Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3778

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
C/08/229228 / ES RK 19-930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank stelt behoefte vrouw vast aan de hand van een behoeftelijst. Limitering alimentatieduur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/229228 / ES RK 19-930

beschikking van 30 september 2019

inzake

[A] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [plaats 1] ,

verzoeker,

advocaat: mr. T. Meier,

en

[M] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [plaats 2] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. M.H.O. de Haas.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 25 februari 2019;

- het exploot van de betekening van 6 maart 2019;

- het verweer, tevens houdende zelfstandig verzoek, binnengekomen op 7 mei 2019;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 3 juni 2019;

- een op 19 augustus 2019 binnengekomen brief van mr. Meier van 16 augustus 2019 met bijlagen;

- een op 20 augustus 2019 binnengekomen brief van mr. De Haas van 15 augustus 2019 met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Ter zitting zijn verschenen: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 9 september 2014 te [plaats 1] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

4 Het verweer, tevens houdende zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met € 750,- per maand.

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

Naar de mening van de man dient het zelfstandig verzoek van de vrouw te worden afgewezen.

Hij persisteert voor het overige.

6 De beoordeling

De ontvankelijkheid

6.1.

Bij de betekening van het verzoekschrift zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen. De in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek.

De echtscheiding

6.2.

Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

De bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw

De behoefte

6.3.

De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

6.4.

De rechtbank overweegt dat de hoogte van de behoefte van de vrouw mede is gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat de echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

6.5.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man dat voor de berekening van de behoefte van de vrouw kan worden uit gegaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen (de zogenaamde “hofnorm”), heeft de vrouw haar welstandsgerelateerde behoefte aan de hand van een behoeftelijstje (productie 6 van de vrouw) gesteld op afgerond € 2.814,12 netto per maand.

6.6.

De man heeft verscheidende posten van die behoefteberekening en ook van de (lagere) behoefteberekening die hij als productie 1 heeft overgelegd, betwist, en gesteld dat de behoefte van de vrouw maximaal € 1.742,25 netto per maand is.

6.7.

De rechtbank oordeelt als volgt. Onweersproken is dat de behoeftelijst van de vrouw die de man als productie 1 heeft overgelegd, dateert uit de tijd dat partijen net uit elkaar waren en gesprekken bij de mediator voerden. De vrouw heeft als productie 6 een andere behoeftelijst met een hogere behoefte overgelegd.

6.8.

De rechtbank neemt de behoeftelijst van productie 1 van de man als uitgangspunt, omdat door de vrouw onvoldoende is onderbouwd waarom deze lijst niet volledig is en waarom later posten zijn toegevoegd en verhoogd.

6.9.

De man heeft de volgende – door de rechtbank afgeronde – maandelijkse lasten van de vrouw uit productie 1 van de man niet betwist, zodat daarover (tot het in die lijst genoemde bedrag) overeenstemming bestaat:

Huur

€ 710,-

Gemeentelijke belastingen

€ 30,-

Gas/licht

€ 90,-

TV/internet

€ 60,-

Vitens/water

€ 10,-

Inboedelverzekering

€ 8,-

Kosten Rabobank

€ 4,-

Zorgverzekering Zilveren Kruis

€ 125,-

Aansprakelijkheidsverzekering

€ 4,-

Rechtsbijstandsverzekering

€ 7,-

Vakantie

€ 125,-

Uitgaan

€ 50,-

Sporten

€ 25,-

Koor

€ 18,-

Persoonlijke verzorging/kapper

€ 50,-

Eten/boodschappen

€ 300,-

Kleding/schoenen

€ 75,-

Kadootjes

€ 25,-

Totaal

€ 1.716-

6.10.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de vrouw na drie/vier jaar een nieuwe telefoon (met abonnement) heeft moeten aanschaffen en houdt daarom in redelijkheid rekening met de kosten van een telefoonabonnement voor de vrouw van € 30,- per maand.

6.11.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de vrouw gestelde kosten voor een begrafenisverzekering, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat ten tijde van het huwelijk geen kosten voor een dergelijke verzekering werden gemaakt en deze derhalve geen onderdeel uitmaken van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

6.12.

De rechtbank zal voorts geen rekening houden met de door de vrouw gestelde giften. Ook al werden tijdens het huwelijk giften gedaan aan goede doelen, de situatie is thans / na het huwelijk anders en giften dient de vrouw, als zij deze wil doen, uit haar eigen vrije financiële ruimte te voldoen.

