Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3659

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
ak_19 _ 382
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete opgelegd van € 18.750,- wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet;bedrijfsongeval met sealmachine; letsel alsnog aangemerkt als licht blijvend letsel; in verband met overschrijding van de redelijke termijn matigt de rechtbank boete verder tot € 12.112,50.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/382

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [vestigingsplaats] eiseres,

gemachtigde: mr. A. Arslan,

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

gemachtigde: mr. S. van Dinter.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 18.750,- vanwege overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).

Bij besluit van 10 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Door de arbeidsinspecteur van de inspectie SZW is geconstateerd dat op 31 maart 2015 overtredingen hebben plaatsgevonden ingevolge de Arbowet. Op dinsdag 31 maart 2015 werden op een locatie van eiseres, gelegen aan de [adres] te [plaats], door haar werknemer, mevrouw [naam 4]hierna: het slachtoffer) werkzaamheden verricht, bestaande uit het inleggen van magazines in een sealmachine. Hierbij werd gebruik gemaakt van een arbeidsmiddel van het merk CMC, model Practica, serie 03203, bouwjaar 2008.

De magazines worden hierbij op een schuiftafel geplaatst welke over een metalen plaat beweegt. Aan weerszijden van de schuiftafel bevonden zich twee traanplaten. Onder deze traanplaten en naast voornoemde metalen plaat, bevond zich een ruimte van 8 millimeter hoog en 34 millimeter breed. Deze ruimte was niet dichtgemaakt dan wel afgeschermd.

Het slachtoffer stond naast de sealmachine te wachten tot een storing aan de machine was verholpen. Zij leunde met de zijkant van haar linkerhand op de metalen plaat. Op enig moment na het inwerkingstellen van de machine bewoog de schuiftafel met daarop de hand van het slachtoffer zich richting het gat van 8 millimeter en is de top van de linkerpink van het slachtoffer bekneld geraakt tussen de schuiftafel en de rand van de open ruimte onder de (rechter) traanplaat. Ten gevolge van het ongeval is de top van de linkerpink van het slachtoffer geamputeerd en heeft het slachtoffer blijvend letsel opgelopen. Naar aanleiding van het arbeidsongeval heeft een inspecteur van de Inspectie SZW een boeterapport opgemaakt. Terwijl er een ongeval heeft plaatsgevonden waarvoor het slachtoffer is opgenomen in het ziekenhuis, heeft de werkgever hiervan niet direct melding gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Op 2 april 2016 is dit ongeval gemeld bij de Inspectie SZW. Dit ongeval is niet onverwijld door eiseres gemeld bij de Inspectie SZW.

2. Bij brief van 24 juni 2016 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld voornemens te zijn een boete op te leggen van € 18.750,- vanwege overtreding van de Arbowet. Er heeft een bedrijfsongeval plaatsgevonden tijdens het werken met een sealmachine. Het betreffende arbeidsmiddel was niet zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en werd niet zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit, zoveel mogelijk was voorkomen. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, juncto artikel 7.4, derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). Daarnaast heeft eiseres niet direct mededeling gedaan van het bedrijfsongeval dat heeft geleid tot blijvend letsel aan de daartoe aangewezen toezichthouder als bedoeld in artikel 24 van de Arbowet. Volgens verweerder heeft eiseres hiermee artikel 9, eerste lid, van de Arbowet overtreden. Eiseres heeft hiertegen haar zienswijze kenbaar gemaakt.

3. Bij besluit van 20 september 2016 heeft verweerder conform het voornemen aan eiseres een boete opgelegd van € 18.750,- vanwege overtreding van de Arbowet. Verweerder heeft een boete van € 18.000,- opgelegd voor het overtreden van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, juncto artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit. Daarbij heeft verweerder in acht genomen dat er sprake is van een bedrijfsongeval met blijvend letsel en het boetenormbedrag om die reden vermenigvuldigd met vier op grond van de beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving van 18 december 2015. Daarnaast heeft verweerder een boete van € 750,- opgelegd aan eiseres vanwege het overtreden van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet.

4. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

5. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbowet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid, voor zover van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, eerste volzin, wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als beboetbaar feit.

