Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3678

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
08.049257.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man is veroordeeld tot een celstraf van 294 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Hij is onder andere schuldig aan de mishandeling van een agent in Vroomshoop door met een gestolen scooter op hem in te rijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.049257.19 (P)

Datum vonnis: 1 oktober 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] ,

thans verblijvende: PI Almelo te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Leusink-Van Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. Oude Breuil, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: primair, een politieambtenaar genaamd [slachtoffer 1] heeft mishandeld, dan wel, subsidiair, die [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

feit 2: primair, samen met een ander een scooter heeft wegenomen, dan wel, subsidiair, een scooter in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist dat deze van een misdrijf afkomstig was, dan wel, meer subsidiair, een scooter in zijn bezit heeft gehad, terwijl hij moest vermoeden dat deze scooter van misdrijf afkomstig was;

feit 3: niet heeft voldaan aan de vordering van een politieambtenaar mee te werken aan een onderzoek;

feit 4: niet heeft meegewerkt aan een bloedonderzoek;

feit 5: primair, geprobeerd heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel, subsidiair, [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 27 februari 2019 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, een (politie)ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door met een scooter/bromfiets al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid, en/of zonder te remmen af/in te rijden

op voornoemde [slachtoffer 1] en/of rakelings langs voornoemde [slachtoffer 1] te rijden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 februari 2019 te Vroomshoop, gemeente Twenterand [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een scooter/bromfiets al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen

afgereden/ingereden op voornoemde [slachtoffer 1] en/of rakelings langs voornoemde [slachtoffer 1] gereden;

2

hij op of omstreeks 27 februari 2019, te Almelo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (op of aan de [straat 1] ) een scooter (van het merk Piaggio) en/of 2, althans een, cadeaubon(nen) en/of een (leren) jas(je), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] en/of aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 februari 2019, te Almelo en/of te Vroomshoop in de gemeente Twenterand, en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een goed, te weten een scooter (van het merk Piaggio) heeft verworven,

voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof, en/althans uit winstbejag een door misdrijf verkregen goed, te weten

een scooter van het mrk Piaggio) heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 februari 2019, te Almelo en/of te Vroomshoop, gemeente Twenterand en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een scooter (van het merk Piaggio) heeft verworven,

voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had(den) moeten

vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof en/althans uit winstbejag een door misdrijf verkregen goed, te weten een scooter van het merk Piaggio) heeft/hebben voorhanden gehad en/of heeft/hebben overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden dat het een door misdrijf verkegen geoed betrof;

3

hij op of omstreeks 27 februari 2019 te Vroomshoop, gemeente Twenterand opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door een of meer (politie)ambtenaren, te weten, [slachtoffer 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [slachtoffer 6] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen of

van hem hadden gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek uitgeademde lucht en/of een onderzoek van speeksel en/of een onderzoek naar psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, hieraan geen gevolg te geven;

4

hij op of omstreeks 27 februari 2019 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een een scooter/bromfiets (merk Vespa Sprint Piaggio) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een

bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen

medewerking daaraan heeft verleend;

5

hij op of omstreeks 9 maart 2019 te Kloosterhaar, gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal

- ( met geschoeide voet) in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt en/of - met zijn knie in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft

gedrukt/geduwd en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen

het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of - met een (vierkant) staafje, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 maart 2019 te Kloosterhaar, gemeente Hardenberg [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal

- ( met geschoeide voet) in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te trappen/schoppen en/of

- met zijn knie in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te duwen/drukken en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of

- met een (vierkant) staafje, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

Feiten 1 en 2

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en

2 subsidiair ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewijs ter zake van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten ontbreekt. Het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde feit kan volgens de raadsman wel wettig en overtuigend worden bewezen.

