Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:362

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
08-993008-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 74-jarige man tot een taakstraf van 60 uren en een geldboete van 7500 euro voor het opzettelijk gebruik maken van een vals of een vervalst geschrift. De man heeft ter verkrijging van een subsidie voor de aankoop van een landbouwmachine een factuur ingediend waarop een hogere prijs dan de werkelijk overeengekomen en te betalen prijs stond. Als gevolg daarvan heeft de man teveel subsidie gekregen. Zie ook:

ECLI:NL:RBOVE:2019:356

ECLI:NL:RBOVE:2019:357

ECLI:NL:RBOVE:2019:358

ECLI:NL:RBOVE:2019:359

ECLI:NL:RBOVE:2019:360

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-993008-17 (P)

Datum vonnis: 4 februari 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1945 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.J. Heidema en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. A. Kroondijk, advocaat te Wolvega, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte

opzettelijk een valse factuur heeft verzonden naar de Dienst Regelingen teneinde een subsidie voor landbouwapparatuur met GPS te verkrijgen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 mei 2013 tot

en met 19 augustus 2013, te Finsterwolde (gemeente Oldambt), althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een geschrift als ware het echt en

onvervalst, te weten een factuur met factuurnummer 204685, d.d. 17 mei 2013,

gericht aan [verdachte] ; (Vindplaats: D-0034a)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

- bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

dat geschrift heeft/hebben verzonden, althans doen toekomen, aan de Dienst

Regelingen (ter verkrijging van een subsidie voor landbouwapparatuur met GPS),

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op voornoemde factuur een

hogere verkoopprijs is vermeld dan werkelijk is betaald, althans dat op de

factuur niet is vermeld dat een (groot) deel van de verkoopprijs door middel

van een creditfactuur is teruggestort op de bankrekening van verdachte en/of

zijn mededader(s).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

In de ten laste gelegde periode bestond voor agrariërs de mogelijkheid om bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), voorheen Dienst Regelingen geheten, subsidies in de precisielandbouw aan te vragen. De subsidie-aanvrager kon voor het aanvragen van de subsidie inloggen op een digitaal loket voor agrarische ondernemers. De subsidie aanvrager vulde na het inloggen een digitaal aanvraagformulier in via het e-loket. De aanvrager vermelde welke investering hij wilde gaan doen. De aanvrager vulde het soort investering en het investeringsbedrag in en voegde bij de aangifte een gespecificeerde offerte. Aan de hand van de offerte werd de maximaal te ontvangen subsidie berekend. Na invulling van het aanvraagformulier volgde na enige tijd een brief van de subsidieverstrekker met daarin de beslissing van de Dienst Regelingen over de subsidieaanvraag. In de brief stond of de aanvrager in aanmerking kwam voor de subsidie en het maximaal uit te keren subsidiebedrag. In de brief stond ook een termijn waarbinnen de investering gerealiseerd moest zijn. De aanvrager kon, na de gedane investering, de toegekende subsidie laten vaststellen en uitkeren. De aanvrager vulde daartoe via het e-loket een digitaal aanvraagformulier in. Bij de vaststellingsaanvraag diende de aanvrager als bewijs van de investering facturen en betaalbewijzen mee te sturen. Op basis van de informatie uit de vaststellingsaanvraag en de meegestuurde bewijsstukken volgde een beslissing van de Dienst Regelingen. De aanvrager kreeg een brief met daarin de beschikking. In de brief stond het uit te keren subsidiebedrag en de mededeling van de wijze waarop de subsidie werd uitgekeerd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft zijn standpunt onder meer gebaseerd op de zich in het dossier bevindende factuur van 17 mei 2013, de creditnota van 29 mei 2013 en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] .

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit, omdat de op de factuur van 17 mei 2013 vermelde machine volledig is geleverd en betaald en de creditnota van 29 mei 2013 verband hield met vergoeding van gewasschade en niet met een zogenoemde prijsafspraak tussen verdachte en [bedrijf] . Verdachte kan derhalve als pleger noch als medepleger worden aangemerkt.

4.4

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 17 mei 2013 is ter zake van de aankoop door verdachte van een Amazone UX 4200 veldspuit bij [bedrijf] (hierna ook: [bedrijf] ) een factuur ten bedrage van € 144.750,-- exclusief btw opgemaakt. Deze factuur is op 21 juni 2013 volledig door verdachte betaald.2

Op 29 mei 2013 is ten behoeve van verdachte een creditnota van € 51.000,-- exclusief btw opgesteld. Deze is op 18 juni 2013 betaald.3

Op 30 mei 2013 is in verband met de inruil van een Dubex veldspuit een creditfactuur van

€ 20.000,-- exclusief btw opgesteld ten behoeve van verdachte.4 Uit een in de administratie van [bedrijf] ten name van verdachte aangetroffen dagrapport valt af te leiden dat deze Dubex is ingeruild op de aan te schaffen Amazone UX 4200.5