Artikel 9, eerste lid, van de Arbowet luidt:

“1 De werkgever meldt arbeidsongevallen die leiden tot de dood, een blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct aan de daartoe aangewezen toezichthouder en rapporteert hierover desgevraagd zo spoedig mogelijk aan deze toezichthouder.”

Artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit luidt:

“3 Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.”

Artikel 9.1. van het Arbobesluit luidt:

“De werkgever is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.34 en 7.21.”

Artikel 9.9b luidt, voor zover van belang:

“1 Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:

(…)

g. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.2, eerste lid, 7.3 tot en met 7.4a, eerste tot en met zesde lid, 7.5 tot en met 7.11a, 7.13, 7.14, eerste lid, 7.15 tot en met 7.17a, eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid, 7.17b, tweede tot en met zesde lid, 7.17c tot en met 7.18a, tweede tot en met dertiende lid, 7.18b, 7.20, 7.21, 7.23 tot en met 7.23d, 7.24 tot en met 7.29, tweede tot en met achtste lid, en tiende lid, 7.30, eerste lid, 7.32, eerste en tweede lid, 7.34, 7.35, 7.36b en 7.39;

(…)

2 Voor zover van de artikelen, bedoeld in het eerste lid, ontheffing onder voorschriften is verleend, wordt het handelen of nalaten in strijd met die voorschriften aangemerkt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.”

Bij de uitvoering van de bij of krachtens de Arbowet vastgestelde regels hanteert de minister de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna beleidsregel) van 23 juli 2019.

Artikel 1 bepaalt dat in deze beleidsregel onderscheid wordt gemaakt tussen drie typen overtredingen, te weten:

a. een zware overtreding (ZO), oftewel een overtreding die in de bijlage als ZO is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt gegeven;

b. een overtreding met directe boete (ODB), oftewel een overtreding die in de bijlage als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt gegeven; en

c. een overige overtreding (OO), oftewel een overtreding die in de bijlage als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving wordt gegeven, of een eis tot naleving wordt gesteld, en pas nadat dezelfde of een soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd, wordt overgegaan tot boeteoplegging.

In het tweede lid, geldt hiernaast in deze beleidsregel als overtreding met directe boete de overtreding die de directe aanleiding is geweest voor een arbeidsongeval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

In het derde lid onder a is opgenomen dat bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet worden zeven categorieën normbedragen onderscheiden, te weten:

1°. het 1e normbedrag € 340;

2°. het 2e normbedrag € 750;

3°. het 3e normbedrag € 1500;

4°. het 4e normbedrag € 3000;

5°. het 5e normbedrag € 4500;

6°. het 6e normbedrag € 9000;

7°. het 7e normbedrag € 13500;

Onder b is opgenomen dat in afwijking van onderdeel a wordt voor het door een werkgever niet onverwijld melden van een arbeidsongeval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en waarbij de toezichthouder geen onderzoek meer kan verrichten, een boetenormbedrag opgenomen van € 50.000,-.

Uit artikel 1, derde lid onder a, juncto het zevende lid, volgt dat voor overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit geldt een boetenormbedrag van de zesde categorie, zijnde € 9.000,-. Ingevolge het achtste lid, onder e, betalen bedrijven of instellingen met 40 tot en met 99 werknemers betalen 50 procent.

Het tiende lid, onder b, bepaalt dat bij een arbeidsongeval dat leidt tot een licht blijvend letsel worden de boetenormbedragen voor de daaraan ten grondslag liggende overtredingen vermenigvuldigd met drie.

Het elfde lid van artikel 1 bepaalt dat indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, kan dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er een bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden op 31 maart 2015 zoals omschreven door de arbeidsinspecteur in het rapport van 30 juni 2015. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er overtreding heeft plaatsgevonden van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit omdat het arbeidsmiddel niet zodanig is ingericht en zodanig gebruikt wordt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk is voorkomen. Van belang is volgens verweerder in dit verband de feitelijke situatie ter plaatse, dus op welke wijze en onder welke omstandigheden de werkzaamheden plaatsvonden. Verweerder heeft vastgesteld dat onder de traanplaten en naast de metalen plaat een ruimte van 8 millimeter hoog en 34 millimeter breed is. Deze ruimte was niet dichtgemaakt dan wel afgeschermd, noch waren andere voorzorgsmaatregelen getroffen. De sealmachine was daarmee niet zodanig ingericht dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis, in dit geval dat het slachtoffer bekneld kon raken tussen (onderdelen) van de sealmachine, zoveel mogelijk werd voorkomen. Het ongeval had voorkomen kunnen worden door het gat van 34 millimeter dicht te maken of af te schermen.

6.1.

Eiseres meent echter dat het ongeval onvoorzienbaar was. De situatie is geen gevolg geweest van een onveilige situatie ter plaatse. Het ongeval is uniek in de wereld en eiseres kon niet weten dat er in de minuscule gleuf van 8 millimeter een vinger past en dat dit voor gevaar ging zorgen. Ook de fabrikant heeft met deze mogelijkheid geen rekening gehouden, aangezien deze de betreffende gleuf in eerste instantie niet heeft afgedekt. Het gevaar dat zich uiteindelijk heeft voorgedaan was op geen enkele wijze voorzienbaar.

6.2.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres aldus dat zij van mening is, dat in dit geval haar niets te verwijten valt. Verwijtbaarheid is geen bestanddeel van de bepalingen die het opleggen van een boete voorschrijven. Echter bij het volledige ontbreken van verwijtbaarheid kan geen boete worden opgelegd ingevolge artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder kan een beperkte mate van verwijtbaarheid een grond zijn om de boete te matigen. Dit volgt uit artikel 5:46, juncto artikel 3:4 van de Awb. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de boete, moet gekeken worden naar de ernst van de overtreding en de verwijtbaarheid van de overtreder. In het kader van de verwijtbaarheid kan de mate van voorzienbaarheid een rol spelen.

6.3.

Verweerder heeft vastgesteld dat het slachtoffer haar hand had liggen op de schuiftafel. Hierbij bestond het risico dat de werknemer bij een beweging van de schuiftafel met een vinger tussen de gleuf kan komen. Verweerder meent dat dat het ongeval dan ook voorzienbaar was. Indien er sprake is van bewegende delen bij een arbeidsmiddel, bestaat er het risico op beknelling. In dit geval is dat risico niet erkend en is er niet goed geverifieerd of niemand de handen in de buurt van de machine had tijdens het opstarten.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de werkgever om kritisch te kijken naar alle risico’s die er zijn bij het gebruik van een arbeidsmiddel en een risico inventarisatie te maken. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat er in de sealmachine een gleuf aanwezig was waar eventueel een vinger in bekneld kon raken. Daarnaast is er gebleken van bewegende delen en die eventueel konden leiden tot beknelling. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat eiseres in ieder geval had kunnen voorzien dat er een risico bestond tot het mogelijk bekneld raken van lichaamsdelen. Een afscherming van de gleuf had dit kunnen voorkomen. Deze was echter niet aanwezig. Dat de fabrikant niet had voorzien dat er een dergelijk risico was en inmiddels de machine heeft aangepast, ontslaat eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet van haar eigen verantwoordelijkheid.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de machine aan alle eisen voldeed. Eiseres heeft in dat kader ook alle risico's geïnventariseerd. Van belang is dat de machine voorzien is van een CE-Markering en gebruikt wordt overeenkomstig de gebruiksvoorschriften. De machine is op diverse plaatsen, waaronder de inlegplek waar het ongeval zich voordeed, voorzien van afbeeldingen met veiligheidsinstructies, bij de machine ligt een visuele handleiding. Aangezien het slachtoffer afgestudeerd is op (het werken met) de machine en in dat kader de handleiding uitvoerig heeft bestudeerd, kent zij de inhoud van de handleiding. Verder is de machine voorzien van akoestische waarschuwingssignalen. Nadat deze signalen hoorbaar zijn, wordt de machine standaard eerst met een "slow start" opgestart. Pas daarna functioneert de machine op normale kracht. Eiseres heeft een Risico- Inventarisatie en Evaluatie gemaakt en de machine is daarin opgenomen. Dit blijkt ook uit de verklaringen die zijn opgenomen. Verder voert eiseres wekelijks onderhoud uit aan de machine en wordt de machine jaarlijks in opdracht van eiseres geïnspecteerd door de fabrikant. Naar aanleiding daarvan wordt er, in opdracht van eiseres, groot onderhoud gevoerd aan de machine.

7.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende sealmachine is voorzien van een CE-markering. Verweerder stelt ook niet dat de machine niet gebruikt is overeenkomstig de bijgevoegde gebruikersvoorschriften of dat er sprake is geweest van achterstallig onderhoud. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de machine ingevolge artikel 7.2, tweede lid, van het Arbobesluit wordt vermoed te voldoen aan de in artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit neergelegde eis dat, indien de bewegende delen van een arbeidsmiddel gevaar opleveren, zij zijn voorzien van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling waaronder de uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1372, ontslaat dit de werkgever niet van zijn algemene zorg- en onderzoeksplicht. Het is niet gebleken dat eiseres nadere veiligheidsmaatregelen heeft getroffen en om die reden de verwijtbaarheid ontbreekt.

7.2.

Voor zover eiseres meent dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 1, elfde lid, onder a van de beleidsregel, heeft eiseres dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Eiseres stelt dat zij een Risico- Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) heeft gemaakt en de machine daarin is opgenomen, maar er is geen nader document overgelegd waaruit blijkt dat er een RI&E is opgemaakt ten aanzien van deze machine en op basis hiervan een veilige werkwijze is opgesteld door eiseres. Het is niet gebleken dat eiseres de gevaren en de risico’s van de open ruimte tussen de traanplaten en de metalen plaat waar de schuiftafel over beweegt, heeft onderkend.

8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij voldoende randvoorwaarden heeft gecreëerd. Eiseres heeft een gecertificeerde machine aangeschaft die voorzien is van akoestische waarschuwingssignalen en visuele instructies.

8.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de noodzakelijke randvoorwaarden in de zin van artikel 1, elfde lid, onder b, van de beleidsregel niet aanwezig waren. Dat er sprake is van een CE-markering is niet voldoende, gelet op de eigen zorg- en onderzoeksplicht van eiseres. Daarnaast zijn de waarschuwingssignalen niet gehoord door het slachtoffer. Een reden hiervan zou kunnen zijn dat zij gehoorbeschermers droeg en de radio aan was. De rechtbank stelt verder vast dat op de door eiseres overgelegde foto’s blijkt dat de visuele instructies niet zagen op het voorkomen van het onderhavige ongeval. De rechtbank stelt ook vast dat de heer [naam 5] werknemer van eiseres, heeft verklaard dat hij gekeken heeft of iemand zijn handen in de sealmachine had, maar niet kon zien waar het slachtoffer haar handen had. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier uit dat er geen sprake was van een goede communicatie tussen beide werknemers waardoor het ongeval had kunnen worden voorkomen.

9. Eiseres meent verder dat er voldoende instructies zijn gegeven aan het slachtoffer. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat de gegeven instructies zagen op het voorkomen van dit ongeval. Er is de rechtbank niet gebleken van instructies over het veilig opstarten van de betreffende machine of het niet leggen van handen op de schuifplaten van de machine. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de hoogte van de boete niet gematigd op grond van artikel 1, elfde lid, onder c, van de beleidsregel.

10. Eiseres meent verder dat er adequaat toezicht was. De rechtbank stelt vast dat uit de toelichting op het besluit tot wijziging van artikel 1, eerste lid, onder elf, van de Beleidsregel (Staatscourant 2015, nr. 46081) volgt dat de matigingsgronden niet cumulatief zijn en apart van elkaar beoordeeld dienen te worden. In de toelichting staat echter dat wel sprake kan zijn van een samenhang tussen de verschillende matigingsgronden, "er zal bijvoorbeeld doorgaans geen sprake kunnen zijn van adequaat toezicht als er geen veilige werkwijze is ontwikkeld. Adequaat toezicht ziet immers op de toepassing van de veilige werkwijze." De rechtbank ziet dit bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3044. In dit geval is niet in geschil dat er toezicht heeft plaatsgevonden, maar, of deze adequaat was. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat de toezicht ziet op het naleven van een veilige werkwijze. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen vaststellen dat er niet gebleken is van een veilige werkwijze, zodat om die reden het toezicht niet adequaat was. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende toezicht was, omdat is komen vast te staan dat de machine is opgestart zonder dat het duidelijk was waar het slachtoffer haar handen had.

11. Daarnaast meent eiseres dat verweerder ten onrechte een boete van € 750,- heeft opgelegd aan eiseres vanwege het overtreden van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet. Aan de medewerkers van eiseres is medegedeeld dat het ziekenhuis de melding zou doorgeven. De heer De Jager, de bevoegde persoon om deze meldingen te doen was ten tijde van het ongeval op vakantie. Twee dagen na het ongeval is het ongeluk vervolgens gemeld.

11.1.

De verplichting ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Arbowet om direct melding te doen bij de inspectie van SZW is een verplichting voor de werkgever. Het is voor eigen rekening en risico om deze melding door een derde te laten verrichten. Daarnaast had eiseres voor vervanging kunnen zorgen tijdens vakantie van de bevoegde persoon om meldingen te doen of moeten toezien op de mogelijkheid om dergelijke meldingen te laten doen door de bevoegde persoon tijdens zijn vakantie. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van eiseres. Niet is gebleken dat de te late melding niet aan eiseres verweten kon worden.

12. Eiseres heeft aangevoerd dat de fabrikant de machine heeft aangepast en eiseres inmiddels ook beschikt over een aangepaste machine. Bij brief van 16 augustus 2019 heeft eiseres een viertal foto’s ingezonden waarop te zien is dat er aanpassingen zijn gedaan. Hoewel uit vaste jurisprudentie blijkt dat ook inspanningen na overtreding aanleiding kunnen vormen voor matiging, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2831, is het aan de hand van de overgelegde foto’s niet voldoende duidelijk wanneer de aanpassingen zijn gedaan en hoe lang verweerder al beschikt over een aangepaste sealmachine. Naar het oordeel van de rechtbank bestond ten tijde van het bestreden besluit geen grond om de boete om die reden lager vast te stellen.

13. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat alsnog matiging van de boete aan de orde is, vanwege de nieuwe beleidsregel van 23 juli 2019. Conform deze nieuwe beleidsregel wordt het letsel aangemerkt als een licht blijvend letsel. Uit artikel 1, tiende lid, onder b, volgt dat bij een arbeidsongeval dat leidt tot licht blijvend letsel de boetenormbedragen voor de daaraan ten grondslag liggende overtredingen worden vermenigvuldigd met drie. Hieruit volgt dat de boete om die reden vastgesteld moet worden op € 13.500,- vanwege overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, juncto artikel 7.4, derde lid van het Arbobesluit.

14. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de beslistermijn waarbinnen op het bezwaarschrift had moeten worden beslist ruim is overschreden. Voor zover zij nu het standpunt inneemt dat de redelijke termijn is overschreden, oordeelt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad hanteert de rechtbank hierbij het uitgangspunt dat de berechting van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als niet binnen twee jaar na de aankondiging van de boetes door de rechtbank uitspraak is gedaan. Hiervan kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld bijzondere complexiteit van de zaak of vertragend optreden van de zijde van eiser(es).

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in dit geval is aangevangen met het voornemen van 24 juni 2016. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar eindigde op 25 juni 2018 en daarom is overschreden als de rechtbank uitspraak doet in deze zaak. Geconstateerd dient te worden dat de redelijke termijn in deze fase is overschreden met ruim 12 maanden.

Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete in beginsel gematigd met 5% per half jaar afgerond naar boven (uitspraak van 16 januari 2017 van het College van beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2017:32). De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken.

Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn overschreden met meer dan 1 jaar, zodat de boete in totaal dient te worden gematigd met 15%. De rechtbank gaat daarbij uit van een boetebedrag van € 13.500,- vanwege overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, juncto artikel 7.4, derde lid van het Arbobesluit, vermeerderd met het boetebedrag van € 750,- vanwege overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er grond om het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de boete te vernietigen, de boete vast te stellen op € 12.112,50 en te bepalen dat voor wat betreft de vaststelling van de boete deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.

16. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- herroept het primaire besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- bepaalt dat de opgelegde boete € 12.112,50 bedraagt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover het

de hoogte van de boete betreft;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.E. Melissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.