Met betrekking tot feit 1 primair voert de raadsman primair aan dat het bij verdachte aanwezige opzet om [slachtoffer 1] te mishandelen ontbreekt en bovendien, subsidiair, een eventuele bewezenverklaring van de in feit 1 primair ten laste gelegde uitvoeringshandelingen, niet het misdrijf “mishandeling” opleveren. Met betrekking tot feit 1 subsidiair stelt de raadsman dat de gedragingen van verdachte geen bedreiging met zware mishandeling dan wel de dood opleveren. Ten aanzien van feit 2 primair merkt de raadsman op dat [medeverdachte] dit feit heeft bekend en er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de diefstal (als medepleger) heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 subsidiair voert de raadsman aan dat er geen duidelijke braaksporen zijn waaruit verdachte had moeten afleiden dat de scooter gestolen was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder

1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Feit 1 primair

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Op 27 februari 2019 bevond ik mij op het adres [straat 2] te Vroomshoop. Op een gegeven moment ben ik vanuit mijn tuin met een door mij bestuurde scooter de achter de woning gelegen brandgang in gereden. Ik zag aan het eind van die brandgang wel een auto staan. Zonder te remmen ben ik richting de straat gereden. Bij de ingang van de brandgang ben ik met de scooter tegen een politieagent aangereden, waardoor wij beiden kwamen te vallen.2

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in.

Op 27 februari 2019, omstreeks 16.20 uur, bevond ik mij op het politiesteunpunt te Vroomshoop. Ik sprak daar met collega’s [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] die zojuist ter

plaatse waren geweest aan de [straat 2] te Vroomshoop. Collega [slachtoffer 5]

vertelde mij dat er vermoedelijk op dit adres een gestolen bromfiets stond. Ik hoorde

dat collega [slachtoffer 5] mij vertelde dat hij bezig was met een machtiging tot binnentreden ter

inbeslagname. Collega [slachtoffer 5] vroeg mij om hem en zijn collega [slachtoffer 6] te assisteren.

Het plan was om in afwachting van de machtiging de voorkant en achterkant van het

pand te bevriezen. Ik deed dienst onder het roepnummer 2211. Ik was gekleed in een politie uniform. Met collega’s [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] sprak ik af dat ik de achterkant en de brandgang van de [straat 2] te Vroomshoop zou bewaken.

Op 27 februari 2019 omstreeks 16:40 uur bevond ik mij aan de [straat 3] te Vroomshoop ter hoogte van de brandgang van de [straat 2] . Voor de brandgang stond een Volkswagen Polo. Ik hoorde geluid, gelijkend op het geluid van een rijdende bromfiets. Ik zag dat er een snorfiets links uit een van de aangrenzende tuinpoorten kwam rijden. Ik zag dat de bestuurder op deze bromfiets [verdachte] was. Ik ken hem via mijn werk als politieagent. Op dat moment was de afstand tussen ons ongeveer 3 meter. Ik stond op dat moment voor de ingang van de brandgang, rechtsvoor bij de geparkeerde Volkswagen.

Ik stond in de doorgang tussen de auto en de schutting. Die ruimte was maximaal een

meter. Ik keek [verdachte] in de ogen en hij keek mij in de ogen. Op dat moment stond hij stil met de snorfiets. Ik heb direct luidkeels, op een niet mis te verstane wijze, tegen [verdachte] geroepen dat hij moest stoppen en dat hij moest afstappen. Daarbij stak ik mijn handen in de lucht. Ik zei daar ook nog bij dat wij onderzoek wilden doen naar de snorfiets. De

snorfiets liep stationair en ik zag dat hij stilstond. Ik hoorde dat [verdachte] gas gaf met de snorfiets en ik zag dat hij recht op mij af kwam rijden. Ik had geen tijd en ruimte meer om weg te springen dan wel weg te lopen. Ik zag dat tussen mij, de auto en de muur van de brandgang geen ruimte was om langs te rijden. Ik kon ook niet meer wegspringen dan wel weglopen voor de snorfiets. Ik zag dat [verdachte] met de snorfiets recht op mij af kwam rijden en geen aanstalten maakte om te stoppen. [verdachte] knalde met de snorfiets opzettelijk en met kracht tegen mijn lichaam aan. Ik voelde direct pijn aan mijn handen en mijn rechterbeen. Ik heb wederom tegen [verdachte] op een niet mis te verstane wijze geroepen dat hij moest stoppen. Nadat ik mijn collega’s had bericht via de portofoon zag en hoorde ik dat de snorfiets stil kwam te staan en dat [verdachte] geen gas meer gaf. De snorfiets stond een kort moment stil, ongeveer 1 tot 2 seconden, in de brandgang vlak voor mij. Direct daarop hoorde ik dat [verdachte] wederom gas gaf en weer op mij af kwam rijden en voor een tweede keer tegen mijn lichaam reed. Ik voelde direct weer pijn aan mijn rechterbeen. Door de aanrijdingen heb ik letsel opgelopen aan mijn hand en been.3

