Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3958

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
08-760022-19 en 08-730450-17 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 19-jarige man uit Almelo is veroordeeld tot een onvoorwaardelijk celstraf van 27 maanden. Hij pleegden met anderen een gewelddadige overval in Almelo.

Het slachtoffer dacht dat hij een afspraak had met een meisje, maar in werkelijkheid wachtte er een groepje mannen op hem die hem onder bedreiging van wapens dwongen om onder andere zijn portemonnee en telefoon te geven en te pinnen.

De man moet een schadevergoeding betalen van bijna 3.400 euro en nog 30 dagen jeugddetentie uitzitten van een eerder opgelegde straf. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2019:3961 en ECLI:NL:RBOVE:2019:3962 voor uitspraken medeverdachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08-760022-19 en 08-730450-17 (TUL) (P)

Datum vonnis: 29 oktober 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de BRP op het adres: [adres] ,

nu verblijvende in de PI Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 mei 2019, 19 augustus 2019 en 15 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Ruessink en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking houdt, na een nadere omschrijving van de tenlastelegging van 15 oktober 2019, kort en zakelijk weergegeven, in dat verdachte:

feit 1: met anderen met geweld en bedreiging van geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van verschillende goederen en gegevens;

feit 2: met anderen [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd;

feit 3: met anderen € 500,-- van de bankrekening van [slachtoffer] heeft opgenomen met diens gestolen pinpas.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode 8 april 2018 tot en met 13 april 2018 in de gemeente Almelo, althans in ieder geval in Nederland, op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 500 euro, en/of de bankpas en/of bijbehorende pincode en/of de code van de mobiele telefoon en/of de code van de Rabobank app en/of een pakje sigaretten en/of twee pakjes kauwgom, en/of audio-oortjes en/of een portemonnee inhoudende diverse passen en muntgeld en/of een rugzak en/of een telefoon (merk Huawei), in ieder geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig(e) goed(eren),geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- met voornoemde [slachtoffer] via Random chat een afspraak heeft/hebben gemaakt,

- naar die [slachtoffer] , is/zijn gelopen, en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest meelopen en/of een boksbeugel, in ieder geval een dergelijk voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond,

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij zijn zakken leeg moest maken en al zijn spullen moest inleveren, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- die [slachtoffer] (volledig) heeft/hebben gefouilleerd,

- die [slachtoffer] van achteren tegen zijn been heeft/hebben geschopt/getrapt,

- ( vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Doorlopen nu" in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of die [slachtoffer] heeft/hebben meegenomen naar een steeg,

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd hoe hij zich moest gedragen als zij iemand tegen zouden komen en/of dat als die [slachtoffer] weg zou rennen, ze hem zouden pakken, ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest pinnen en/of dat ze anders een stuk van zijn penis af zouden snijden, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer] en/of dat vuurwapen meermalen heeft/hebben doorgeladen, in ieder geval de slede naar achteren heeft/hebben gehaald, en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij niet bang was om het vuurwapen te gebruiken, hij had namelijk al een aantal jaren gezeten, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- dat vuurwapen tegen de slaap en/of in de rug van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet en/of gezet gehouden,

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen het pinlimiet van zijn bankrekening te verhogen, en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen in een voertuig te stappen en/of op een fiets te stappen en/of (vervolgens) met die [slachtoffer] is/zijn gaan rijden,

- een mes, in ieder geval een dergelijk (steek)voorwerp aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of dat mes op de borst van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet en/of gehouden, en/of

- ( vervolgens) de adresgegevens en/of pincode van de mobiele telefoon en/of de bankpas en/of de Rabobank-app heeft/hebben gevraagd;

2

hij op een of meer tijdstippen, op of omstreeks 12 april 2018, in de gemeente Almelo, althans in ieder geval in Nederland, op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s)

- naar voornoemde [slachtoffer] , gelopen en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij moest meelopen en/of aan die [slachtoffer] een boksbeugel, in ieder geval een dergelijk voorwerp, getoond,

- ( vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd: "Doorlopen nu" in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of die [slachtoffer] meegenomen naar een steeg,

- tegen die [slachtoffer] gezegd hoe hij zich moest gedragen als zij iemand tegen zouden komen en/of dat als die [slachtoffer] weg zou rennen, ze hem zouden pakken, ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond aan voornoemde [slachtoffer] en/of dat vuurwapen meermalen doorgeladen, in ieder geval de slede naar achteren gehaald, en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij niet bang was om het vuurwapen te gebruiken, hij had namelijk al een aantal jaren gezeten, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- dat vuurwapen tegen de slaap en/of in de rug van die [slachtoffer] gezet en/of gezet gehouden,

- die [slachtoffer] gedwongen in een voertuig te stappen en/of op een fiets te stappen en/of (vervolgens) met die [slachtoffer] gaan rijden, en/of

- een mes, in ieder geval een dergelijk (steek)voorwerp aan die [slachtoffer] getoond en/of dat mes op de borst van die [slachtoffer] gezet en/of gehouden,

waardoor die [slachtoffer] gedurende langere tijd niet vrij was om zelf te beslissen te gaan en staan in een richting die hij zelf wilde;

3

hij op of omstreeks 13 april 2018 in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening met behulp van een bankpas (Rabobank) ten name van [slachtoffer] heeft weggenomen een geldbedrag van 500 Euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of tot de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door de (geheime) pincode van voornoemde bankpas te gebruiken, terwijl hij en/of zijn mededader(s) door de rekeninghouder van de bankpas niet tot dat gebruik gerechtigd of gemachtigd was, in ieder geval door middel van een valse sleutel.

3 De voorvragen

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van [medeverdachte 1] niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, omdat hij belang had om belastend over verdachte te verklaren. Daarnaast is het signalement dat aangever heeft gegeven van man 5, de persoon die verdachte volgens de politie zou zijn, te zeer afwijkend van de uiterlijke kenmerken van verdachte. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat onduidelijk is wie heeft gepind met de pinpas van aangever (feit 3). Het pinnen heeft enkele uren na de andere feiten plaatsgevonden en er is geen bewijs dat verdachte hierbij betrokken is geweest. Daarom dient verdachte van feit 3 te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Verklaring aangever

