Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3605

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
C/08/231359 / HA ZA 19-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert schadevergoeding op basis van onrechtmatige daad. Door de politierechter en vervolgens door het hof is gedaagde veroordeeld op grond van het feit dat hij wederrechtelijk voer heeft weggenomen van het erf van eiser. Eiser stelt dat hij zelf schade heeft geleden door de diefstal van het voer en dat tevens de varkenshandel waarmee hij een voergeldconstructie heeft, schade heeft geleden. Deze varkenshandel heeft haar schade aan eiser gecedeerd. De rechtbank komt tot het oordeel dat er sprake is van een onrechtmatige daad die aan gedaagde kan worden toegerekend. De schade, die op grond van artikel 6:97 BW is geschat en door eiser is gevorderd, wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/231359 / HA ZA 19-189

Vonnis van 25 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.J. van der Kolk te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats]

gedaagde,

advocaat mr. G.E.J. Kornet te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2019

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 augustus 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft een boerenbedrijf en houdt zich in dat kader bezig met het opfokken van varkens. De varkens (biggen) worden op jonge leeftijd door Handelshuis-Varkenshandel [bedrijf] bij [eiser] ondergebracht en worden door [bedrijf] weer opgehaald en verkocht als de varkens slachtrijp zijn. Tussen [eiser] en [bedrijf] bestaat een voergeldconstructie. [bedrijf] is daarin aan te merken als voergeldgever en [eiser] als voergeldnemer. Op het erf van [eiser] bevinden zich silo’s (silo 3 en silo 5) voor de opslag van het voer voor de varkens. Deze silo’s worden gevuld met voer dat door [bedrijf] wordt ingekocht bij de firma ‘Agrifirm’. [eiser] krijgt een vergoeding voor het huisvesten, verzorgen en grootbrengen van de varkens. De hoogte van die vergoeding is resultaatafhankelijk en is onder meer gerelateerd aan het gewicht van de bij de slacht aangeleverde varkens en aan de kosten voor het grootbrengen van de varkens. De vergoeding die [eiser] ontvangt is wisselend van omvang.

2.2.

In het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op 26 maart 2018 onder parketnummer 21-003629-16, heeft het hof in hoger beroep tegen het eerdere vonnis van de politierechter (rechtbank Overijssel, 17 juni 2016) bewezen geacht dat ‘hij [ [gedaagde] ] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2015 te [plaats] , meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen varkensvoer, geheel of ten dele toebehorende aan [eiser] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte’. Aan [gedaagde] is bij dit arrest een straf opgelegd.

2.3.

[gedaagde] is de overbuurman van [eiser] .

2.4.

Bij akte van cessie van 4 maart 2019, geregistreerd bij de fiscus op 5 juni 2019, heeft [bedrijf] zijn vordering op [gedaagde] ter zake van diefstal van voer gecedeerd aan [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 28.700,00, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 28 juli 2015 (dan wel vanaf de dag van dagvaarding), alsmede veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.010,17 met veroordeling van [gedaagde] in de kosten en de nakosten van de procedure.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en [bedrijf] door voer van het erf van [eiser] weg te nemen. [eiser] stelt dat dit onrechtmatig handelen aan [gedaagde] kan worden toegerekend, zodat [gedaagde] tot schadevergoeding kan worden aangesproken. [eiser] stelt verder dat zowel hijzelf als [bedrijf] schade hebben geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen. [bedrijf] heeft in dat kader zijn schadevordering op [gedaagde] gecedeerd aan [eiser] .

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. [gedaagde] betwist dat hij voer heeft weggenomen. Verder voert hij tegen de schadevordering aan dat de cessie niet aan hem is meegedeeld, dat [eiser] zijn schade had moeten beperken en dat de gevorderde schade onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. [gedaagde] betwist de hoogte van de schade. Volgens [gedaagde] is beoordeling daarvan door een deskundige noodzakelijk.

3.4.

De standpunten van partijen zullen hierna nader worden besproken.

4 De beoordeling

4.1.

