Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:360

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
08-996104-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 43-jarige man tot een taakstraf van 160 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het medeplegen van valsheid in geschrift. Als medewerker van een rechtspersoon heeft de man zich meermaals schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door samen met anderen zeven facturen valselijk op te maken. Er werden facturen uitgereikt waarop een hogere verkoopprijs stond dan daadwerkelijk was overeengekomen. Dit om de klanten in staat te stellen met die te hoge factuur een te hoge subsidie aan te vragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Zie ook:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-996104-16 (P)

Datum vonnis: 4 februari 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.J. Heidema en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte alleen of samen met anderen zeven valse facturen heeft opgemaakt, door in strijd met de waarheid op de facturen een hogere verkoopprijs dan de werkelijke verkoopprijs te vermelden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en

met 31 december 2013 te Ulrum, gemeente De Marne, en/of te Midwolda, gemeente

Oldambt, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

rechtspersonen en/of natuurlijke personen, althans alleen,

(telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een/of meer facturen valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de volgende

facturen:

- factuur nummer 204347, d.d. 11 april 2013, gericht aan [naam 1] (doc-0055a);

- factuur nummer 204477, d.d. 26 april 2013, gericht aan [naam 2] en [naam 3] (doc-0073a);

- factuur nummer 204685, d.d. 17 mei 2013, gericht aan [bedrijf 1] (doc-0034a);

- factuur nummer 206783, d.d. 23 oktober 2013, gericht aan [naam 4] (doc-019a);

- factuur nummers 206805 en 206806, beiden d.d. 28 oktober 2013, beiden gericht aan [naam 5] (doc-0030c en 0030d);

- factuur nummer 207325, d.d. 27 december 2013, gericht aan [naam 6] (doc-0064a)

valselijk opgemaakt door (telkens) in strijd met de waarheid op voornoemde facturen een hogere dan de werkelijke verkoopprijs te vermelden

en (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gbruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding


Verdachte was in de ten laste gelegde periode (en is thans nog steeds) werkzaam als vertegenwoordiger bij [bedrijf 2] (hierna ook: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] drijft een groothandel in landbouwmachines, werktuigen en tractoren.

In de ten laste gelegde periode bestond voor agrariërs de mogelijkheid om bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), voorheen Dienst Regelingen geheten, subsidies in de precisielandbouw aan te vragen. De subsidie-aanvrager kon voor het aanvragen van de subsidie inloggen op een digitaal loket voor agrarische ondernemers. De subsidie aanvrager vulde na het inloggen een digitaal aanvraagformulier in via het e-loket. De aanvrager vermelde welke investering hij wilde gaan doen. De aanvrager vulde het soort investering en het investeringsbedrag in en voegde bij de aangifte een gespecificeerde offerte. Aan de hand van de offerte werd de maximaal te ontvangen subsidie berekend. Na invulling van het aanvraagformulier volgde na enige tijd een brief van de subsidieverstrekker met daarin de beslissing van de Dienst Regelingen over de subsidieaanvraag. In de brief stond of de aanvrager in aanmerking kwam voor de subsidie en het maximaal uit te keren subsidiebedrag. In de brief stond ook een termijn waarbinnen de investering gerealiseerd moest zijn. De aanvrager kon, na de gedane investering, de toegekende subsidie laten vaststellen en uitkeren. De aanvrager vulde daartoe via het e-loket een digitaal aanvraagformulier in. Bij de vaststellingsaanvraag diende de aanvrager als bewijs van de investering facturen en betaalbewijzen mee te sturen. Op basis van de informatie uit de vaststellingsaanvraag en de meegestuurde bewijsstukken volgde een beslissing van de Dienst Regelingen. De aanvrager kreeg een brief met daarin de beschikking. In de brief stond het uit te keren subsidiebedrag en de mededeling van de wijze waarop de subsidie werd uitgekeerd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan. De officier van justitie heeft zijn standpunt gebaseerd op de zich in het dossier bevindende facturen en dagrapporten en de bekennende verklaring van verdachte.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet als pleger van het ten laste gelegde kan worden aangemerkt, aangezien hij slechts de dagrapporten en niet de facturen heeft opgemaakt. [bedrijf 3] voerde de administratie, onder leiding van haar directie, waartoe [naam 7] en [naam 8] behoorden. Verdachte kan evenmin als medepleger worden aangemerkt, omdat daarvoor is vereist dat de mededaders eveneens strafrechtelijk worden aangesproken en veroordeeld, hetgeen hier niet het geval is. De strafzaken tegen genoemde medeverdachten zijn immers geseponeerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 11 april 2013 is ten name van [naam 1] een factuur van € 30.795,-- exclusief btw opgesteld wegens de aankoop van een aantal landbouwmachines.2 Op 12 juli 2013 is ten name van [naam 1] een creditnota van € 14.795,-- exclusief btw opgemaakt.3

Op 26 april 2013 is ten name van [naam 2] een factuur van € 26.500,-- exclusief btw opgesteld wegens de aankoop van een landbouwmachine. Op 19 augustus 2013 is ten name van [naam 2] een creditnota van € 10.750,-- exclusief btw opgemaakt.4