In zijn aangifte heeft [slachtoffer] onder meer het volgende verklaard.2 Via de dating-app Random Chat kwam hij op 8 april 2018 in contact met iemand met de gebruikersnaam ‘ [naam 1] ’. Op 12 april 2018 vroeg [naam 1] hem om een ontmoeting en ze spraken die dag om 21:00 uur af op het treinstation in Almelo. Toen aangever daar arriveerde stond er bij de uitgang van het station een groep jongeren bij een cafetaria. Een aantal personen uit die groep liep naar aangever toe. Van één van deze mannen, man 1, moest aangever meelopen. In totaal liepen vier jongens met aangever mee. Man 1 liet aangever een boksbeugel zien en zei dat hij zijn zakken leeg moest maken en al zijn spullen moest inleveren. Aangever heeft zijn zwarte Huawei-telefoon, zijn Eastpak-rugtas en zijn portemonnee afgegeven. In de portemonnee zaten een bankpas, een zorgpas, een studentenkaart, een ov-chipkaart en muntgeld. Ook heeft aangever een pak sigaretten, twee pakken kauwgom en audio-oortjes afgegeven. Man 1 fouilleerde hem volledig. Toen ze verder liepen schopte man 1 hem van achteren tegen zijn been en zei: ‘doorlopen, nu’. Met drie mannen moest aangever een steeg inlopen. Daar werd tegen hem gezegd hoe hij zich moest gedragen als ze iemand tegen zouden komen en dat ze hem zouden pakken als hij zou wegrennen. Vervolgens zei één van de mannen, man 3, tegen aangever dat hij € 500,-- moest pinnen en dat hij anders een stuk van zijn penis zou afsnijden. Het pinnen mislukte, omdat het saldo op de bankrekening van aangever ontoereikend was. Toen kwam er een man, man 5, aanfietsen met een Random Reader. Man 5 pakte een grijs/zilverkleurig vuurwapen uit de binnenzak van zijn jas. Aangever heeft hierover verder verklaard: ‘Man 5 heeft de slede een aantal keren naar achteren gehaald. Ook zei man 5 dat hij niet bang was om het vuurwapen te gebruiken, hij had namelijk al een aantal jaren gezeten. Hij drukte vervolgens het vuurwapen tegen mijn linkerslaap’. Aangever moest via de Rabobank-app op zijn telefoon zijn limiet veranderen (de rechtbank begrijpt: de pinlimiet van zijn bankrekening verhogen) en op de fiets van man 5 naar de pinautomaat fietsen, terwijl man 5 bij hem achterop zat. Opnieuw mislukte het pinnen. Aangever moest in een personenauto stappen en ze reden naar een andere pinautomaat. Daar mislukte het pinnen weer vanwege een ontoereikend saldo. Vervolgens heeft aangever over één van de mannen, man 3, verklaard: ‘hij heeft mij gevraagd naar mijn adresgegevens, pincode van mijn mobiele telefoon, pincode van mijn bankpas, code van de Rabobank App. Dit deed hij onder bedreiging van een mes, welke op mijn borst stond. Deze hield man 3 stevig vast’. Vervolgens is aangever naar het station gerend. Die nacht, op 13 april 2018 tussen 04:09:42 en 04:12:26 uur, is er in totaal € 500,-- gepind van de bankrekening van verdachte.

Verklaring [medeverdachte 1]

heeft verklaard dat hij die avond bij het cafetaria bij het station van Almelo was.3 Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hem bij het cafetaria vroegen om een tas (‘ik denk een zwarte Eastpack. Het leek daarop4) voor hen vast te houden.5 Later op de avond heeft hij die tas aan hen terug gegeven.6

Onderzoek mobiele telefoon verdachte

[verbalisant 1] heeft onderzoek gedaan naar de veiliggestelde data uit de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon, een Samsung SM-J700F, en verklaart hierover het volgende.7In de image (..) zag ik aan de hand van de metadata dat er op 12 april 2018 op de tijdstippen 23:37:11 uur, 23:37:17 uur, 23:27:27 uur, 23:27:33 uur, 23:42:26 uur en 23:42:27 uur een twaalftal foto’s zijn gemaakt van een zwarte mobiele telefoon, waarop het merk ‘Huawei’ op de achterzijde zichtbaar is. Deze afbeeldingen zijn volgens de metadata gemaakt met een Samsung SM-J700F. Verder is er blijkens de metadata op 10 april 2018 om 22:42:27 een foto gemaakt waarop ik een zilverkleurig pistool, met een zwart handvat zag. Uit de metadata blijkt dat deze afbeelding eveneens is gemaakt met een Samsung SM-J700F’. En: ‘Ik zag dat op 12 april 2018 vanaf 21:23:30 uur tot met 21:25:29 uur vanaf het

telefoontoestel van [verdachte] de hieronder vermelde berichten werden verstuurd naar het telefoonnummer: [telefoonnummer] behorende bij contact ‘ [naam 2] ’.

(...) Julie

(...) Moeten

(...) Zijn limiet

(...) Uitzetten

(...) Dan kan hij in de min’.

Verder verklaart de verbalisant: ‘Ik zag in de image van de telefoon van verdachte op 13 april 2018 omstreeks 22:56 uur de volgende berichtenwisseling, waarbij vanaf het telefoontoestel van verdachte aan contact ‘ [naam 2] ’, opgeslagen onder het telefoonnummer [telefoonnummer] , onder meer de volgende berichten zijn

verstuurd:

(...) Je hebt mijn rabo scanner alles gebruikt

(...) Ik ben gaan bike met die guy auto gefixt alles keal

Tot slot verklaart de verbalisant: ‘Ik zag in de image van de telefoon van verdachte een videofragment dat blijkens de daarbij behorende ‘file info’ op 12 april 2018 om 22:04:05 is aangemaakt. Ik zag verder dat in de bestandsnaam bij dit videofragment de cijferreeks ‘2018041 2_220405’ zat. Deze cijferreeks correspondeert met de datum/tijdstip 12 april 2018 om 22:04:05, zijnde de ‘created date’ van dit videofragment. Verder zag ik dat dit videobestand is opgeslagen in de map ‘DCIM’, waarin normaliter foto- en videobestanden worden opgeslagen die afkomstig zijn van de eigen camera. Bij het afspelen van dit videofragment zag ik een persoon die ik, aan de hand van de foto’s in het dossier, herken als zijnde aangever [slachtoffer] . Ik zag op het videofragment dat aangever [slachtoffer] op de fiets zit en dat hij in beweging is. Ik hoor bij het afspelen van dit filmpje dat aangever [slachtoffer] wordt toegesproken. Ik zag dat aangever [slachtoffer] van achteren – vanaf de rechterzijde – is opgenomen. Ik hoorde dat er tegen [slachtoffer] werd gezegd: “Hey luister. Jij gaat die mattie van mij pijpen he. Ja he? Hij gaat jou ook in je kont neuken toch? Nadat je ons die twee koppen hebt gegeven.”

Camerabeelden geldopname

[verbalisant 2] heeft op de camerabeelden van de Rabobank aan [straat] in Almelo waargenomen dat een persoon die zijn gezicht bedekt op 13 april 2018 tussen 04:09 en 04:13 uur vijf keer een bedrag van € 100,-- pint van de rekening van aangever.8

Bewijsoverwegingen

Met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte op twee verschillende momenten de beschikking over de tas van aangever heeft gehad en dat op zijn mobiele telefoon meerdere afbeeldingen en berichten én een videofragment zijn aangetroffen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten blijkt. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat deze afbeeldingen, berichten en het videofragment niet door verdachte zijn gemaakt. Verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak weliswaar verklaard dat hij de betreffende telefoon leent van zijn zus en zelf ook weer uitleent aan anderen. Hij heeft deze verklaring echter op geen enkele wijze nader aannemelijk gemaakt en ook niet concreet verklaard dat hij de telefoon tijdens de ten laste gelegde feiten uitgeleend had. Daarnaast zijn de afbeeldingen, berichten en het videofragment vervaardigd op uiteenlopende tijdstippen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte deze heeft gemaakt.

Met zijn handelen heeft verdachte zonder meer een wezenlijke bijdrage geleverd aan de ten laste gelegde feiten. Daarnaast volgt uit de verklaring van aangever dat alle daders moeten hebben geweten van de afpersing en dat er tussen hen zó nauw en bewust werd samengewerkt, dat ten aanzien van alle feiten ook sprake is van medeplegen door alle daders. De handelingen van de mededaders kunnen verdachte worden aangerekend (en andersom), ook waar het gaat om handelingen die slechts door één van hen feitelijk zijn verricht.

Verdachte en zijn mededaders hebben aangever gedwongen tot de afgifte van verschillende goederen en gegevens (feit 1) en hebben hem wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden (feit 2). Ondanks dat niet is komen vast te staan wie met de gestolen pinpas het geld van de bankrekening van aangever heeft opgenomen (feit 3), is de rechtbank daarnaast van oordeel dat dit feit in een zo nauw verband staat met de andere feiten dat verdachte ook ten aanzien van dit feit als medepleger moet worden beschouwd. Gedwongen door verdachte en zijn mededaders heeft aangever immers zijn bankpas en pincode moeten afstaan (feit 1), nadat hij driemaal tevergeefs had geprobeerd om onder dwang geld op te nemen. Met die bankpas en pincode is nog diezelfde nacht – slechts enkele uren later –
vijf keer € 100,-- van de bankrekening van aangever opgenomen (feit 3).

