.7

Verdachte is diezelfde avond naar het huis van [slachtoffer] gereden om de suggestie te wekken dat het om een vermissing ging. Onderweg is hij [getuige] tegengekomen. [getuige] nam twee telefoons over van verdachte. Die telefoons waren allebei van [slachtoffer] .8

Verdachte heeft een deel van het bankstel waarop het slachtoffer ten tijde van het schot had gezeten naar de vuilstort gebracht. Daarna richtte hij de kamer opnieuw in, door de overgebleven bankdelen aan elkaar te schuiven.9

Op 18 februari 2018 deed de politie onderzoek in de woning van verdachte. In de woonkamer stond een bank, bestaande uit twee delen.10 In de schuur vond de politie een vuilniszak met stof, qua kleur en structuur soortgelijk aan de stof van de bank in de woonkamer.11 Na onderzoek bleek de stof, zijnde kussenhoezen, te passen bij het missende deel van de bank in de woning van verdachte.12

Verdachte heeft alle delen van het pistool uit elkaar gehaald en in een emmer met een fles ammoniak gedaan om DNA-sporen van hemzelf uit te wissen.13 Vervolgens heeft hij de onderdelen van het pistool in een tas gedaan en is hij met die tas naar Koedijk gereden. Daar heeft hij ter hoogte van de woning aan [adres 2] de onderdelen van het pistool, tezamen met de kogels, in het kanaal gegooid. Een paar kleine onderdelen bleven achter in de tas. Verdachte heeft deze onderdelen weggegooid op de parkeerplaats achter het tankstation langs de A28 bij Zwolle.14

Op 23 februari 2018 vond de politie in de berm van het Noordhollandsch Kanaal in Koedijk drie scherpe volmantel patronen en een lege huls, allen van het kaliber 9mm.15 Op 24 februari 2018 vond de politie in het Noordhollandsch Kanaal, ter hoogte van [adres 2] , een sluitveer, kastgroep van een pistool en zeventien patronen.16 Op 10 april 2018 is nogmaals in het Noordhollandsch Kanaal gezocht en werden acht soortgelijke patronen en

een onderdeel van een pistool, te weten de hamergroep, gevonden.17

4.3.2

Doodslag of zelfdoding (het alternatief scenario)?

Verdachte heeft verklaard wat er volgens hem op de avond van 7 februari 2018 in zijn woning zou zijn voorgevallen. [slachtoffer] zou zichzelf om het leven hebben gebracht met het pistool dat in zijn ladekast in zijn slaapkamer lag. Door de raadsman is, namens verdachte, gesteld dat aldus sprake is van een alternatief scenario dat niet wordt uitgesloten door de bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Zij overweegt hiertoe als volgt.

In een kussen van de bank in verdachtes woonkamer is een kogel aangetroffen. De kogel is in beslag genomen en gekenmerkt met SIN-nummer AAHN9405NL.18

In het hoofd van [slachtoffer] zat nabij de inschotopening (van de kogel) een oppervlakkige huidperforatie met daarin een witmetalen fragment.19 Het metaaldeel is gekenmerkt met SIN-nummer AALD5880NL.20

Het NFI heeft de kogel en het metaaldeeltje onderzocht. Het NFI rapporteert dat de kogel intact is, in de zin dat er geen delen zichtbaar ontbreken. Omdat de kogel intact is, kan het metaaldeeltje geen deel hebben uitgemaakt van de kogel. Over het metaaldeeltje rapporteert het NFI dat de doorsnede circa 4 tot 4,5 mm is en het gewicht 0,04 gram. Het metaaldeeltje heeft de vorm van een schoteltje of cupje. In het midden is het metaaldeeltje circa 0,5 mm dik. Naar de licht omgebogen randen toe wordt het materiaal dunner. Het metaaldeeltje bestaat voornamelijk uit ijzer, waarop aan beide zijden zink is aangebracht. Het NFI heeft geconcludeerd dat het metaaldeeltje niet kon worden herkend als een onderdeel van een wapen. De vorm en samenstelling van het metaaldeeltje passen bij een stukje dat is losgescheurd van gegalvaniseerd plaatstaal, toen dit plaatstalen voorwerp door een kogel werd geraakt. Gezien de informatie dat dit metaaldeeltje is veiliggesteld uit de huid van het hoofd van [slachtoffer] heeft dit onbekende voorwerp zich tussen het vuurwapen en het hoofd van [slachtoffer] bevonden tijdens het schot.21

Tijdens de zitting van 15 oktober 2019 is wapen- en munitiedeskundige W. Kerkhoff (hierna: Kerkhoff), verbonden aan het NFI, gehoord. In aanvulling op voornoemd rapport heeft hij verklaard dat uitgesloten kan worden dat het metaaldeeltje onderdeel uitmaakte van de kogel, omdat geen materiaal ontbrak aan de kogel. Verder heeft Kerkhoff verklaard dat hij vaker onderzoek heeft gedaan naar kogels die zich door plaatstaal boren. Als een kogel zich door plaatstaal boort, vervormt een stuk van het plaatstaal in de richting van de kogel. Dit stuk scheurt vervolgens uit en levert de vorm van een cupje op. Het in het hoofd van [slachtoffer] aangetroffen metaaldeeltje past, qua vorm, goed bij plaatstaal dat is uitgescheurd door een kogel. Dat zich tijdens het schot een onbekend voorwerp tussen het vuurwapen en hoofd van [slachtoffer] bevond, leidt Kerkhoff af uit het feit dat de tweede perforatie naast de inschotopening zat. Als de kogel na het doorschieten van het hoofd een voorwerp had geraakt dan was die plek moeilijk te verklaren. Het totaalbeeld, de vorm, massa en plaats, past bij het doorschieten van een plaatstalen voorwerp tussen vuurwapen en hoofd. Over de grootte van het voorwerp heeft Kerkhoff verklaard dat het enige massa en grootte moet hebben gehad. Het zal in elk geval niet kleiner dan een vijf eurocent munt zijn geweest, aldus Kerkhoff.22

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat zich tijdens het schot een onbekend voorwerp van gegalvaniseerd plaatstaal (van enige massa en grootte) moet hebben bevonden tussen het pistool en het hoofd van [slachtoffer] . De kogel heeft dit voorwerp doorboord, waarna de kogel door het hoofd van [slachtoffer] is gegaan en het metaaldeeltje, naast de inschotopening, in het hoofd van [slachtoffer] terecht is gekomen.

Anders dan wat de rechtbank vaststelt op basis van voornoemd rapport heeft verdachte verklaard dat er geen voorwerp tussen het pistool en het hoofd van [slachtoffer] zat. Hij heeft, bij monde van zijn raadsman, naar voren gebracht dat het metaaldeeltje mogelijk in zijn woning rond dwarrelde, aangezien hij werkte met gegalvaniseerd plaatstaal, en dat het op enig moment in de loop van het pistool terecht moet zijn gekomen De rechtbank acht dat niet aannemelijk. Kerkhoff heeft verklaard dat het metaaldeeltje in de vorm van een cupje typerend is voor een kogeldoorboring. Het is onaannemelijk dat een metaaldeeltje met een dusdanig kenmerkende vorm (1) rond dwarrelt in de woning van verdachte en in een loop van een wapen terecht komt terwijl (2) verdachte heeft verklaard dat hij plaatstaal niet thuis, maar elders bewerkte en ook niet met kogels doorschoot. Evenmin is aannemelijk geworden dat het metaaldeeltje voorafgaand aan het schot al in het hoofd van [slachtoffer] zat.

Verder overweegt de rechtbank dat blijkens rapporten van het NFI bij een direct schot, dus zonder voorwerp tussen het pistool en hoofd van [slachtoffer] , zoals verdachte in het alternatieve scenario stelt, de bevindingen van het onderzoek naar de schootsafstand waarschijnlijker zijn wanneer de schootsafstand tussen 10 en 100 centimeter is dan wanneer de schootsafstand kleiner dan 10 of groter dan 100 centimeter is.23 Als bij de minimumafstand van 10 centimeter vervolgens de lengte van het pistool, circa 10 centimeter, wordt opgesteld dan ontstaat een lichaamshouding die geforceerd aandoet.24

De rechtbank overweegt daarnaast nog dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] het wapen, waarmee hij zichzelf door het hoofd zou hebben geschoten, op de slaapkamer van verdachte uit de verstopplek achter de onderste lade heeft gehaald.

De handvatten van de ladenkastladekast zijn bemonsterd en gekenmerkt met de SIN-nummers AAJK1595NL tot en met AAJK1597NL.25 Vervolgens heeft het NFI de bemonsteringen vergeleken met de DNA-profielen van verdachte en [slachtoffer] . In alle bemonsteringen is een DNA-mengprofiel aangetroffen die afkomstig kan zijn van verdachte en minimaal één onbekende persoon.26

Op basis van de uitkomsten van het vergelijkend DNA-onderzoek in samenhang bezien met verdachtes verklaring, waaruit volgt dat [slachtoffer] niet wist waar het pistool lag, stelt de rechtbank vast dat het forensisch onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat [slachtoffer] de handvatten van de ladekast inderdaad heeft aangeraakt en dat dus op basis van het forensisch onderzoek geen aanwijzingen aanwezig zijn dat [slachtoffer] zelf het pistool uit de ladekast heeft gehaald.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het door verdachte geschetste scenario waarin [slachtoffer] zichzelf door het hoofd heeft geschoten niet aannemelijk geworden.

4.3.3

Conclusie

Op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 7 februari 2018 met een pistool een kogel op [slachtoffer] heeft afgevuurd.

4.3.4

Opzet van verdachte

Schotrestendeskundige R.C. Roepnarain (hierna: Roepnarain), verbonden aan het NFI, heeft aan de hand van het uitgenomen huiddeel, de foto’s en de schotrestenfolies onderzocht wat de schootsafstand is geweest. Roepnarain concludeert in geval van een indirect schot, dat de bevindingen van het onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de schootsafstand kleiner is dan 100 centimeter dan wanneer de schootsafstand groter is dan 100 centimeter.27

Op basis van de uitkomsten van het schotrestenonderzoek stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op een afstand van maximaal 100 centimeter is beschoten.

Het met een vuurwapen op relatief korte afstand schieten op het hoofd van een persoon is een geweldshandeling die naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht is op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan als een bewust handelen gericht op een levensbeëindiging. De rechtbank acht dan ook (vol) opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank de onder feit 1 ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen acht, met uitzondering van het ten laste gelegde medeplegen.