Op 17 mei 2013 is ten name van [bedrijf 1] een factuur van € 144.750,-- exclusief btw opgemaakt wegens de aankoop van een landbouwmachine.5 Op 29 mei 2013 is ter name van [bedrijf 1] een creditnota van € 51.000,-- exclusief btw opgemaakt.6

Op 23 oktober 2013 is een factuur ten name van [naam 4] van € 80.000,-- exclusief btw opgemaakt wegens de aankoop van een landbouwmachine.7 Op 30 april 2014 is ten name van [naam 4] een creditnota van € 9.500,-- exclusief btw opgemaakt.8

Op 28 oktober 2013 zijn ten name van [naam 5] twee facturen van € 132.000,-- exclusief btw respectievelijk € 36.000,-- exclusief btw opgemaakt wegens de aankoop van landbouwmachines.9 Op 7 mei 2014 zijn ten name van [naam 5] twee creditnota's van

€ 11.000,-- exclusief btw respectievelijk € 6.000,-- exclusief btw opgemaakt.10

Op 27 december 2013 is ten name van [naam 6] een factuur van € 130.000,-- exclusief btw opgemaakt wegens de aankoop van een landbouwmachine.11 Op 18 april 2014 is ten name van [naam 6] een creditnota van € 35.000,-- exclusief btw opgemaakt.12

Verdachte heeft bekend dat hij bij bovenstaande verkopen betrokken is geweest en dat de op de factuur vermelde prijzen hoger zijn dan de daadwerkelijk overeengekomen prijzen, teneinde de agrariërs in staat te stellen een hogere subsidie aan te vragen. Verdachte heeft verklaard dat hij de facturen niet zelf heeft opgemaakt, maar dat hij destijds wel in overeenstemming met de betrokken agrariërs en de directeur/boekhouder [naam 8] een te hoge factuur heeft laten uitgaan, gevolgd door een creditnota.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan. De rechtbank overweegt dat het verweer van de verdediging dat voor een veroordeling wegens medeplegen is vereist dat de mededaders eveneens strafrechtelijk worden aangesproken dan wel veroordeeld, geen steun vindt in het recht.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van verdachte op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 december 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en natuurlijke personen,

telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten facturen, valselijk heeft opgemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededaders de volgende facturen:

- factuur nummer 204347, d.d. 11 april 2013, gericht aan [naam 1] ;

- factuur nummer 204477, d.d. 26 april 2013, gericht aan [naam 2] en [naam 3] ;

- factuur nummer 204685, d.d. 17 mei 2013, gericht aan [bedrijf 1] ;

- factuur nummer 206783, d.d. 23 oktober 2013, gericht aan [naam 4]

- factuur nummers 206805 en 206806, beiden d.d. 28 oktober 2013, beiden gericht aan [naam 5] ;

- factuur nummer 207325, d.d. 27 december 2013, gericht aan [naam 6]

valselijk opgemaakt door in strijd met de waarheid op voornoemde facturen een hogere dan de werkelijke verkoopprijs te vermelden.

en met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop, de omstandigheid dat verdachte zelf geen voordeel met de gepleegde feiten heeft behaald en de grote impact die de strafzaak en de media aandacht op verdachte hebben gehad. De raadsman heeft voorts naar voren gebracht dat verdachte het als zeer onrechtvaardig heeft ervaren dat hij als enige werknemer van het bedrijf is vervolgd. De raadsman heeft de rechtbank gelet op het voorgaande verzocht te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich meermaals schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door samen met anderen zeven facturen valselijk op te maken. Er werden facturen uitgereikt waarop een hogere verkoopprijs stond dan daadwerkelijk was overeengekomen, om de klanten in staat te stellen met die te hoge factuur een te hoge subsidie aan te vragen. Dat verdachte daarmee geen persoonlijk financieel voordeel heeft behaald maakt het niet minder kwalijk. Verdachte wist immers dat er met de valse facturen zou worden gefraudeerd. De integriteit van het financiële en economische verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van stukken die tot enig bewijs dienen, zoals de facturen in kwestie. Door gebruikmaking van valse stukken wordt dat vertrouwen ernstig geschaad.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld wegens strafbare feiten.

De rechtbank acht gelet op al het voorgaande en mede in acht genomen het tijdsverloop een werkstraf voor de duur van 160 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 160 (honderdzestig) uren, te vervangen door 80 (tachtig) dagen vervangende hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht;

- bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte van 80 (tachtig) uren, te vervangen door 40 (veertig) dagen vervangende hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 DOC-0055a

3 DOC-0088, pagina 1.

4 DOC-0085, pagina’s 2 en 3.

5 DOC-0034a.

6 DOC-0087, pagina 6.

7 DOC-0019a.

8 DOC-0086, pagina 23.

9 DOC-0030c; DOC-0030d.

10 DOC-0090, pagina’s 2 en 3.

11 DOC-0064a.

12 DOC-0089, pagina 3.