Op grond van de afbeeldingen, berichten en het videofragment die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen moet volgens de rechtbank worden vermoed dat verdachte degene is die door aangever in zijn verklaring wordt omschreven als man 5. Door de raadsman is betoogd dat verdachte niet man 5 kan zijn, omdat de uiterlijke kenmerken van verdachte te zeer afwijken van het signalement van man 5 waarover de aangever heeft verklaard. Over man 5 heeft aangever verklaard: ‘donker getinte huidskleur’, ‘donker krullend, lang haar, beetje Afro type’ en ‘onverzorgde sik’. De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van man 5 door aangever – die vrij algemeen is en ruimte laat voor verschillende interpretaties – niet zodanig afwijkend is van de uiterlijke kenmerken van verdachte dat verdachte als dader zou moeten worden uitgesloten. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , die over beelden van vermoedelijk 5 maart 2018 op pagina 205 van het proces-verbaal verklaart: ‘ik zag dat verdachte [verdachte] (half)lang haar droeg en dat hij een onverzorgde baard had’. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaring van aangever blijkt dat hij veel stress heeft ervaren ten tijde van de feiten, dat de feiten werden gepleegd door meerdere daders – aangever heeft van vijf personen signalementen gegeven – en dat de feiten grotendeels in het donker hebben plaatsgevonden op voor aangever onbekende locaties. De rechtbank acht het goed voorstelbaar en zelfs logisch dat deze omstandigheden van invloed zijn geweest op de precisie en adequaatheid van de door aangever gegeven signalementen.

De rechtbank is verder van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] geloofwaardig is en als bewijsmiddel kan dienen. Zo vindt zijn verklaring steun in het bericht dat [medeverdachte 1] die avond naar medeverdachte [verdachte] heeft gestuurd (‘Waar is [medeverdachte 2] wij moeten die tas geven’, weergegeven op pagina 204 van het proces-verbaal) en belast [medeverdachte 1] niet alleen verdachte maar ook zichzelf in zijn verklaring. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1

hij in de periode van 8 april 2018 tot en met 13 april 2018 in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas en bijbehorende pincode en de code van de mobiele telefoon en de code van een Rabobank app en een pak sigaretten en twee pakjes kauwgom en audio-oortjes en een portemonnee inhoudende diverse passen en muntgeld en een rugzak en een telefoon (merk Huawei), geheel toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- met voornoemde [slachtoffer] een afspraak heeft/hebben gemaakt,

- naar die [slachtoffer] , is/zijn gelopen en tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest meelopen en een boksbeugel aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond,

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij zijn zakken leeg moest maken en al zijn spullen moest inleveren,

- die [slachtoffer] volledig heeft/hebben gefouilleerd,

- die [slachtoffer] van achteren tegen zijn been heeft/hebben geschopt,

- vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Doorlopen nu" en die [slachtoffer] heeft/hebben meegenomen naar een steeg,

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd hoe hij zich moest gedragen als zij iemand tegen zouden komen en dat als die [slachtoffer] weg zou rennen, ze hem zouden pakken,

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest pinnen en dat ze anders een stuk van zijn penis af zouden snijden,

- een vuurwapen heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer] en de slede naar achteren heeft/hebben gehaald, en tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij niet bang was om het vuurwapen te gebruiken, hij had namelijk al een aantal jaren gezeten,

- dat vuurwapen tegen de slaap van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet,

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen de pinlimiet van zijn bankrekening te verhogen, en

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen in een voertuig te stappen en op een fiets te stappen en vervolgens met die [slachtoffer] is/zijn gaan rijden,

- een mes aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en dat mes op de borst van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet, en

- vervolgens de adresgegevens en pincode van de mobiele telefoon en de bankpas en de Rabobank-app heeft/hebben gevraagd;

