Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3687

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
ak_19_1722
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet; onaannemelijk dat verzoekster niets gemerkt heeft van de handel en wandel van haar zoon; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1722

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] te [woonplaats] , verzoekster,

gemachtigde: mr. J.J.H.M. de Crom,

en

de burgemeester van Haaksbergen, verweerder,

gemachtigde: J.M. Bos.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat zij met ingang van 23 september 2019 de woning aan de [adres] te Haaksbergen dient te sluiten en voor de duur van 3 maanden gesloten dient te houden.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 20 september 2019 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst totdat uitspraak is gedaan in het verzoek om voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. Verzoekster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en H.M. Nijland.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Het gaat in deze zaak om de sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Deze bepaling maakt het – kort gezegd – mogelijk een woning te sluiten indien vanuit die woning hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn.

3.1

Verzoekster is hoofdbewoner van de woning aan de [adres] te Haaksbergen. Op dit adres is ook de heer [naam] (hierna: [naam] de zoon van verzoekster, ingeschreven.

3.2

Naar aanleiding van een viertal meldingen sinds mei 2018 bij Meld Misdaad Anoniem heeft de politie Twente-Midden een onderzoek ingesteld naar [naam] . Vanaf november 2018 tot en met juni 2019 is [naam] vijf keer kortstondig geobserveerd, waaruit bleek dat hij rond zijn woning actief dealgedrag vertoont. Een aantal keren zijn er overdrachten tussen [naam] en kopers waargenomen. Op 6 juni 2019 is tijdens een observatie weer dealgedrag waargenomen, waarna de koper is aangehouden. Deze koper had één bolletje cocaïne (0,33 gram) bij zich en verklaarde dat hij dat net gekocht had van [naam] en dat hij al een jaar lang drugs afneemt van hem.

Op grond van deze bevindingen is [naam] aangehouden voor de handel in harddrugs en is de woning aan de [adres] betreden en doorzocht. Daarbij is in de slaapkamer van [naam] aangetroffen:

  • -

    in een bureaulade een plastic zakje met daarin 4,23 gram cocaïne;

  • -

    16 reeds gevouwen lege ponypacks op het bureau (gebruikt voor het verpakken van cocaïne);

  • -

    in een bureaulade vele ponypacks welke nog niet zijn gevouwen;

  • -

    in een bureaulade een bundel papiergeld, na telling blijkt dit € 3000,- te zijn;

  • -

    op het bureau een digitaal weegschaaltje met daarop verse restanten wit poeder (vermoedelijk cocaïne, niet getest);

  • -

    op het bureau een theelepeltje met daaraan nog verse restanten wit poeder (vermoedelijk cocaïne, niet getest);

  • -

    in een lade van het bureau een notitiebriefje (klantenlijstje), met daarop namen en bedragen erachter die zijn doorgekrast. Deze namen komen overeen met de namen uit de lijst van contacten van de inbeslaggenomen dealtelefoon(s) en privé telefoon van [naam] .

3.3

De politie heeft [naam] verhoord. Daarnaast zijn vier getuigen gehoord die allen verklaard hebben dat ze recent of in het verleden harddrugs van [naam] hebben afgenomen.

Tot slot heeft een buurtbewoner verklaard dat de omgeving veel last ondervindt van het dealgedrag van [naam] , welke met name bestaat uit personenauto’s die kortstondig stoppen en weer wegrijden.

4. Op 17 juli 2019 heeft verweerder naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage, uitgebracht op grond van de hiervoor weergegeven bevindingen, het voornemen bekend gemaakt om de woning voor de duur van zes maanden te sluiten.

Zowel verzoekster als de Woningcoöperatie Domijn, de verhuurder van de woning, hebben een zienswijze ingediend.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de woning voor de duur van drie maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de beleidsregels Damocles, zoals vastgesteld op 9 januari 2018.

6. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot sluiting van de woning over te gaan. Bij de beantwoording van die vraag, hanteert de voorzieningenrechter het toetsingskader, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) dat recent heeft uiteengezet in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912).

7. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting van de woning, nu in de woning slechts een hoeveelheid van 4,23 gram vermoedelijk cocaïne is aangetroffen. Bij een geringe overschrijding kan door verweerder worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing, kan worden verstaan dan wel of sluiting als reparatoire maatregel is aanwezen ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. In dit geval is sprake van een geringe overschrijding van de grens van 0,5 gram die als gebruikershoeveelheid wordt gehanteerd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verzoekster gewezen op de uitspraak van de AbRS van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:166.