Verdachtes verklaring dat hij niet de opzet had om op [slachtoffer 1] in te rijden en de aanrijding met de politieagent is ontstaan doordat de gashendel van de scooter waarop hij reed, niet goed functioneerde, wordt door de rechtbank als ongeloofwaardig ter zijde geschoven, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.

[medeverdachte] , die heeft verklaard de scooter te hebben gestolen, heeft de scooter naar verdachte gebracht met het enkele verzoek de achterlichten donkerder te spuiten. [medeverdachte] heeft over mankementen aan de scooter, zoals een haperende gashendel, bij de politie niets verklaard.

Ook verdachte zelf heeft verklaard dat [medeverdachte] geen melding heeft gemaakt van een haperende gashendel en dat het gas, op het moment dat hij, verdachte, met de scooter bezig was, nog goed functioneerde. Voorts heeft verbalisant [verbalisant] in een proces-verbaal gerelateerd dat bij een onderzoek aan de scooter door iemand van de verkeersongevallenanalyse geen mankementen aan de gashendel zijn geconstateerd en die persoon heeft verklaard dat het een nieuwe scooter betrof en het daarom bijna niet mogelijk was dat het gas bleef hangen.

Feit 2 subsidiair

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

De Vespa scooter van het merk Piaggio, type Vespa Sprint, waarop ik op 27 februari 2019 reed en die kort daarvoor in Almelo gestolen bleek te zijn, is in de vroege ochtend van

27 februari 2019 door [medeverdachte] bij mijn woning neergezet met het verzoek de achterlichten van de scooter donkerder te spuiten.

Het was een vrij nieuwe scooter en er zaten geen kentekenplaten op. Mij was op dat moment bekend dat [medeverdachte] geen vaste woon- of verblijfplaats had. Voordat ik met de scooter ging rijden had ik er valse kentekenplaten opgezet, zodat ik niet zou opvallen bij de politie.4

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in, dat op 27 februari 2019, tussen 02.00 uur en 10.00 uur, een aan [slachtoffer 4] toebehorende bromfiets/snorfiets van het merk Piaggio, type Vespa Sprint, bouwjaar 2018, is gestolen te Almelo en dat aan niemand het recht of de toestemming was gegeven tot het plegen van het feit.5

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 5 maart 2019, houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.

De scooter waarop [verdachte] is aangehouden had ik gestolen in Almelo en bij het huis van [verdachte] neergezet. Ik had hem gevraagd de achterlichten donkerder te spuiten zodat hij minder opviel. Ik wist dat [verdachte] dat eerder had gedaan.6

De rechtbank concludeert dat verdachte wist dat de scooter van diefstal afkomstig was, nu [medeverdachte] in de vroege ochtenduren na nachtelijk Whatsapp contact een vrij nieuwe scooter zonder kentekenplaten bij verdachte bracht met het verzoek om de achterlichten donkerder te spuiten zodat de scooter minder opviel. De rechtbank acht dan ook de ten laste gelegde opzetheling wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 3, 4 en 5

4.4

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de feiten onder 3, 4, en 5 subsidiair bewezen kunnen worden verklaard.

4.5.

het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 5 primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 5 subsidiair tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen te weten:

ten aanzien van feit 3:

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

2.

het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2019, pagina 19;

ten aanzien van feit 4

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

2.

het proces-verbaal “rijden onder invloed” van 28 februari 2019, pagina’s 29 en 30;

ten aanzien van feit 5 subsidiair

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

2.

het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 11 april 2019, opgenomen in een proces-verbaal van de politie Eenheid Oost Nederland, district IJsselland, nummer PL0600-2019106653, pagina’s 8 en 9.