6.13.

De door de vrouw gestelde afschrijvingen ten aanzien van de inboedel en apparatuur acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank deze niet als onderdeel van de behoefte van de vrouw aanmerkt.

6.14.

Ten aanzien van de, deels door de man betwiste, posten die betrekking hebben op de auto van de vrouw, ziet de rechtbank aanleiding, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk van partijen en de leeftijd van de auto (2006), om deze in redelijkheid per maand vast te stellen op:

Onderhoud auto

€ 100,-

Afschrijving auto

€ 100,-

Brandstof auto

€ 60,-

Belasting auto

€ 41,-

Autoverzekering

€ 54,-

Totaal

€ 355,-

6.15.

De rechtbank oordeelt daarover als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat zij € 200,- per maand aan brandstofkosten heeft, onvoldoende onderbouwd. Ten eerste heeft de man gesteld dat het voor het werk van de vrouw niet noodzakelijk is om een auto te hebben/te onderhouden, omdat haar werkgever het openbaar vervoer volledig vergoedt, welke stelling de vrouw onvoldoende heeft weersproken. Bovendien ontvangt de vrouw een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Dit blijkt onder meer uit de salarisspecificaties van de vrouw van januari tot en met juni 2019, waarop wisselend een reiskostenvergoeding staat: cumulatief tot en met juni 2019 afgerond € 421,- (554,80 minus correctie € 133,59). De vrouw heeft gelet hierop onvoldoende onderbouwd dat zij daarnaast nog € 200,- per maand aan brandstofkosten maakt.

6.16.

De rechtbank acht het echter wel redelijk, gelet op de welstand tijdens het huwelijk, dat de vrouw de / een auto kan (blijven) rijden, voor familie-/vriendenbezoek en dergelijke. De brandstof daarvoor stelt de rechtbank in redelijkheid op € 60,-. De man heeft de bedragen voor de belasting en de verzekering voor de auto van de vrouw inhoudelijk niet betwist, zodat de rechtbank, voor de berekening van de behoefte rekening zal houden met, zoals hiervoor vermeld, de totale kosten voor de auto van € 355,- per maand.

6.17.

Na optelling van de hiervoor genoemde lasten van de vrouw waarmee de rechtbank rekening houdt, stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw vast op afgerond € 2.101,- netto per maand, met inachtneming van het volgende.

6.18.

De rechtbank heeft geconstateerd dat partijen tijdens het huwelijk veel gespaard hebben. Onweersproken is dat door partijen (tijdens het huwelijk) € 40.000,- is gespaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat de welstand tijdens het huwelijk hoger lag dan de hiervoor berekende € 2.101,-. De rechtbank acht het daarom, voor de bepaling van de behoefte van de vrouw, redelijk om rekening te houden met een spaarbedrag voor de vrouw van € 150,- per maand, zodat de vrouw nog steeds maandelijks kan sparen of extra uitgaven kan doen.

6.19.

Voor het overige houdt de rechtbank, zoals hiervoor reeds overwogen, geen rekening met de hogere of andere gestelde posten door de vrouw op de behoeftelijst van de vrouw, nu deze onvoldoende onderbouwd zijn.

6.20.

De rechtbank stelt de totale behoefte van de vrouw dan ook vast op afgerond € 2.251,- netto per maand.

De behoeftigheid

6.21.

De man stelt voorts dat de vrouw in haar eigen behoefte kan voorzien. De vrouw betwist dat.

6.22.

Uit de stukken volgt dat de vrouw momenteel 36 uur per week betaalde werkzaamheden verricht. Niet in geschil is dat het huidige inkomen van de vrouw € 29.579,- bruto per jaar bedraagt conform de draagkrachtberekening van de vrouw (productie 9 van de vrouw), inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering van € 400,- bruto per jaar. Op grond van het voorgaande berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.001,-per maand.

6.23.