FEITEN 2 TOT EN MET 5

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is vast te stellen dat verdachte de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten met een ander heeft begaan. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde medeplegen.

Verder is de rechtbank, met de raadsman, van oordeel dat het type pistool, zoals onder 3 ten laste is gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank spreekt verdachte daarvan dan ook vrij.

Bewezenverklaring

De rechtbank komt voor het overige tot een bewezenverklaring van het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten bekent en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen:

ten aanzien van feit 2:

- proces-verbaal van bevindingen van 29 maart 2018, p. 320 (zaaksdossier 1, ordner 2);

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals die is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2019.

ten aanzien van feit 3:

- proces-verbaal onderzoek wapen van 8 februari 2019, p. 731-732 (forensisch dossier, ordner 2);

- proces-verbaal onderzoek wapen van 3 december 2018, p. 754 (forensisch dossier, ordner 2);

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals die is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2019.

ten aanzien van feit 4:

- proces-verbaal onderzoek wapen van 6 augustus 2018, p. 266-267 (zaakdossier 2);

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals die is opgenomen in het proces-verbaal van verhoor verdachte van 18 juli 2018, p. 227 onderaan en p. 228 (persoonsdossier), en het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2019.

ten aanzien van feit 5:

- proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 25 onder het midden (zaaksdossier 3);

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals die is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2019.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

feit 1

hij in de nacht van 7 op 8 februari 2018, te Zwolle, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen (pistool) een kogel door het hoofd van die [slachtoffer] te schieten;

feit 2

hij op 9 februari 2018, te Zwolle, een lijk, te weten: het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft vernietigd, verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door toen aldaar met dat oogmerk het lichaam van die [slachtoffer] in stukken te zagen en de delen van het lichaam in zakken te stoppen en vervolgens te verbergen in de kruipruimte van zijn woning aan [adres 1] ;

feit 3

hij in de periode van 7 februari 2018 tot en met 17 februari 2018, te Zwolle, een wapen van categorie III, te weten een pistool, en munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen (kaliber 9mm Parabellum), voorhanden heeft gehad;

feit 4


hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 9 mei 2018 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een revolver (type Smith & Wesson, kaliber .38), en munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen (kaliber .38), voorhanden heeft gehad;

feit 5

hij in de periode van 7 februari 2018 tot en met 17 februari 2018 te Zwolle met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1500 euro toebehorende aan [slachtoffer] en/of zijn erfgenamen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 151, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en in de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten

uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: doodslag;

feit 2

het misdrijf: een lijk wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (pistool) en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie);

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (revolver) en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie);

feit 5

het misdrijf: diefstal.

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte tijdens de doodslag en het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] , zoals onder 1 respectievelijk 2 ten laste is gelegd, als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, en M. Vink, psychiater, hebben verdachte onderzocht.

Hun bevindingen zijn neergelegd in de Pro Justitia rapporten van 7 juni 2018 respectievelijk 23 juli 2018, het aanvullende Pro Justitia rapport van 8 maart 2019 en de schriftelijke aanvulling van 3 april 2019. Uit deze rapporten komt naar voren dat verdachte aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis lijdt. Vink rapporteert dat deze stoornis kenmerken van borderline heeft. Volgens Van der Leeuw is, naast de antisociale persoonlijkheidsstoornis, sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Beide onderzoekers concluderen verder dat sprake is van een stoornis in alcoholgebruik. Van der Leeuw concludeert dat daarnaast sprake is vaneen stoornis in het gebruik van stimulantia. De antisociale persoonlijkheidsstoornis gaat volgens Vink gepaard met slecht ontwikkelde normatieve functies en een lacunair, gebrekkig geweten. Dit heeft ervoor gezorgd dat verdachte bij het onder 2 ten laste gelegde in onvoldoende mate is aangestuurd en gecorrigeerd. Van der Leeuw rapporteert dat de psychopathiforme persoonlijkheidstoerusting (normvervaging en affect-isolatie) van verdachte zijn gedragsalternatieven hebben beperkt. Van der Leeuw en Vink geven aan dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de antisociale persoonlijkheidsstoornis en het onder 2 ten laste gelegde. Dit verband is minder duidelijk voor wat betreft de stoornis in alcoholgebruik, aldus Vink.

Beide onderzoekers adviseren om verdachte voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Over het verband tussen de stoornis(sen) en het onder 1 ten laste gelegde en de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde is geen uitspraak gedaan.

De rechtbank neemt de adviezen van Van der Leeuw en Vink en de gronden waarop deze berusten over en concludeert dat verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar is. Op basis van deze rapporten concludeert de rechtbank dat verdachte ook voor het onder 1 bewezen verklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen. Er is immers een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling door de deskundigen vastgesteld ten tijde van het onder 2 ten laste gelegde feit dat een gevolg is geweest van wat kort daarvoor onder 1 is bewezen verklaard en daarmee nauwe samenhang heeft.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft hij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geëist.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Ter zake van het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde volstaat volgens hem een gevangenisstraf van twee jaar. De raadsman heeft tijdens de zitting van 15 oktober 2019 kenbaar gemaakt dat hij niet langer instemt met het gebruik van de rapporten van Van der Leeuw en Vink. Artikel 37 lid 2 Sr brengt vervolgens met zich dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling formeel niet mogelijk is, aldus de raadsman. Als de rechtbank daarover anders beslist, is de raadsman van mening dat er materieel geen aanleiding is om de maatregel van terbeschikkingstelling aan verdachte op te leggen. In dat kader heeft hij aangevoerd dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet voor het onder 2 ten laste gelegde kan worden opgelegd, omdat daarop een maximale gevangenisstraf van twee jaar staat.