2

hij op 12 april 2018, in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- naar voornoemde [slachtoffer] gelopen en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij moest meelopen en/of aan die [slachtoffer] een boksbeugel getoond,

- ( vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd: "Doorlopen nu" en die [slachtoffer] meegenomen naar een steeg,

- tegen die [slachtoffer] gezegd hoe hij zich moest gedragen als zij iemand tegen zouden komen en dat als die [slachtoffer] weg zou rennen, ze hem zouden pakken,

- een vuurwapen getoond aan voornoemde [slachtoffer] en de slede naar achteren gehaald en tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij niet bang was om het vuurwapen te gebruiken, hij had namelijk al een aantal jaren gezeten,

- dat vuurwapen tegen de slaap van die [slachtoffer] gezet,

- die [slachtoffer] gedwongen in een voertuig te stappen en op een fiets te stappen en vervolgens met die [slachtoffer] gaan rijden, en

- een mes aan die [slachtoffer] getoond en dat mes op de borst van die [slachtoffer] gezet, waardoor die [slachtoffer] gedurende langere tijd niet vrij was om zelf te beslissen te gaan en staan in een richting die hij zelf wilde;

3

hij op 13 april 2018 in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening met behulp van een bankpas (Rabobank) ten name van [slachtoffer] heeft weggenomen een geldbedrag van 500 Euro, toebehorende aan die [slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door de (geheime) pincode van voornoemde bankpas te gebruiken, terwijl hij en/of zijn mededader(s) door de rekeninghouder van de bankpas niet tot dat gebruik gerechtigd of gemachtigd was.

De rechtbank heeft in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 282, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hoewel de strekking van de strafbepalingen voor vrijheidsberoving (artikel 282 Sr) en afpersing (artikel 317 Sr) enigszins uiteenlopend zijn, overweegt de rechtbank dat in de onderhavige zaak de vrijheidsberoving (feit 2) geheel inherent is aan de bedreiging met geweld waarmee de afpersing (feit 1) werd gepleegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 1 en feit 2. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

feit 1

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

feit 2

het misdrijf: iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 3:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de mobiele telefoon van verdachte verbeurd te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de gevorderde straf te fors is in vergelijking met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en dat rekening moet worden gehouden met artikel 63 Sr en met de jonge leeftijd van verdachte. Wat de raadsman betreft wordt de mobiele telefoon aan verdachte teruggegeven, omdat er onvoldoende verband is met de strafbare feiten en de telefoon in beslag is genomen in een ander onderzoek.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Samen met anderen heeft verdachte het slachtoffer met geweld en bedreiging met geweld gedwongen tot de afgifte van verschillende goederen en gegevens, hem wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden en vervolgens nog € 500,-- van zijn bankrekening gepind. In de veronderstelling dat hij een afspraak met een meisje had is het slachtoffer naar Almelo gereisd. Daar werd hij echter opgewacht door een groep mannen en gedwongen met hen mee te gaan. In een voor het slachtoffer onbekende omgeving, moest hij onder bedreiging van een boksbeugel, mes en vuurwapen zijn goederen afgeven en geld pinnen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt welke impact dit op het leven van het slachtoffer heeft gehad, en nog steeds heeft.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van 11 juli 2019. Daaruit blijkt dat verdachte niet langer gemotiveerd is voor hulpverlening binnen een gedwongen kader. Verdachte is ervan overtuigd dat hij de benodigde hulp zelf kan organiseren als hij vrij is. De reclassering ziet geen beschermende factoren in het leven van verdachte die de kans op recidive zouden kunnen verminderen en heeft ernstige zorgen over verdachte. Hoewel verdachte zegt bij zijn vader te kunnen wonen is hij feitelijk dakloos, heeft hij geen werk, geen dagbesteding, geen inkomen en zijn er zorgen over zijn cannabisgebruik en sociale netwerk. Geadviseerd wordt hem een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank neemt de conclusies van de reclassering over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie van 28 augustus 2019. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Voorwaardelijke veroordelingen – waaronder die van 15 maart 2018, dus enkele weken voor het begaan van de onderhavige feiten – hebben verdachte er niet van weerhouden de bewezen verklaarde feiten te begaan.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie te fors is, gelet op de straffen die zijn opgelegd in een aantal zaken die volgens hem vergelijkbaar zijn. In tegenstelling tot de zaken die door de raadsman naar voren zijn gebracht is in de onderhavige zaak echter sprake van een grotere groep die de feiten heeft begaan. Dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Ook is in een aantal van de bedoelde zaken sprake van een verminderd toerekeningsvatbare en/of minderjarige dader. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank – naast straffen in vergelijkbare zaken – ook rekening gehouden met de straf die aan [medeverdachte 2] (08-760024-19) wordt opgelegd. Gezien verdachtes justitiële documentatie en het gebruik van een vuurwapen ziet de rechtbank aanleiding om hem een hogere straf op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 30 maanden in beginsel passend en geboden.