Gelet op de omstandigheid dat de vrouw al geruime tijd in haar huidige functie, 36 uur per week/fulltime, werkt, is naar het oordeel van de rechtbank thans niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Ook op de salarisstroken van de man staat overigens een contractduur van 36 uur. Van de vrouw kan op dit moment niet worden gevergd dat zij haar uren verder uitbreid of een andere baan (erbij) zoekt om meer inkomen te genereren. De man heeft zijn stelling dat de vrouw haar inkomsten kan uitbreiden, gelet op de betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dat de vrouw een baan heeft die niet past bij haar (opleidings-)niveau. Op de vrouw rust overigens wel de inspanningsverplichting om in haar eigen levensonderhoud te (gaan) voorzien.

6.24.

Rekening houdend met de hiervoor overwogen behoefte van de vrouw en haar inkomsten en lasten heeft de vrouw dan ook behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 250,- netto per maand, ofwel € 403,- bruto per maand.

De draagkracht van de man

6.25.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.

6.26.

De man is alleenstaand.

6.27.

Blijkens de salarisspecificaties over de maanden juni 2019 tot en met augustus 2019 bedraagt het belastbare loon van de man gemiddeld € 3.754,80 per maand [(€ 3.697,54 + € 3.754,10 + € 3.812,76) : 3], zijnde afgerond € 45.058,- op jaarbasis. Bij de berekening van het belastbare loon is rekening gehouden met de op de salarisspecificaties genoemde inkomsten/toeslagen en inhoudingen.

6.28.

De rechtbank zal het belastbare loon van € 45.058,- nog vermeerderen met 8% vakantietoeslag (zijnde € 3.605,-) en de aanspraak op de decemberuitkering. De decemberuitkering berekent de rechtbank aan de hand van de cumulatief op de salarisspecificatie van augustus 2019. De opgebouwde aanspraak op de decemberuitkering bedroeg in augustus 2019 € 685,59. Herrekend over een heel jaar bedraagt deze toeslag (€ 685,59 : 8 x 12 =) € 1.028,39.

6.29.

Het totale belastbare loon van de man bedraagt derhalve afgerond € 49.691,- per jaar (€ 45.058,- + € 3.605,- + € 1.028,39).

6.30.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

6.31.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.874,- per maand.

6.32.

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

6.33.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de navolgende, door de vrouw niet weersproken, lasten (alles op maandbasis):

  • -

    de huur ad € 925,- te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur ad € 226,-;

  • -

    de premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 151,- te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 35,.

6.34.

De rechtbank houdt geen rekening met het door de man gestelde verplicht eigen risico ad € 32,- per maand, omdat de man niet heeft gesteld en onderbouwd dat hij deze kosten daadwerkelijk maakt.

6.35.

De rechtbank komt op grond van haar berekening en rekening houdend met het te realiseren fiscaal voordeel in verband met te betalen alimentatie tot het oordeel dat de man draagkracht heeft voor betaling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 996,- per maand. De rechtbank beperkt dit tot de hoogte van de behoefte van de vrouw, zijnde € 403,- bruto per maand en zal dit bedrag vaststellen als partneralimentatie.

Limitering

6.36.

De man verzoekt de duur van de partneralimentatie te beperken tot een periode van twee jaar, dan wel deze na twee jaar op nihil te stellen, gelet op de korte duur van het huwelijk. De vrouw betwist dit.

6.37.

Op grond van artikel 1:157, vierde lid BW heeft vanwege de duur van het huwelijk van partijen van meer dan vijf jaar in beginsel als uitgangspunt te gelden dat de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren. Een zodanige, rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde – behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval – definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden hoge eisen gesteld aan de motivering van een (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem/haar passende wijze in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

6.38.

De rechtbank ziet aanleiding om in dit geval een termijn te verbinden aan de duur van de alimentatieplicht van de man. Nu partijen reeds feitelijk uit elkaar zijn en de termijn van 5 jaar net wordt overschreden is de rechtbank van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat de partneralimentatie te limiteren als bedoeld in artikel 1:157 lid 3 BW tot vijf jaar. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud limiteren op een termijn van vijf jaren na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw vanaf dat moment in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, althans dit van haar gevergd kan worden, gelet op haar leeftijd en de duur van het huwelijk.

De proceskosten

6.39.

Omdat partijen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 9 september 2014 te Zwolle gehuwd;

7.2.

bepaalt dat de man met ingaan van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 403,- vierhonderd en drie EURO) per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

7.3.

limiteert de duur van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw tot vijf jaar na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

7.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft;

7.5.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2019 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.