4.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 27 februari 2019 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, een (politie)ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door met een scooter/bromfiets al snelheid verhogend en zonder te remmen in te rijden op voornoemde [slachtoffer 1] ;

2.

hij op 27 februari 2019, te Vroomshoop in de gemeente Twenterand, een goed, te weten een scooter (van het merk Piaggio) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof;

3

hij op 27 februari 2019 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door politieambtenaren, te weten, [slachtoffer 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland en [slachtoffer 6] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaren van hem hadden gevorderd mee te werken aan een onderzoek van speeksel, hieraan geen gevolg te geven;

4

hij op 27 februari 2019 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een scooter/bromfiets (merk Vespa Sprint Piaggio) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;

5

hij op 9 maart 2019 te Kloosterhaar, gemeente Hardenberg [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in/op/tegen het gezicht te slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Met betrekking tot het kwalificatieverweer van de raadsman omtrent de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit overweegt de rechtbank dat de steller van de tenlastelegging specifieker had kunnen zijn in het formuleren van de uitvoeringshandelingen, echter verstaat de rechtbank, gelet op de inhoud van het strafdossier, het inrijden op [slachtoffer 1] aldus, dat dit een fysiek contact tussen de door verdachte bestuurde scooter/bromfiets en die [slachtoffer 1] impliceert.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 184, 300, 304 en 416 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 2 subsidiair

het misdrijf: opzetheling;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten;

feit 4

het misdrijf: overtreding van artikel 163, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 5 subsidiair

het misdrijf: mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 5 primair dient te worden vrijgesproken.

Ter zake van de feiten die volgens de raadsman bewezen kunnen worden verklaard heeft de raadsman verzocht aan verdachte een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Tevens stelt de raadsman voor om aan verdachte als “stok achter de deur” een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden (waaronder toezicht van het Leger des Heils) die een begeleiding en behandeling van verdachte mogelijk maken.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is in het verleden veelvuldig ter zake van strafbare feiten, waaronder gewelds- en vermogensdelicten, veroordeeld en hij dient als zeer actieve veelpleger te worden aangemerkt. Die eerdere veroordelingen en de daarin gelegen waarschuwingen kunnen verdachte er kennelijk niet van weerhouden gewoon door te gaan met het plegen van strafbare feiten. Met name de mishandeling van een opsporingsambtenaar dient verdachte ernstig te worden aangerekend. Publieke ambtsdragers die belast zijn met het opsporen van strafbare feiten en/of het handhaven van de openbare orde, moeten in hun veelal in moeilijke situaties te verrichten werkzaamheden, onvoorwaardelijk worden beschermd en hun werk ongestoord en zonder enige vorm van tegenwerking kunnen doen. De impact die dit feit op het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gehad wordt nog eens treffend beschreven in een bij de civiele vordering gevoegde bijlage. Verder heeft verdachte slachtoffer [slachtoffer 2] mishandeld omdat hij hem ervan verdacht zijn telefoon te hebben gestolen. Verdachte heeft hiermee voor eigen rechter gespeeld en een ander pijn en leed berokkend. Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft de impact beschreven in een schriftelijke slachtofferverklaring. Verder geeft verdachte er, gelet op de bewezenverklaring van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten, blijk van zich niets gelegen te laten liggen aan door opsporingsambtenaren gedane vorderingen of bevelen. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een scooter. Een ergerlijk feit waarmee verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen en indirect verantwoordelijk is voor de schade die aan de eigenaar wordt berokkend.

De rechtbank heeft bij de op te leggen straf in belangrijke mate rekening gehouden met de ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die met name zijn verwoord in de reclasseringsrapportages van 11 maart 2019 en 1 juli 2019. Daarin wordt onder meer vermeld dat verdachte problemen heeft op alle leefgebieden en onvoldoende coping-vaardigheden heeft om die problemen zelf op te lossen. Behandeling in een ambulant kader is volgens de reclassering onvoldoende en de intrinsieke motivatie voor een noodzakelijke klinische behandeling ontbreekt. De recidivekans wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Door de raadsman wordt bepleit verdachte met begeleiding en onder toezicht van het Leger des Heils nog een kans te geven.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte die (laatste) kans geboden dient te worden en aan hem, naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht een voorwaardelijk strafdeel van aanmerkelijke duur met voorwaarden dient te worden opgelegd teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst andermaal aan strafbare feiten schuldig te maken.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] , die ter terechtzitting wordt vertegenwoordigd door mevrouw L.M. van Nimwegen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 300,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit betreft immateriële schade.