Echter blijkt uit het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie dat hij op 21 januari 2019 door de meervoudige kamer van deze rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren voor afpersing in vereniging en overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Op grond van artikel 63 Sr dient de rechtbank rekening te houden met de hoogte van deze eerder opgelegde straf, nu de onderhavige feiten zijn gepleegd vóór deze veroordeling. Daarom zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

7.4

Verbeurdverklaring mobiele telefoon

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen en ook uit de verdere verklaring van aangever blijkt dat de daders tijdens de feiten gebruik hebben gemaakt van mobiele telefoons. Zo heeft het er alle schijn van dat verdachte door zijn mededaders is gebeld om een Random Reader te komen brengen, zijn er ten tijde van de feiten door verdachte met de telefoon berichten verzonden over het uitzetten van de limiet van aangever waardoor hij in de min kan en zijn er meerdere afbeeldingen, berichten en een videobestand aangetroffen op de telefoon die aan de bewezen verklaarde feiten te relateren zijn. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de mobiele telefoon van verdachte kan worden aangemerkt als voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan (artikel 33a lid 1 onder c Sr). Deze mobiele telefoon zal dan ook verbeurd worden verklaard.

Dat de mobiele telefoon van verdachte in beslag is genomen in een ander onderzoek en niet in de onderhavige zaak, zoals door de raadsman is aangevoerd, is niet relevant nu uit de wet niet volgt dat beslag een vereiste is voor verbeurdverklaring.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich – via zijn gemachtigde raadsman mr. E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem – als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 21.763,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    € 72,31 voor reis- en parkeerkosten voor bezoeken aan Slachtofferhulp Nederland, de raadsman en het Openbaar Ministerie;

  • -

    € 11,-- voor een nieuwe ov-chipkaart;

  • -

    € 34,99 voor de weggenomen hoofdtelefoon;

  • -

    € 8,--, welk bedrag de benadeelde partij voor zijn treinreis moest betalen omdat zijn OV-chipkaart was weggenomen;

  • -

    € 289,-- voor de weggenomen telefoon en de simkaart;

  • -

    € 453,15 voor behandelingen van een psycholoog;

  • -

    € 20.875,-- voor opgelopen studievertraging;

  • -

    € 20,--, voor de inhoud van zijn weggenomen portemonnee.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,-- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat – als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – de

benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de post voor studievertraging, omdat onduidelijk is gebleven of de benadeelde partij daadwerkelijk studievertraging heeft opgelopen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht.