In het geschil staat centraal de stelling van [eiser] dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door voer weg te nemen uit een silo (silo 5) op het erf van [eiser] . [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord betwist dat hij voer heeft weggenomen. Volgens [gedaagde] zou hij, overeenkomstig hetgeen hij bij het hof heeft verklaard, het voer niet hebben gestolen maar het voer langs de weg hebben aangetroffen en naar het erf van [eiser] hebben teruggebracht. De rechtbank zal aan dit verweer van [gedaagde] voorbij gaan op grond van het volgende. Uit de processen verbaal die door [eiser] bij dagvaarding zijn overgelegd volgt dat [gedaagde] op 28 juli 2015 ’s nachts om 02:51 uur door de politie is aangehouden omdat [eiser] hem kort daarvoor had betrapt op zijn erf. [eiser] heeft daarover aan de politie verklaard: “Ik zag dat hij een voerkar bij zich had waar zeker 200 kg voer in kan vervoeren. Ik zag en hoorde dat hij naar de silo liep en voer uit tapte. Ik ben daarop naar hem toegelopen en heb hem bij de arm gepakt en hem verteld dat hij is aangehouden voor diefstal. Ik heb daarna direct de politie gebeld.” [gedaagde] is daarna door de politie gehoord en heeft daarbij verklaard dat hij voer bij [eiser] heeft weggenomen en dat hij dat heeft gedaan sinds januari 2014. Verder blijkt uit de processen-verbaal dat de politie op het erf van [gedaagde] blauwe tonnen heeft aangetroffen die volledig waren gevuld met voer gelijkend op het voer dat was weggenomen bij [eiser] . Op basis van deze feiten heeft het hof in hoger beroep in het arrest van 26 maart 2018 wettig en overtuigend bewezen geacht dat [gedaagde] diefstal van varkensvoer heeft gepleegd. De diefstal van het voer is daarmee in een tweede feitelijke instantie vastgesteld. Voor de lezing van [gedaagde] dat hij het voer zou hebben teruggebracht, zijn in de strafzaak geen aanwijzingen gevonden. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] in de onderhavige procedure evenmin nadere feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de onrechtmatige daad van [gedaagde] , bestaande in het wegnemen van voer van het erf van [eiser] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2015, is komen vast te staan en dat deze aan [gedaagde] is toe te rekenen.

4.2.

Het voer in de silo’s op het erf van [eiser] behoort in eigendom toe aan [bedrijf] . [bedrijf] heeft de schade die hij heeft geleden als gevolg van voornoemde onrechtmatige daad van [gedaagde] middels een akte van cessie overgedragen aan [eiser] . Op de comparitie is gebleken dat deze akte is geregistreerd bij de fiscus, zodat de cessie daarmee vaststaat. Dit maakt dat [eiser] zowel zijn eigen schade als de schade van [bedrijf] van [gedaagde] kan vorderen.

4.3.

[eiser] stelt dat niet alleen [bedrijf] maar ook hijzelf schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] . De kosten voor het grootbrengen van de biggen lagen in de periode van de diefstal immers hoger doordat er meer voer aangeleverd is om het weggenomen voer te compenseren. [eiser] is daardoor benadeeld. [gedaagde] heeft tegen de schadevordering van [eiser] aangevoerd dat er een deskundige aan te pas moet komen om de schade vast te kunnen stellen. Voorts voert [gedaagde] aan dat van [eiser] verwacht mag worden dat hij schadebeperkende maatregelen heeft genomen en dat hij in dat kader eerder had kunnen signaleren dat er iets aan de hand was met het voer.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan aan [eiser] niet worden tegengeworpen dat hij de diefstal eerder had moeten ontdekken. Uit hetgeen [eiser] bij dagvaarding heeft gesteld en voorts ook volgt uit de verklaring van [eiser] tegenover de politie, heeft [eiser] in eerste instantie gedacht dat het aan hemzelf lag dat één van zijn silo’s (silo 5) sneller leeg was dan hij gewend was. In de loop van de tijd is hij er verder over gaan nadenken en dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat hij met zijn zoon ’s nachts is gaan posten om te zien wat er gebeurde. Als gevolg daarvan is de diefstal aan het licht gekomen.

4.5.