Voor wat betreft het onder 3 tot en met 5 ten laste gelegde geldt dat niet is voldaan aan het gevaarscriterium als bedoeld in artikel 37a lid 1 sub 2 Sr. Van der Leeuw en Vink hebben zich in hun rapporten niet uitgelaten over deze feiten, terwijl het gevaar evenmin kan worden afgeleid uit het strafblad van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Daarbij acht zij het volgende van belang.

7.3.1

Feitgerelateerde factoren

Verdachte heeft in de nacht van 7 op 8 februari 2018 met een pistool met opzet een einde gemaakt aan het leven van [slachtoffer] en hem daarmee zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Om ontdekking van deze levensberoving te voorkomen en om de oorzaak daarvan te verhelen, heeft verdachte op 9 februari 2018 het lichaam van [slachtoffer] op een weerzinwekkende wijze weggemaakt door het in stukken te zagen, de lichaamsdelen in zakken te stoppen en die vervolgens te verbergen in de kruipruimte van zijn woning.

Toen de partner van [slachtoffer] op 8 februari 2018 zag dat hij niet thuis was gekomen, belde zij met verdachte. Hij vertelde haar, in strijd met de waarheid, dat hij [slachtoffer] de nacht ervoor vlakbij zijn huis had afgezet. De partner van [slachtoffer] is vervolgens een zoektocht naar [slachtoffer] gestart. Verdachte, wetende van het overlijden van [slachtoffer] , heeft dagenlang geholpen met zoeken, terwijl hij ondertussen druk bezig was met het wegmaken van het lijk en het laten verdwijnen van sporen. Het moet voor de partner, familie en vrienden van [slachtoffer] een uitermate schokkende ervaring zijn geweest toen op 17 februari 2018 de zakken met lichaamsdelen van [slachtoffer] werden aangetroffen in de kruipruimte van verdachtes woning.

Het verlies van [slachtoffer] heeft bij de nabestaanden onnoemelijk veel leed en verdriet veroorzaakt. Door de gruwelijke en respectloze wijze waarop verdachte met het lichaam van [slachtoffer] is omgegaan, heeft verdachte extra veel leed aan de nabestaanden toegevoegd. Verdachte heeft hen de mogelijkheid ontnomen om op een waardige manier afscheid te kunnen nemen. Dat het juist verdachte was die dit alles heeft aangericht is voor hen onverteerbaar. Zij beschouwden verdachte als een vriend, die notabene heeft meegezocht naar [slachtoffer] terwijl hij al die tijd wist dat [slachtoffer] al lang dood was. De impact van dit alles is treffend tot uitdrukking gebracht in de slachtofferverklaringen die tijdens de zitting van 25 april 2019 zijn voorgedragen.

Naast de gevolgen voor [slachtoffer] en zijn nabestaanden, wordt ook de rechtsorde door dergelijke misdrijven ernstig geschokt. Het veroorzaakt namelijk ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Hoewel voor de strafoplegging met name de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 in overwegende mate van belang zijn, heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het bezit van twee vuurwapens met munitie. Dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens met munitie gevaarlijk is voor de samenleving en een onaanvaardbaar risico vormt voor de veiligheid van personen is hier gebleken. Verdachte heeft namelijk met één van de twee vuurwapens [slachtoffer] van het leven beroofd.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal. Nadat hij [slachtoffer] van het leven had beroofd, heeft hij namelijk € 1.500,00 uit zijn jaszak gehaald. Het gaat hier om een naar feit, omdat hieruit wederom het totale gebrek aan respect voor [slachtoffer] en zijn nabestaanden blijkt.

7.3.2

Persoonsgerelateerde factoren

- strafblad

Uit de justitiële documentatie van 25 februari 2019 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten als doodslag, het wegmaken van een lijk en wapen- en munitiebezit. Wel is verdachte eerder, meest recentelijk op 20 november 2015, veroordeeld voor diefstal. Deze veroordeling is niet van invloed op de hoogte van de thans op te leggen straf.

