Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3602

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
7873211 \ EJ VERZ 19-220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek- en verweerschrift voorgelegd op basis van artikel 7:671b lid 1 BW en op basis van artikel 96 Rv. De kantonrechter overweegt dat het verzoek op basis van artikel 7:671 lid 1 BW zal worden behandeld en voorts zal worden beoordeeld op grond van de wettelijke bepalingen van de WWZ. Werknemer is aan te merken als een topfunctionaris in de zin van de WNT. De WNT (artikel 2.10) alsmede de daarbij behorende Uitvoeringsregels en Beleidsregels spelen een rol bij de beoordeling. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op de g-grond. Bepaald wordt dat de transitievergoeding in dit geval niet wordt genormeerd door de WNT, aangezien de transitievergoeding rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Het loon over de opzegtermijn wordt niet aangemerkt als een uitkering wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst en zal daarom niet in mindering strekken op de transitievergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 7873211 \ EJ VERZ 19-220

Beschikking van de kantonrechter van 27 september 2019

in de zaak van

de stichting STICHTING KADERA AANPAK HUISELIJK GEWELD,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

verzoekende partij, hierna te noemen Kadera,

gemachtigde: mr. R.H.H.G. Kroeze,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [plaats] ,

verwerende partij, hierna te noemen [verweerder] ,

gemachtigde: mr. H.H. de Boef.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van Kadera, op de griffie ontvangen op 28 juni 2019;

- het verweerschrift met bijlagen van [verweerder] ;

1.2.

Op 17 september 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen bijgehouden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren [1960], is op 1 januari 2008 in dienst gekomen bij Kadera. Zijn functie betrof laatstelijk die van waarnemend directeurbestuurder, voor 32 uur per week (0,88890 fte) tegen een salaris van € 7.007,20 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag van 8% en eindejaarsuitkering van 8,3% en overige emolumenten conform cao Sociaal Werk).

2.2.

Op 4 maart 2019 heeft Kadera [verweerder] op non-actief gesteld. [verweerder] heeft bij brief van 26 maart 2019 van zijn gemachtigde tegen deze non-actiefstelling geprotesteerd en heeft daarbij verklaard zich beschikbaar te houden om de werkzaamheden te hervatten. [verweerder] heeft tevens een procedure in kort geding aanhangig gemaakt om tot de werkzaamheden toegelaten te worden. Die procedure is voor de zitting (op 12 juni 2019) ingetrokken. Daarna is de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

2.3.

In artikel 1.1 sub i WNT (Wet normering topinkomens) is bepaald:

uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband: de som van uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband en beloningen betaalbaar op termijn die betrekking hebben op de beëindiging van het dienstverband, met uitzondering van uitkeringen die voortvloeien uit een algemene bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst of van een van toepassing zijnde collectieve regeling die is overeengekomen met verenigingen van werknemers of ambtenaren die bevoegd zijn afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, of uit een wettelijk voorschrift;

2.4.

In artikel 2.10 WNT lid 1 en lid 3 is bepaald:

1. Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75 000 [thans € 81 000]. In geval van een dienstverband met een kleinere omvang dan het bij de verantwoordelijke gebruikelijk voltijdse dienstverband bedragen de uitkeringen ten hoogste € 75 000 [thans € 81 000], vermenigvuldigd met het aantal uren waarop het dienstverband betrekking heeft en gedeeld door het aantal uren van een voltijds dienstverband.

(…)

3. Voor de toepassing van deze wet wordt bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt aangemerkt als datum waarop het dienstverband is geëindigd.

2.5.

In artikel 4 lid 2 Uitvoeringsregeling WNT is bepaald:

Tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband wordt niet gerekend de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband die voortvloeit uit een algemene bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst of van een van toepassing zijnde collectieve regeling die is overeengekomen met verenigingen van werknemers of ambtenaren die bevoegd zijn afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, of uit een wettelijk voorschrift, doch slechts voor zover de uitkering rechtstreeks, dwingend en eenduidig daaruit voortvloeit.