In de administratie van [bedrijf] is voorts een document aangetroffen waarin onder meer staat:

  • -

    ‘Door ons te betalen: Amazone spuit € 175.147,--‘ en

  • -

    ‘Door ons te ontvangen: verschil wat wij te veel betalen op de nieuwe spuit i.v.m. rekening en echt bedrag: € 85.910,--‘. 6

De rechtbank concludeert dat het in dit document genoemde bedrag van € 175.147,-- overeenkomt met de prijs van de Amazone veldspuit op de factuur van 17 mei 2013 inclusief btw, en dat het bedrag van € 85.910,-- overeenkomt met het bedrag van de inruil van de Dubex veldspuit (€ 24.200,-- inclusief btw) vermeerderd met het bedrag van de creditfactuur van 29 mei 2013 (€ 61.710,-- inclusief btw).

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat met ‘echt bedrag’ in dit document wordt bedoeld het bedrag dat verdachte, zoals met hem overeengekomen, in werkelijkheid voor de spuit moest betalen.7

Omstreeks 19 augustus 2013 heeft verdachte een verzoek tot vaststelling van een subsidie gedaan op basis van het in de factuur van 17 mei 2013 genoemde bedrag van € 144.750,-- exclusief btw. Verdachte heeft in de bijlage de factuur en het betalingsbewijs meegestuurd.8

Verdachte heeft ontkend dat er sprake was van een prijsafspraak tussen hem en [bedrijf] en dat de factuur van 17 mei 2013 vals is. Verdachte heeft daartoe gesteld dat de creditfactuur van 29 mei 2013 zag op vergoeding van gewasschade die hij als gevolg van een foutieve reparatie door [bedrijf] heeft geleden. De rechtbank acht deze stelling niet aannemelijk geworden, gelet op al het voorgaande en mede in acht genomen dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard niet bekend te zijn met de door verdachte gestelde gewasschade en er ook overigens geen objectieve aanwijzingen voor de gestelde schade zijn gevonden.

De rechtbank acht op basis van de weergegeven feiten en omstandigheden, telkens in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte ter verkrijging van een subsidie opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse factuur als ware deze echt en onvervalst.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van verdachte op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 17 mei 2013 tot en met 19 augustus 2013, in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een geschrift als ware het echt en

onvervalst, te weten een factuur met factuurnummer 204685, d.d. 17 mei 2013,

gericht aan [verdachte] ;

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

- bestaande dat gebruik maken hierin dat hij dat geschrift heeft doen toekomen, aan de Dienst Regelingen (ter verkrijging van een subsidie voor landbouwapparatuur met GPS),

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op voornoemde factuur een

hogere verkoopprijs is vermeld dan werkelijk is betaald.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 100 uren en een geldboete van € 6.600,--.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop, de omstandigheid dat verdachte een zogenoemde “first offender” is en het feit dat verdachte de verkregen subsidie inmiddels geheel heeft terugbetaald.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft ter verkrijging van een subsidie wegens de aankoop van een landbouwmachine een factuur ingediend waarop een hogere prijs dan de werkelijk overeengekomen prijs stond. Als gevolg daarvan heeft verdachte teveel subsidie gekregen. Het vertrouwen in documenten met een bewijsbestemming wordt door gebruikmaking van dergelijke valse stukken ernstig geschaad. De integriteit van het financiële en economische verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van stukken die tot enig bewijs dienen, zoals de factuur in kwestie. Dit vertrouwen is door het handelen van verdachte aangetast. De rechtbank weegt voorts mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn kwalijke handelen heeft genomen en blijft volharden in zijn onaannemelijke verklaring over de reden van de creditfactuur, te weten gewasschade.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Gelet op al het voorgaande en mede in acht genomen het tijdsverloop acht de rechtbank een werkstraf en een geldboete passend en geboden. De rechtbank houdt rekening met de verklaring van verdachte dat hij liever een hogere geldboete krijgt dan een forse taakstraf, omdat hij zijn akkerbouwbedrijf zonder hulp van derden bestiert.

Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de hoogte van het bedrag waaruit de valsheid bestond en de beoogde subsidiebenadeling, stelt de rechtbank de hoogte van de geldboete vast op € 7.500,--. De rechtbank acht daarnaast een werkstraf voor de duur van 60 uren op zijn plaats.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 23 en 24 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 (zestig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (een) maand;

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 7.500,-- (vijfenzeventig honderd euro),

bij gebreke aan betaling of verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen

hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 DOC-0034a; DOC-0034b.

3 DOC-0087, pagina’s 6 en 8.

4 DOC-0087, pagina 4.

5 DOC-0079.

6 DOC-0080.

7 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 1 november 2016, pagina 259, twaalfde en dertiende alinea.

8 DOC-0034.