Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3779

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
ak_19 _ 1686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij dit verzoek onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ontbreekt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1686

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[A] , te [plaats 1] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats 2] , verweerder,

gemachtigde: L.G. Pak.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [B], wonende te [plaats 2] .

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 5 woningen op de locatie [adres 1] in [plaats 1] .

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019. Verzoeker is verschenen, Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Het perceel aan de [adres 1] in [plaats 1] ligt in het bestemmingsplan “ [plaats 1] ”, herziening [adres 1] ”en heeft hierin de bestemming “Wonen”.

Het plan maakt de bouw van zes woningen mogelijk op percelen aan de [adres 1] en de [adres 2] in [plaats 1] . Op de locatie stond een voormalige boerderij met bijbehorende bebouwing. De boerderij en overige bebouwing zijn inmiddels gesloopt.

4. Ter zitting heeft de derde-partij meegedeeld dat er al drie woningen zijn gebouwd waarop dakplaten zijn aangelegd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij komt dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat de commissie bezwaarschriften inmiddels heeft geadviseerd en dat een besluit op bezwaar binnen twee of drie weken kan worden verwacht.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat bij dit verzoek onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ontbreekt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

7. Ten overvloede wenst de voorzieningenrechter nog op te merken dat verzoeker met name heeft aangevoerd dat de woningen te dicht aan het voetpad/parkeerhaven worden gebouwd en de voorgevel een afstandsruimte heeft van 1.80 meter van het openbare voetpad direct aansluitend aan de parkeerhavens, terwijl in de gehele [adres 2] een ruimte is vrijgelaten van 5 meter. Verzoeker is stellig van mening dat deze parkeerhavens in de toekomst bij de percelen van de dan aanwezige woningen zullen worden getrokken en hierdoor de continuïteit van de parkeerhavens voor de gemeenschap niet gewaarborgd blijft. Verder voldoet het aantal bijgevoegde parkeerplaatsen niet aan de bestaande richtlijnen.

De voorzieningenrechter merkt op dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 23 mei 2019 (registratienummer: 201901892/2/R3) verzoeker hierin niet heeft gevolgd. Daarbij komt, zoals de gemachtigde van verweerder in zijn brief van 19 september 2019 en ter zitting heeft herhaald, dat indien zou worden besloten tot een planologische wijziging ten aanzien van de aanleg van parkeerplaatsen, hiervoor een nieuwe planologische procedure zal moeten worden gevolgd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.