- rapporten

Uit de rapportage Pro Justitia van Van der Leeuw en Vink volgt, naast wat hiervoor is overwogen onder 6.3 “strafbaarheid verdachte”, dat Van der Leeuw het recidiverisico hoog inschat. Hij rapporteert dat persoonsfactoren (als een gebrekkig regulerend vermogen van driften en affecten, een labiel emotioneel en relationeel leven, verslavingsneiging, impulsiviteit, normloosheid en gebrek aan schaamte, gebrek aan verantwoordelijkheid, onverwerkte negatieve identificatie met vader, affect-isolatie, gebrek aan angst en remming en oppositionele en vijandige neigingen) nog steeds aanwezig zijn en kunnen leiden tot een herhaling van soortgelijke feiten als de ten laste gelegde. Van der Leeuw rapporteert verder dat verdachte nauwelijks probleembesef of probleeminzicht heeft en daardoor haast geen behandelmotivatie heeft. Om die reden is volgens Van der Leeuw elke vorm van voorwaardelijke behandeling gecontra-indiceerd. Als echter geen behandeling plaatsvindt, blijft het recidiverisico hoog. Om de recidivekans te verminderen is een langdurige en intensieve klinische behandeling nodig, aldus Van der Leeuw. Hij adviseert om de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Vink schat het risico op herhaling van de onderhavige feiten laag in. Het recidiverisico van geweldsdelicten in het algemeen schat hij matig in, bij welke inschatting hij rekening heeft gehouden met het eerdere geweld, het geweld op kinderleeftijd, de aanwezige problemen met middelen (alcohol) en de persoonlijkheidsstoornis met daaruit het voortvloeiende gebrek aan zelfinzicht. Vink heeft, net als Van der Leeuw, twijfels over de motivatie, het probleembesef en -inzicht en de gedragscontrolerende mogelijkheden van verdachte. Vink verwacht dat verdachte bij oplopende (behandel)spanning onvoorspelbaar zal reageren. Hij vindt daarom een verplichtend behandelkader wenselijk en adviseert om een voorwaardelijke maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen, met als voorwaarde een klinische behandeling in een forensisch psychiatrische setting. Dit biedt verdachte de kans te bewijzen dat het hem ernst is en hij zich wil inzetten voor verandering, terwijl er in het geval van onvoldoende inzet tegelijkertijd de mogelijkheid is tot omzetting in een bevel tot dwangverpleging.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 30 juli 2018. De reclassering schat, vanwege de uitzonderlijkheid ervan, de kans op herhaling van een soortgelijk feit als het wegmaken van een lijk laag in. Herhaling van criminele activiteiten is zeker niet uit te sluiten, aldus de reclassering. In het geval van een bewezenverklaring van de doodslag en het wegmaken van een lijk adviseert de reclassering om de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

7.4

Conclusie

- gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten een

forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.

Voor de vraag hoe lang die gevangenisstraf moet duren, heeft de rechtbank gekeken naar wat rechtbanken gemiddeld genomen voor een voltooide doodslag opleggen. Daarnaast acht de rechtbank voor het bewezenverklaarde feit onder 2 de in de wet maximale straf van twee jaren gevangenisstraf passend en geboden, nu een ernstigere vorm van het wegmaken van een lijk moeilijk voorstelbaar is. In strafverlagende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte voor de ernstigste bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar is. In strafverhogende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte de partner, familie en vrienden van [slachtoffer] een ruime week in onzekerheid heeft gelaten over het lot van [slachtoffer] . Voorts rekent de rechtbank verdachte zwaar aan dat hij op volstrekt respectloze wijze is omgegaan met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . De rechtbank denkt hierbij met name aan de gruwelijke wijze waarop hij het slachtoffer in delen heeft gezaagd, een gruwelijkheid die maatschappelijk schokt, laat staan de nabestaanden van [slachtoffer] die ook nog eens geconfronteerd zeggen te zijn met het ernstig toegetakelde lichaam van [slachtoffer] . Ook neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij geen (volledige) verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden, maar juist blijft volhouden dat [slachtoffer] zichzelf met het pistool door het hoofd heeft geschoten.

- maatregel van terbeschikkingstelling

In artikel 37 lid 2 Sr staat dat als het advies van de gedragsdeskundigen eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend de rechter hiervan slechts gebruik kan maken met instemming van het Openbaar Ministerie en de verdachte.

Vooropgesteld moet worden dat als aanvang van de in artikel 37 lid 2 Sr genoemde termijn van een jaar geldt de dagtekening van het daar bedoelde advies respectievelijk van het eerst uitgebrachte van de daar bedoelde adviezen. Als eindpunt van de genoemde termijn geldt de dag waarop het onderzoek ter terechtzitting dat tot oplegging van de maatregel heeft geleid overeenkomstig het bepaalde in artikel 270 Sv is aangevangen, onderscheidenlijk opnieuw is aangevangen (vgl. Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3094).

De Pro Justitia rapporten van Van der Leeuw en Vink zijn gedagtekend 7 juni 2018 respectievelijk 23 juli 2018. De eerste zitting vond plaats op 24 mei 2018, dus nog voor voornoemde dagtekeningen. De behandeling van de zaak is toen geschorst. Het onderzoek van de zaak is op 17 juli 2018 met instemming van de officier van justitie en de raadsman hervat in de stand, waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 24 mei 2018 bevond. De daaropvolgende zittingen zijn telkens op deze wijze, dus – kort gezegd – schorsen en met instemming hervatten, voortgegaan.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de Pro Justitia rapporten van Van der Leeuw en Vink kunnen worden gebruikt.

Op grond van deze rapporten komt de rechtbank tot de conclusie dat vanwege de ernst van de feiten, het recidiverisico en de noodzaak van behandeling de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling eist.