8. Ingevolge vaste jurisprudentie, zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2326, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, van toepassing indien drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking in een woning of lokaal aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs de drugs in beginsel bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Dit kan bijvoorbeeld doordat de rechthebbende een helder en consistent betoog heeft over het eigen gebruik, dat een geringe overschrijding van de 0,5-gram-grens of 5,0 gram-grens vanwege dat gebruik aannemelijk maakt, geen andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden.

9. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in onderhavig geval in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten, nu volgens de bestuurlijke rapportage in de woning van verzoekster meer dan 8x de toegestane hoeveelheid is aangetroffen, en uit de overige aangetroffen zaken, zoals de (al dan niet gevouwen) pony-packs, de weegschaal met poeder daarop, de theelepel met poeder daarop, de bundel geld en het klantenlijstje, de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van drugshandel.

De voorzieningenrechter kan verzoekster dan ook niet volgen in haar standpunt dat slechts sprake is van een geringe overschrijding van de aangetroffen hoeveelheid. De door verzoekster genoemde uitspraak van de AbRS maakt dit niet anders, nu uit de uitspraak blijkt dat weliswaar 8x de toegestane gebruikershoeveelheid softdrugs is aangetroffen, maar geen andere zaken die wijzen op drugshandel zijn aangetroffen en de betrokken persoon in die kwestie een helder en consistent betoog heeft gevoerd over het eigen gebruik.

10. Verzoekster heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Zij is niet als verdachte aangemerkt en wist niets van de verdovende middelen en overige zaken die zich in de woning bevonden. Alles wat is aangetroffen bevond zich op de slaapkamer van haar zoon, en hij sloot altijd de deur van de slaapkamer af en wilde niet dat verzoekster op zijn kamer kwam.

Verzoekster heeft, zo heeft zij verklaard, inmiddels haar zoon uit de woning verwijderd.

11. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kan maken. Zo kan een betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning.

12. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had verzoekster redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn. Als huurder en bewoner van de woning is zij namelijk verantwoordelijk voor de gang van zaken in en om de woning. Van haar mocht worden verwacht dat zij bekend was met het gebruik van de verschillende vertrekken van de woning en de daarin aanwezige goederen. Daarbij komt het de voorzieningenrechter onaannemelijk voor dat verzoekster niets heeft gemerkt van de handel en wandel van haar zoon nu dat volgens de bestuurlijke rapportage al ten minste een jaar plaatsvond rond haar woning en het voor buurtbewoners blijkbaar wel kenbaar is geweest.

13. Tot slot heeft verzoekster zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van sluiting van de woning voor haar extra zwaar zijn, nu het voor haar na de voorgenomen sluiting niet mogelijk is om terug te keren naar de woning in verband met een aangekondigde buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, zoals blijkt uit de door de Woningcoöperatie Domijn ingediende zienswijze. Daarnaast wordt verzoekster door Domijn op een sanctielijst geplaatst waardoor zij voor de duur van twee jaar geen woning in de regio kan huren. Vanwege het feit dat zij enkel inkomen heeft uit een uitkering komt zij niet in aanmerking voor een koopwoning. Daarnaast heeft zij geen familie, vrienden of kennissen waar zij met haar hond terecht kan. Volgens haar bezwaarschrift zal zij op straat staan als wordt overgegaan tot sluiting van de woning.

14. De voorzieningenrechter heeft oog voor de belangen van verzoekster, maar dit leidt niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. Verweerder heeft het belang van de openbare orde, veiligheid en gezondheid dan ook kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekster, gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs, de waarnemingen rond de woning, de meldingen, de getuigenverklaringen en de melding van overlast.

De voorzieningenrechter laat hierbij meewegen dat niet gebleken is dat verzoekster afhankelijk is van de woning, nu zij ter zitting verklaard heeft dat haar moeder een straat achter haar woont. Niet gebleken of gesteld is dat verzoekster niet tijdelijk bij haar moeder kan wonen. Dat haar hond daar evenmin zou kunnen verblijven, zoals zij ter zitting heeft verklaard, is evenmin nader onderbouwd. Daarnaast heeft te gelden dat van de zijde van verweerder contact is opgenomen met verzoekster om te bezien wat mogelijk is met betrekking tot een vervangende woning. Mocht dat wel zo zijn dan is niet aannemelijk gemaakt dat haar hond niet tijdelijk elders kan verblijven. Ter zitting heeft verweerder het aanbod nog gedaan om voor verzoekster een bemiddelende rol te vervullen bij de woningcoöperatie opdat aan haar op korte termijn elders een woning kan worden toegewezen.

15. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.