2.6.

In paragraaf 4 artikel 10 van de Beleidsregels WNT 2019 is bepaald:

Bezoldiging tijdens non-activiteit voorafgaand aan einde dienstverband telt in afwijking van het bepaalde in artikel 2.10, derde lid van de WNT, niet mee als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband maar als bezoldiging indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de non-activiteit is eenzijdig door de werkgever opgelegd;

b. de topfunctionaris heeft uitdrukkelijk en aantoonbaar niet met de non-activiteit ingestemd, enerzijds doordat de topfunctionaris daartegen heeft geprotesteerd en anderzijds doordat de topfunctionaris zich bereid heeft verklaard tot en beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van zijn of haar arbeid, en

c. de periode van non-activiteit niet langer duurt dan noodzakelijk voor partijen om afspraken te maken en besluiten te nemen over de beëindiging, dan wel voortzetting van het dienstverband, waarbij een periode van drie maanden (die eenmaal, gemotiveerd, met drie maanden dan worden verlengd) in het algemeen als voldoende wordt beschouwd voor partijen om uit een impasse te komen.

3 Het verzoek

3.1.

Kadera heeft in haar verzoekschrift met als aanhef Verzoekschrift ex artikel 7:671b lid 1 sub a juncto artikel 7:669 lid 1 en 3 sub g BW en verzoek ex artikel 96 Rv verzocht:
I de tussen Kadera en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671b jo 669 lid 3 sub g BW te ontbinden met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van 3 maanden, derhalve per 1 oktober 2019 wegens de daarvoor aangevoerde redelijke grond van de verstoorde arbeidsrelatie;

II te oordelen dat de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW niet wordt genormeerd door de WNT en [verweerder] recht heeft op een wettelijke transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ten laste van Kadera ad € 80.592,82 bruto;

III voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, de wettelijke transitievergoeding wordt toegekend, te oordelen dat de WNT niet in de weg staat aan het toekennen van bezoldiging gedurende de opzegtermijn tot het einde van de arbeidsovereenkomst, waarbij die bezoldiging niet ingevolge artikel 2.10 WNT zal worden aangemerkt als een uitkering wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst en derhalve niet in mindering zal mogen strekken op de transitievergoeding;

IV te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd.

3.2.

[verweerder] heeft hetzelfde gevraagd in zijn verweerschrift met de aanhef Verweerschrift ex artikel 7:671b BW juncto artikel 7:669 li 1 en 3 sub g BW en verzoek ex artikel 96 Rv.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben verzoeken aan de kantonrechter voorgelegd enerzijds op basis van artikel 7:671b BW en anderzijds op basis van artikel 96 Rv. De kantonrechter overweegt dat een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zich niet leent voor een procedure die gebaseerd is op artikel 96 Rv. Om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen kunnen partijen kiezen voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst met instemming van de werknemer of voor een in onderling overleg tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst. Wanneer de werknemer niet instemt met de door de werkgever voorgestelde opzegging, kan de werkgever bij het UWV om toestemming vragen voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst, waarna opzegging kan volgen. Tussenkomst van de kantonrechter, al dan niet op basis van artikel 96 Rv, is in die situaties niet nodig. Anderzijds kunnen partijen ervoor kiezen om de bemoeienis van de kantonrechter in te roepen, door indiening van een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis artikel 7:671b BW. In dit laatste geval kan ontbinding van de arbeidsovereenkomst plaatsvinden op grond van een limitatieve reeks van redelijke gronden zoals neergelegd in artikel 7:669 lid 3 BW en is de kantonrechter bij de beoordeling van het verzoek aan de wettelijke bepalingen van titel 10, afdeling 9 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (of wel de WWZ) gebonden.

4.2.

In het onderhavige geval is verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter zal het verzoek daarom behandelen en beoordelen op grond van voornoemde wettelijke bepalingen van de WWZ. De overige verzoeken zullen op basis van artikel 7:686a lid 3 BW worden aangemerkt als daarmee verband houdende andere vorderingen die volgens die bepaling eveneens bij verzoekschrift kunnen worden ingediend.