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.985,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- spatbord € 115,00;

- spiegelset € 94,25;

- windscherm € 185,00;

- verlichtingset € 248,00;

- spuiten-uitdeuken € 725,00;

- demontage € 330,00;

- materiaal € 67,50;

- btw € 370,60;

- Jas, merk Woolrich € 800,00;

- cadeaubonnen € 50,00.

[slachtoffer 2] , die ter terechtzitting wordt vertegenwoordigd door mr. K. Karademir-Bastürk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit betreft immateriële schade.

De vordering van [slachtoffer 2] is ter terechtzitting nader toegelicht door mr. K. Karademir-Bastürk. Zij legt daartoe een pleitnota over waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd en welke aan het proces-verbaal van de terechtzitting wordt gehecht.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] dient te worden toegewezen, dat het aan [slachtoffer 4] toe te kennen bedrag dient te worden beperkt tot de schade aan de scooter die door verdachte is toegebracht en dat het aan [slachtoffer 2] toe te kennen bedrag dient te worden gematigd tot een bedrag van € 300,00.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld, primair, dat [slachtoffer 1] in verband met de bepleite vrijspraak, in de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair, dat bij een bewezenverklaring, het gevorderde bedrag kan worden toegewezen. Ten aanzien van [slachtoffer 4] stelt de raadsman zich op het standpunt dat in het geval van een bewezenverklaring, de vordering kan worden toegewezen tot de kosten die zijn gemaakt ten gevolge van het omvallen van de scooter. De gevorderde schade van de jas en cadeaubonnen is onvoldoende onderbouwd en dient niet ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van het door [slachtoffer 2] gevorderde bedrag stelt de raadsman zich op het standpunt dat het bedrag vanwege de bepleite vrijspraak ter zake van feit 5 primair, dient te worden gematigd tot € 300,00.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van [slachtoffer 1] :

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van [slachtoffer 4] :

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Enkel de (exacte) omvang van de schade aan de scooter staat in dit stadium niet vast. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van die schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van die schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op € 1.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering voor zover die ziet op de schade aan de scooter tot zover toewijzen en voor het overige afwijzen. Ten aanzien van de gevorderde schade die ziet op de jas en de cadeaubonnen, zijnde een bedrag van € 850,00, is de rechtbank van oordeel dat die schade onvoldoende is komen vast te staan, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] .

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is tot na te melden bedrag voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde immateriële schade die ziet op het meerdere, zijnde een bedrag van € 950,00 is onvoldoende komen vast te staan, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4, en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4, en 5 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 2 subsidiair

het misdrijf: opzetheling;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten;

feit 4

het misdrijf: overtreding van artikel 163, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 5 subsidiair

het misdrijf: mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4, en 5 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 294 dagen ;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 180 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij het Leger des Heils W&G Overijssel, Tubantiasingel 5 te Enschede op de door deze instelling te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht en hij zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde instelling;

- zich ambulant laat behandelen, ook als dat een dagbehandeling inhoudt, door een Forensische Polikliniek, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering Leger des Heils, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- draagt de reclassering (Leger des Heils) op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 300,00 , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2019;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 6 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2019;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst af de vordering tot een bedrag van € 1.135,00;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 850,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2019;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 6 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 950,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Oost-Nederland met nummer PL0600-2019095795 van 3 maart 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2019, voor inhoudende de verklaring van verdachte.

3 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 1] van 27 februari 2019, pagina’s 4 t/m 6.

4 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

5 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 27 februari 2019, pagina 10 en 11.

6 Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 5 maart 2019, pagina’s 53 t/m 56.