Door de verdediging is betwist dat sprake is van studievertraging. Ter onderbouwing van de vordering op dit punt is door de benadeelde partij een decanenverklaring van 1 november 2018 meegezonden, waarin onder meer wordt vermeld dat de benadeelde partij ‘naar alle waarschijnlijkheid’ een jaar studievertraging oploopt. Verder wordt in de schriftelijke slachtofferverklaring door de benadeelde partij opgemerkt dat hij ook daadwerkelijk een jaar studievertraging heeft opgelopen. Hoewel de rechtbank bepaald niet wil uitsluiten dat dit inderdaad het geval is, heeft de benadeelde partij deze laatste stelling niet nader onderbouwd (met bijvoorbeeld een nieuwe decanenverklaring). In het licht van de betwisting door de verdediging is de rechtbank van oordeel dat met de huidige onderbouwing niet genoegzaam aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij een jaar studievertraging heeft opgelopen. Een nader onderzoek naar de opgelopen studievertraging zou schorsing van de behandeling ter zitting vereisen en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze post daarom niet-ontvankelijk verklaren.

De overige schadeposten zijn door de verdediging niet betwist. Met uitzondering van de schadepost voor ‘inhoud van de portemonnee’ zijn deze posten voldoende onderbouwd en aannemelijk, en zullen daarom worden toegewezen. Wat betreft de schadepost voor ‘inhoud van de portemonnee’ wordt in de vordering vermeld dat het de benadeelde partij onduidelijk was hoeveel contant geld hij exact op zak had en dat het bedrag wordt geschat op € 20,--. De benadeelde partij heeft in zijn aangifte echter verklaard dat er ‘ongeveer acht a negen euro muntgeld’ is weggenomen (pagina 21 van het proces-verbaal). Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat deze post kan worden toegewezen tot het bedrag dat in de aangifte is genoemd (€ 9,--) en voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Een nader onderzoek zou immers schorsing van de behandeling ter zitting vereisen en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De toe te wijzen posten zal de rechtbank vermeerderen met de wettelijke rente, wat betreft de materiële posten weggenomen hoofdtelefoon en inhoud portemonnee (totaal € 43,99) en de post voor immateriële schade (€ 2.500,--) vanaf 12 april 2018. Ten aanzien van de overige posten is onduidelijk gebleven op welke datum de schade exact is ontstaan voor de benadeelde partij. Nader onderzoek hiernaar – bijvoorbeeld door het opvragen van bankafschriften – zou schorsing van de behandeling ter zitting vereisen en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Vast staat dat deze schade in ieder geval was geleden ten tijde van de inhoudelijke behandeling. Daarom zal ten aanzien van deze posten (in totaal € 833,46) 15 oktober 2019 als kapitalisatiedatum worden genomen.

Omdat is voldaan aan de vereisten voor hoofdelijke aansprakelijkheid zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal ten behoeve van de benadeelde partij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in de zaak met parketnummer 08-730450-17.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat de vordering dient te worden afgewezen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van de kinderrechter van 31 oktober 2017 is verdachte onder meer veroordeeld tot 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14j, 33, 33a, 55, 57, 77dd en 77ee Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

feit 2

het misdrijf: iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 3:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 3.377,45 (als volgt te vermeerderen met de wettelijke rente: over een bedrag van € 2.543,99 vanaf 12 april 2018 en een bedrag van € 833,46 vanaf 15 oktober 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.377,45 – als volgt te vermeerderen met de wettelijke rente: over een bedrag van € 2.543,99 vanaf 12 april 2018 en een bedrag van € 833,46 vanaf 15 oktober 2019 – ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 43 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verbeurd verklaring mobiele telefoon

- verklaart verbeurd de mobiele telefoon van verdachte (te weten: een Samsung SM-J700F Galaxy J7 met imei-nummer [nummer] );

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank van 31 oktober 2017 met parketnummer 08-730450-17 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. J. Corthals, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

mr. J.P. Ponsteen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON2R018068 (onderzoek: ARNO) Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina 18 tot en met 26.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 366, eerste alinea en pagina 367, tweede alinea.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 367, zevende alinea.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 366, elfde en dertiende alinea, en pagina 367, vierde alinea.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 366, zesde alinea.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 202 tot en met pagina 206.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 251.