Die veiligheid vereist ook het bevel dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Nu sprake is van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, is aan alle vereisten voor het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging voldaan. De rechtbank zal verdachte ook deze maatregel opleggen, waarbij wordt opgemerkt dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e Sr.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie een passende straf en maatregel heeft geëist. Zij zal verdachte dan ook een gevangenisstraf van twaalf jaar, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

7.5

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde revolver en patronen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 4 ten laste gelegde is begaan. Daarnaast is het ongecontroleerde bezit ervan in strijd met de wet.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

[partner slachtoffer] (de partner van [slachtoffer] ), [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] ,

[kind 3 slachtoffer] (de kinderen van [slachtoffer] ), [vader slachtoffer] , [moeder slachtoffer] (de ouders van [slachtoffer] ), [broer slachtoffer] en [zus slachtoffer] (de broer en zus van [slachtoffer] ) hebben zich, door middel van hun raadsman mr. R. Korver, als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

8.1.1

De benadeelde partij [partner slachtoffer]

heeft een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd, omdat sprake is van shockschade dan wel een aantasting in de persoon, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast heeft zij een bedrag van € 500,00 aan materiële schade (bloemen begrafenis) gevorderd.

In totaal heeft [partner slachtoffer] een bedrag van € 25.500,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.2

De benadeelde partijen [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] en

[kind 3 slachtoffer]

[kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] en [kind 3 slachtoffer] hebben elk een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd, omdat sprake is van shockschade dan wel een aantasting in de persoon. Tijdens de zitting van 25 april 2019 hebben zij de vordering aangevuld met een bedrag van € 1.500,00, met dien verstande dat betaling van € 1.500,00 aan één van hen voor kwijting aan de anderen zorgt. Dit bedrag betreft het geld dat verdachte van [slachtoffer] heeft gestolen, zoals onder 5 ten laste is gelegd.

In totaal hebben [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] en [kind 3 slachtoffer] elk een bedrag van € 26.500,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.3

De benadeelde partijen [vader slachtoffer] en [zus slachtoffer]

[vader slachtoffer] en [zus slachtoffer] hebben elk een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd, omdat sprake is van shockschade dan wel een aantasting in de persoon. Daarnaast hebben zij een bedrag van € 6.587,36 aan proceskosten (advocaatkosten) gevorderd.

In totaal hebben [vader slachtoffer] en [zus slachtoffer] elk een bedrag van

€ 31.587,36 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.4

De benadeelde partij [moeder slachtoffer]

heeft een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd, omdat sprake is van shockschade dan wel een aantasting in de persoon. Daarnaast heeft zij een bedrag van € 15.753,66 aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    € 593,16 reiskosten eerste aanleg;

  • -

    € 750,00 reiskosten hoger beroep;

  • -

    € 14.410,50 begrafeniskosten.

Ook heeft zij een bedrag van € 6.587,36 aan proceskosten (advocaatkosten) gevorderd.

In totaal heeft [moeder slachtoffer] een bedrag van € 47.341,02 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.5

De benadeelde partij [broer slachtoffer]

heeft – in totaal – een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade gevorderd, omdat sprake is van shockschade dan wel een aantasting in de persoon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële en materiële schade en proceskosten telkens kunnen worden toegewezen, met uitzondering van de door [moeder slachtoffer] gevorderde reiskosten hoger beroep. Volgens de officier van justitie moet [moeder slachtoffer] voor wat betreft dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.3

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit en zich daarom primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting is voor het strafgeding, omdat de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade, materiële schade en advocaatkosten op een groot aantal punten wordt betwist.

Zo heeft de raadsman voor wat betreft de gevorderde immateriële schade betwist dat

de benadeelde partijen direct zijn geconfronteerd met de gevolgen van het misdrijf, omdat bewijs daarvan – in de vorm van een registratie van het mortuarium of een getuigenverklaring – ontbreekt.

De raadsman heeft daarnaast betwist dat bij [kind 2 slachtoffer] en [kind 3 slachtoffer] sprake is van PTSS. In de medische verklaringen wordt namelijk gesproken over ‘post traumatische stressklachten’ in plaats van een stoornis.

Volgens de raadsman blijkt uit de medische verklaringen van [kind 1 slachtoffer] en

[zus slachtoffer] niet dat de diagnose PTSS is gesteld.

Voor zover het [partner slachtoffer] , [broer slachtoffer] , [moeder slachtoffer] en

[zus slachtoffer] betreft, heeft de raadsman betwist dat als zij direct zijn geconfronteerd met de gevolgen van het misdrijf en zij als gevolg daarvan PTSS hebben opgelopen. Dit causaal verband is namelijk niet af te leiden uit de medische verklaringen.
De raadsman heeft er verder op gewezen dat de psychiater van [moeder slachtoffer] schrijft over een complexe psychiatrie, zodat voorzichtigheid is geboden of bij haar wel de juiste diagnose is gesteld.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de door [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] en [kind 3 slachtoffer] gevorderde € 1.500,00 op het standpunt gesteld dat dit geld door misdrijf is verkregen. De vordering moet worden afgewezen, omdat toewijzing van de vordering zou betekenen dat zij zich schuldig maken aan opzetheling.

Verder heeft de raadsman betwist dat de door [partner slachtoffer] gevorderde materiële schade, bestaande uit kosten aan bloemen, is aan te merken als rechtstreekse schade of kosten voor lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat haar vordering voor wat betreft dat deel moet worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde advocaatkosten heeft de raadsman zich afgevraagd of de hoogtes van de facturen wel juist zijn, nu een deel van de benadeelde partijen wordt bijgestaan op toevoegingsbasis. Volgens de raadsman hebben de facturen daarnaast betrekking op veel meer dan werkzaamheden ter incasso van een vordering.

De raadsman heeft tot slot, in het geval (een deel van) de vorderingen worden toegewezen, verzocht om vanwege de betalingsonmacht van verdachte de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De gevorderde immateriële schade

- shockschade

Bij de beoordeling van de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade, in de vorm van shockschade, neemt de rechtbank het volgende als uitgangspunt.

Voor vergoeding van shockschade is, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583), vereist dat bij de benadeelde partij sprake is van een hevige emotionele schok die veroorzaakt is door de waarneming van het ten laste gelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok moet vervolgens geestelijk letsel zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder moet bij de begroting van die schade, indien mogelijk, worden gelet op vergelijkbare gevallen.

De rechtbank is van oordeel dat een nadere beoordeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen, als bedoeld in artikel 361 Sv. Zij overweegt daartoe dat, mede gelet op de betwisting door de raadsman, niet kan worden vastgesteld of sprake is van een waarneming van het ten laste gelegde onder 2, dan wel van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de ten laste gelegde feiten, zoals bedoeld is in het hiervoor genoemde uitgangspunt. Niet vastgesteld kan worden wanneer, waar, op welke wijze en onder welke omstandigheden de benadeelde partijen met de ernstige gevolgen van de ten laste gelegde feiten zijn geconfronteerd. Reeds op die grond zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Daarnaast is de rechtbank ten aanzien van [kind 2 slachtoffer] en [kind 3 slachtoffer]

van oordeel dat het weliswaar zeer aannemelijk is dat zij een trauma hebben opgelopen, maar dat aan de hand van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, nu de klinisch psycholoog alleen spreekt van posttraumatische stressklachten. Ook ten aanzien van [broer slachtoffer] en [zus slachtoffer] ontbreekt een schrijven waarin de diagnose PTSS wordt gesteld. Nu dat niet uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partijen of uit de daarbij – ter toelichting van de vordering – overgelegde stukken kan worden afgeleid en nader onderzoek daarnaar noodzakelijk zou zijn, levert de behandeling van deze vorderingen ook om die reden een onevenredige belasting van het strafgeding op als bedoeld in art. 361 lid 3 Sv en dienen de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

- aantasting in de persoon

De rechtbank overweegt dat nabestaanden op grond van artikel 51f lid 2 Sv jo. artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vergoeding van bepaalde kosten kunnen vorderen als iemand overlijdt als gevolg van een strafbaar feit. Vergoeding van immateriële schade zoals in artikel art. 6:106 onder b BW bedoeld kan enkel plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit (zogenoemde 'shockschade' zoals hiervoor besproken). Voor vergoeding van immateriële schade anders dan shockschade biedt de wet voor nabestaanden op basis van dit artikel geen ruimte.

De gevorderde materiële schade

- bloemen begrafenis

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten zozeer samenhangen met de lijkbezorging dat ze voor vergoeding in aanmerking komen. De hoogte van de door [partner slachtoffer] gevorderde kosten is bovendien niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,00.

- begrafeniskosten

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzittingen, komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan [moeder slachtoffer] . De begrafeniskosten zijn door haar voldoende onderbouwd, terwijl door of namens verdachte (de hoogte van) deze kosten niet zijn betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 14.410,50.

- geldbedrag van € 1.500,00

De rechtbank stelt, op grond van de verklaring van [getuige] dat hij wiet van [slachtoffer] had gekocht en hem daarvoor geld had gegeven, vast dat het geldbedrag van € 1.500,00 van misdrijf afkomstig kan zijn. Het toewijzen van de vordering en daarmee het overdragen van het geld aan [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] en [kind 3 slachtoffer] zou dan ook als gevolg kunnen hebben dat de rechtbank zich schuldig maakt aan witwassen, strafbaar gesteld in artikel 420bis Sr. De rechtbank wijst de vordering daarom af.

- reiskosten

Artikel 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij kunnen worden gebracht. Nu dit artikel een afzonderlijke vergoeding van de reiskosten uitsluit, omdat dit wordt geacht in de vergoeding van de proceskosten te liggen besloten, wijst de rechtbank de door [moeder slachtoffer] gevorderde reiskosten af.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] , [kind 3 slachtoffer] , [vader slachtoffer] , [zus slachtoffer] en [broer slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van [partner slachtoffer] wordt toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 21 februari 2018, en de vordering van [moeder slachtoffer] wordt toegewezen tot een bedrag van € 14.410,50, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 maart 2018. In het overige door [partner slachtoffer] en [moeder slachtoffer] gevorderde verklaart de rechtbank hen niet-ontvankelijk.

De gevorderde proceskosten

- Advocaatkosten

Nu de vordering van [moeder slachtoffer] gedeeltelijk is toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die zij ter zake van de vorderingen heeft gemaakt. Bij een kostenveroordeling wordt het salaris van de advocaat in beginsel begroot volgens het liquidatietarief, waarbij het bedrag van de te liquideren kosten afhankelijk is van de verrichte werkzaamheden en het belang van de zaak. Voor de verrichte werkzaamheden, te weten het indienen van de vorderingen en het bijwonen van de inhoudelijke zittingen, worden drie punten toegekend. De kosten vanwege het belang van de zaak worden conform de Liquidatietarieven Kanton 2019 begroot op € 300,00. De rechtbank wijst de vordering van

[moeder slachtoffer] dus toe tot een bedrag van € 900,00 (3x € 300,00).

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat het gebrek aan draagkracht onvoldoende is onderbouwd.

Zij zal met betrekking tot de vorderingen van [partner slachtoffer] en [moeder slachtoffer] die (gedeeltelijk) zijn toegewezen de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr dan ook opleggen, aangezien verdachte jegens hen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die hen is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast
berust deze beslissing op de artikelen 36b, 36c en 57 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: doodslag;

feit 2

het misdrijf: een lijk wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (pistool) en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie);

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (revolver) en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie);

feit 5

het misdrijf: diefstal;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte in verminderde mate strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partijen [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] ,

[kind 3 slachtoffer] , [vader slachtoffer] , [zus slachtoffer] en [broer slachtoffer] in het niet-ontvankelijk zijn in hun vordering van de immateriële schade. Zij kunnen hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen;

- wijst af de vordering van de benadeelde partijen [kind 1 slachtoffer] , [kind 2 slachtoffer] en [kind 3 slachtoffer] voor wat betreft de vordering van materiële schade van

€ 1.500,00;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [partner slachtoffer] van een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 februari 2018 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 25.000,00 niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [moeder slachtoffer] van een bedrag van € 14.410,50 (veertienduizend vierhonderdentien euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 maart 2018 tot de dag van algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] voor wat betreft de reiskosten van € 1.343,16 af;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 14.410,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 107 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 25.000,00 niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van de proceskosten van

€ 900,00;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, vermeld op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder de nummers 1 en 2.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. B.T.C.

Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder en C. van Dam MSc, griffiers,

en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

C. van Dam MSc is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met dossiernummer ONRAB18003 en BVH-nummer 08/910004-18 (onderzoek Kaapverdië). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal sporenonderzoek van 5 april 2018, p. 70-76 (forensisch dossier, ordner 1).

3 Een geschrift, zijnde een schouwverslag van forensisch arts C.J. de Leeuw, van GGD IJsselland, p. 313-314 en een proces-verbaal van dactyloscopisch onderzoek van 19 februari 2018, p. 318 (forensisch dossier, ordner 1).

4 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ‘pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 8 mei 2018, p. 435-442 (forensisch dossier, ordner 1).

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 18 februari 2018, p. 56 (persoonsdossier).

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2019, p. 4-5.

7 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek HTC One M9 i.g.b. [getuige] van 28 mei 2018, p. 541-543 (zaaksdossier 1, ordner 2).

8 Proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2019, p. 4.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 februari 2018, p. 67, 73-75 (persoonsdossier).

10 Proces-verbaal sporenonderzoek van 5 juli 2018, p. 176 (forensisch dossier, ordner 1).

11 Proces-verbaal sporenonderzoek van 8 maart 2018, p. 107 (forensisch dossier, ordner 1).

12 Proces-verbaal sporenonderzoek van 30 juli 2018, p. 302-305 (forensisch dossier, ordner 1).

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 april 2018, p. 200 (zaaksdossier 2).

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 maart 2018, p. 172 (zaaksdossier 2).

15 Proces-verbaal zoeking wapen en munitie Kanaaldijk te Koedijk van 24 februari 2018, p. 401-404 (zaaksdossier 1, ordner 2).

16 Proces-verbaal onderwaterzoeking van 25 februari 2018, p. 406-407 (zaaksdossier 1, ordner 2).

17 Proces-verbaal van bevindingen zoeking Noordhollandsch Kanaal te Koedijk van 11 april 2018, p. 408-409 (zaaksdossier 1, ordner 2).

18 Proces-verbaal sporenonderzoek van 5 juli 2018, p. 176 en 182 (forensisch dossier, ordner 1).

19 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ‘pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 8 mei 2018, p. 439 (forensisch dossier, ordner 1).

20 Een geschrift, zijnde een sporenlijst van 3 september 2018, p. 47 (forensisch dossier, ordner 1).

21 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ‘wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Zwolle op 7 februari 2018’ van 5 september 2018, p. 675-690 (forensisch dossier, ordner 2).

22 Proces-verbaal van de terechtzitting van 15 oktober 2019.

23 Rapport NFI ‘Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Zwolle op 7 februari 2018’ van 4 september 2018, p. 624-646 (forensisch dossier, ordner 2).

24 Rapport NFI ‘Beantwoording vragen naar aanleiding van een dodelijk schietincident in Zwolle op 7 februari 2018’ van 18 september 2019, p. 5/7.

25 Een geschrift, zijnde een sporenlijst van 3 september 2018, p. 41-42 (forensisch dossier, ordner 1).

26 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Zwolle op 17 februari 2018’ van 22 mei 2018, p. 568-569 (forensisch dossier, ordner 2).

27 Rapport NFI ‘Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Zwolle op 7 februari 2018’ van 4 september 2018, p. 624-646 (forensisch dossier, ordner 2).