4.3.

Aan het verzoek heeft Kadera ten grondslag gelegd dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet meer mogelijk is. Kadera heeft voor wat betreft de grondslag verwezen naar artikel 7: 669 lid 3 sub g BW.

4.4.

Uit het verweerschrift en hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht volgt dat [verweerder] niet kan ontkennen dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook [verweerder] ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.

4.5.

Gesteld noch gebleken is dat een opzegverbod van toepassing is.

4.6.

Nu partijen het erover eens zijn dat de arbeidsverhouding verstoord is, die verstoring onherstelbaar is en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat een opzegverbod van toepassing is, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.

4.7.

In dit geval is sprake van een opzegtermijn van drie maanden. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 november 2019.

4.8.

Op grond van artikel 7:673 lid 1 onder 2 BW heeft [verweerder] in deze situatie recht op toekenning van een transitievergoeding. Partijen zijn het er over eens dat de hoogte van de transitievergoeding een bedrag van € 80.592,82 bruto bedraagt. De kantonrechter overweegt voorts dat op de functie van [verweerder] de Wet normering topinkomens (WNT) van toepassing is. De transitievergoeding wordt in dit geval niet door de WNT genormeerd, aangezien de transitievergoeding rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijk voorschrift (vergelijk artikel 4 lid 2 Uitvoeringsregels WNT). Dit betekent dat ook onder de WNT de aanspraak van [verweerder] op de transitievergoeding rechtsgeldig is. De kantonrechter is van oordeel dat in deze situatie grond bestaat om een verklaring voor recht uit te spreken dat de transitievergoeding niet wordt genormeerd, zoals met het verzoek onder II wordt beoogd.

4.9.

Uit het verzoek- en het verweerschrift volgt verder dat [verweerder] op 4 maart 2019 op non-actief is gesteld en dat [verweerder] tegen die non-actiefstelling heeft geprotesteerd en in het kader daarvan in kort geding heeft gevorderd om weer toegelaten te worden tot de werkvloer. De mondelinge behandeling van dit kort geding stond gepland op 12 juni 2019. Op 11 juni 2019 is het kort geding ingetrokken en zijn partijen onderling in overleg gegaan. Partijen hebben ter zitting nader toegelicht dat zij op dat moment geen andere oplossing voor het geschil zagen dan de indiening van het onderhavige verzoek- en verweerschrift. Naar het oordeel van de kantonrechter moet er daarom van worden uitgegaan dat de periode van non-activiteit met behoud van salaris in dit geval geen onderdeel uitmaakte van een vooraf gemaakte afspraak van partijen over beëindiging van het dienstverband. Op basis van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden (de brief van 4 maart 2019 en het kortgeding) gaat de kantonrechter ervanuit dat er in dit geval sprake is van onvrijwillige non-activiteit zoals bedoeld in de Beleidsregels WNT, paragraaf 4, artikel 10. Het ligt daarom in de rede dat [verweerder] gedurende de periode van non-actiefstelling, waaronder de periode van de opzegtermijn, het recht op loon heeft behouden en dat dit loon niet kan worden aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, zoals bedoeld in artikel 2.10 WNT. Het verzoek onder III zal daarom worden toegewezen.

4.10.

Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2019;

5.2.

bepaalt dat aan [verweerder] op grond van artikel 7:673 BW een transitievergoeding toekomt ter grootte van € 80.592,82 bruto en dat deze vergoeding niet wordt genormeerd door de WNT;

5.3.

bepaalt dat de WNT niet in de weg staat aan het toekennen van bezoldiging gedurende de opzegtermijn tot het einde van de arbeidsovereenkomst, waarbij die bezoldiging niet ingevolge artikel 2.10 WNT zal worden aangemerkt als een uitkering wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst en derhalve niet in mindering zal mogen strekken op de transitievergoeding;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019. (AP)