Voor de verdere beoordeling van de vordering is van belang om vast te stellen wat de hoogte van de schade is. De schade die [eiser] zelf heeft geleden is niet eenvoudig vast te stellen. [eiser] heeft op de comparitie nader toegelicht op welke wijze zijn vergoeding voor het grootbrengen van de varkens tot stand komt. Het is duidelijk dat die vergoeding resultaat afhankelijk is. Hoe beter [eiser] erin slaagt om met zo min mogelijk voer een zo groot mogelijke opbrengst (kilo’s varken) te genereren, hoe hoger de vergoeding is die [eiser] verkrijgt. [eiser] was gewend om beter te presteren, dat wil zeggen een betere groeiconversie te realiseren, dan het gemiddelde van de afnemers van Agrifirm. Hij was daarom gewend om een bepaalde toeslag te ontvangen. In plaats daarvan heeft [eiser] te maken gekregen met een bedrag dat hij moest betalen. Hoewel duidelijk is dat de resultaten van [eiser] als gevolg van de diefstal negatief zijn beïnvloed, is de exacte schade moeilijk te berekenen. [eiser] heeft daarom een beroep gedaan op artikel 6:97 BW waarin is bepaald dat de schade mag worden geschat wanneer de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] in deze situatie met recht een beroep gedaan op deze bepaling. In de omstandigheid dat de schade is veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] , kan aan [eiser] niet worden tegengeworpen dat de exacte schade niet kan worden vastgesteld als gevolg van de complexiteit daarvan.

4.6.

[eiser] heeft voor vergoeding van schade een bedrag van € 28.700,00 gevorderd. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft [eiser] als uitgangspunt genomen de hoeveelheid extra ingekocht voer. De rechtbank overweegt dat dit onderdeel van de schade, feitelijk alleen de schade betreft die door [bedrijf] is geleden en die bij cessie aan [eiser] is overgedragen. De hoeveelheid verdwenen voer is als volgt berekend. [eiser] gebruikte in de periode van januari 2014 tot en met 28 juli 2015 voor het voeren van de biggen twee voersilo’s. De inhoud van een silo bedraagt 5000 kg voer. Het aantal dieren dat gevoed werd uit silo 3 was ongeveer twee keer zo groot als het aantal dieren dat gevoed werd uit silo 5. Dat betekende dat wanneer silo 3 na twee weken leeg was, silo 5 na twee weken nog tot de helft (voor 2.500 kg) gevuld was. Tijdens de periode van het wegnemen van voer was silo 5 eveneens al na veertien dagen leeg. De periode waarin de diefstal plaatshad bedroeg 82 weken. Ervan uitgaande dat er elke twee weken een hoeveelheid van 2.500 kg voer werd weggenomen à 28 cent per kg, bedraagt de schade een bedrag van € 28.700,00 (41 x 2.500 x 0,28). Tegen deze benadering van de schade zijn door [gedaagde] geen concrete verweren aangevoerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de schade in elk geval € 28.700,00 bedraagt. Deze vordering van [eiser] is toewijsbaar. [eiser] heeft de overige schade in deze berekening dus buiten beschouwing gelaten.

4.7.

Over het bedrag van de schade is, zoals gevorderd, de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijsbaar, te rekenen vanaf 28 juli 2015.

4.8.

[eiser] heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd.

De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Wil er sprake zijn van afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten, dan zal het moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een - niet aanvaard

- schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De rechtbank stelt vast dat [eiser] enkel heeft gesteld dat zijn rechtsbijstandsverzekeraar bij brief van 20 april 2018 [gedaagde] aansprakelijk heeft gesteld en heeft verzocht om de schadevordering uiterlijk voor 1 mei 2018 te voldoen. [gedaagde] heeft daarop te kennen gegeven niet tot betaling over te gaan. In casu is dus sprake van één enkele brief. Hiervoor biedt de proceskostenveroordeling een vergoeding. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,06

- griffierecht 914,00

- salaris advocaat 1.390,00 (2,0 punt × tarief € 695,00)

Totaal € 2.407,06

4.10.

[eiser] heeft daarnaast vergoeding van nakosten gevorderd en heeft daarbij expliciet verzocht om een bedrag van € 131,00 zonder betekening, dan wel € 199,00 in geval van betekening. Deze kosten worden toewijsbaar geacht, zoals gevorderd.

4.11.

Overeenkomstig de vordering van [eiser] zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de nakosten worden toegewezen als hierna omschreven.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 28.700,00 (achtentwintig duizendzevenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 28 juli 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.407,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.1 (AP)

1 type: coll: