Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:356

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
08-996106-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een rechtspersoon tot een geldboete van 40.000 euro, waarvan 20.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor valsheid in geschrift. De rechtspersoon heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door negen facturen en een orderbevestiging valselijk op te (laten) maken. Er werden facturen uitgereikt waarop een hogere verkoopprijs stond dan daadwerkelijk was betaald, om de klanten in staat te stellen om met die te hoge factuur een te hoge subsidie aan te vragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Klantenbinding en omzet werden op deze wijze bevorderd en hebben tot financieel voordeel geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-996106-16 (P)

Datum vonnis: 4 februari 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

gevestigd aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.J. Heidema en van hetgeen namens verdachte door haar gemachtigde [naam 1] en de raadsman mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen of alleen valse facturen heeft opgemaakt, door op die facturen een hogere prijs dan de werkelijk betaalde prijs te vermelden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en

met 31 december 2013 te Ulrum, gemeente De Marne, en/of te Midwolda,

gemeente Oldambt, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of

meer rechtspersonen en/of natuurlijke personen, althans alleen,

(telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een/of meer facturen en/of een orderbevestiging valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) de volgende

facturen en/of de volgende orderbevestiging

- factuur nummer 204022, d.d. 5 maart 2013, gericht aan [bedrijf 2] (doc-0044a);

- factuur nummer 204347, d.d. 11 april 2013, gericht aan [naam 2] (doc-0055a);

- factuur nummer 204477, d.d. 26 april 2013, gericht aan [naam 3] en [naam 4] (doc-0073a);

- factuur nummer 204685, d.d. 17 mei 2013, gericht aan [bedrijf 3] (doc-0034a);

- factuur nummer 205725, d.d. 13 augustus 2013, gericht aan [naam 5] , (doc-0025a);

- orderbevestiging nummer 75513, d.d. 2 september 2013, inhoudende een aankoop door [bedrijf 4] . (doc-0038a);

- factuur nummer 206783, d.d. 23 oktober 2013, gericht aan [naam 6] (doc-019a);

- factuur nummers 206805 en 206806, beiden d.d. 28 oktober 2013, beiden gericht aan [naam 7] (doc-0030c en 0030d);

- factuur nummer 207325, d.d. 27 december 2013, gericht aan [naam 8] (doc-0064a);

valselijk opgemaakt door (telkens) in strijd met de waarheid op voornoemde facturen en/of orderbevestiging een hogere dan de werkelijke verkoopprijs te

vermelden en/of voornoemde orderbevestiging op te maken nadat voor die machine

reeds een factuur was aangemaakt (doc-091) en/of voor die machine reeds was

betaald (doc-091)

en (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding, ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie,

de bevoegdheid van de rechtbank en schorsing van de vervolging

Ter terechtzitting van 21 januari 2019 is door de verdediging als (preliminair) verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging, omdat het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging zijn geschonden. Uit het dossier blijkt immers dat hoewel er voldoende wettig bewijs was om (ook) jegens [naam 9] , medebestuurder van verdachte, en [naam 10] , directeur van verdachte, strafvervolging in te stellen, de zaken tegen hen zijn geseponeerd.

De officier van justitie heeft zich tegen niet-ontvankelijkverklaring verzet. De officier van justitie heeft gesteld dat de strafzaken tegen [naam 9] en [naam 10] zijn geseponeerd, omdat er jegens hen onvoldoende bewijs was voor betrokkenheid bij de strafbare feiten. Van schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging en het gelijkheidsbeginsel is derhalve geen sprake, aangezien de gevallen niet gelijk waren.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.
De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.1 Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur.2 De rechtbank is van oordeel dat uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank evenmin gebleken, nu uit de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat er sprake was van gelijke gevallen, in die zin dat de gevallen ook wat betreft het punt van de haalbaarheid geheel gelijk waren.

Nu de rechtbank ook overigens heeft vastgesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is, reeds heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging, komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

[verdachte] (hierna ook: [verdachte] ) is een groothandel in landbouwmachines, werktuigen en tractoren. Bestuurders van [verdachte] zijn [bedrijf 5] (sinds 22 augustus 2011) en [bedrijf 6] (sinds 1 mei 2013).

Als vertegenwoordigers van [verdachte] zijn onder meer [naam 11] , [naam 12] en medeverdachte [medeverdachte] werkzaam.

De administratie en facturering van [verdachte] werd door [bedrijf 6] (hierna ook: [bedrijf 6] ) verzorgd.

In de ten laste gelegde periode bestond voor agrariërs de mogelijkheid om bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), voorheen Dienst Regelingen geheten, subsidies in de precisielandbouw aan te vragen. De subsidie-aanvrager kon voor het aanvragen van de subsidie inloggen op een digitaal loket voor agrarische ondernemers. De subsidie aanvrager vulde na het inloggen een digitaal aanvraagformulier in via het e-loket. De aanvrager vermelde welke investering hij wilde gaan doen. De aanvrager vulde het soort investering en het investeringsbedrag in en voegde bij de aangifte een gespecificeerde offerte. Aan de hand van de offerte werd de maximaal te ontvangen subsidie berekend. Na invulling van het aanvraagformulier volgde na enige tijd een brief van de subsidieverstrekker met daarin de beslissing van de Dienst Regelingen over de subsidieaanvraag. In de brief stond of de aanvrager in aanmerking kwam voor de subsidie en het maximaal uit te keren subsidiebedrag. In de brief stond ook een termijn waarbinnen de investering gerealiseerd moest zijn. De aanvrager kon, na de gedane investering, de toegekende subsidie laten vaststellen en uitkeren. De aanvrager vulde daartoe via het e-loket een digitaal aanvraagformulier in. Bij de vaststellingsaanvraag diende de aanvrager als bewijs van de investering facturen en betaalbewijzen mee te sturen.

Op basis van de informatie uit de vaststellingsaanvraag en de meegestuurde bewijsstukken volgde een beslissing van de Dienst Regelingen. De aanvrager kreeg een brief met daarin de beschikking. In de brief stond het uit te keren subsidiebedrag en de mededeling van de wijze waarop de subsidie werd uitgekeerd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging heeft begaan. De officier van justitie heeft zijn standpunt gebaseerd op de zich in het dossier bevindende facturen en orderbevestigingen, de dagrapporten, de verklaringen van de agrariërs en de verklaringen van de bij [verdachte] werkzame vertegenwoordigers [naam 11] , [naam 12] en [medeverdachte] . De officier van justitie heeft gesteld dat de strafbare gedragingen kunnen worden toegerekend aan verdachte, omdat de gedragingen van de vertegenwoordigers in dienstbetrekking van verdachte zijn gepleegd, de gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte en dienstig zijn geweest aan verdachte en verdachte over het gedrag mocht beschikken en het gedrag heeft aanvaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft daarvoor aangevoerd dat de gedragingen niet kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon, omdat de onregelmatigheden niet passen binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte en de gedragingen verdachte niet dienstig zijn geweest. Verdachte kon bovendien niet over het gedrag beschikken, omdat niet verdachte, maar [bedrijf 6] de administratie verzorgde en het personeel aanstuurde. Tevens kan het vereiste oogmerk van verdachte op de verboden gedragingen niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte kan evenmin als medepleger worden aangemerkt, omdat geen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking en de mededaders niet strafrechtelijk zijn vervolgd dan wel veroordeeld.

4.4

Het oordeel van de rechtbank 3

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Factuur d.d. 5 maart 2013, gericht aan [bedrijf 2]

In de administratie van [bedrijf 6] is een orderbevestiging van [verdachte] van 28 december 2012 met nummer 75236 aangetroffen, gericht aan [bedrijf 2] (hierna: [naam 11] ), wegens de verkoop van een aantal landbouwmachines voor een bedrag van € 23.750,-- exclusief btw. Op deze orderbevestiging was een “post-it”-velletje geplakt waarop stond geschreven: ‘Bon 75236 Deze rekening eerst sturen! (subsidie). Bon 75237 Dit is de werkelijke factuur’.4

In de administratie is tevens een orderbevestiging d.d. 28 december 2012 met nummer 75237 voor een bedrag van € 15.625,-- exclusief btw aangetroffen.5

Op 5 maart 2013 is wegens de verkoop aan [naam 11] van een Trimble gps/rtk systeem een factuur van € 23.750,-- exclusief btw opgemaakt. Deze factuur is op 10 maart 2013 betaald door [naam 11] .6 Op 13 maart 2013 is een creditnota voor € 23.750,-- exclusief btw opgemaakt. Dit bedrag is op 14 maart 2013 (terug)betaald aan [naam 11] .7

Op 13 maart 2013 is wegens de verkoop van een Trimble gps/rtk systeem aan [naam 11] tevens een factuur van € 15.625,-- exclusief btw opgemaakt, die vervolgens door [naam 11] in twee delen is betaald.8

[naam 11] heeft verklaard dat hij zaken heeft gedaan met vertegenwoordiger [naam 11] van [verdachte] .9 De vertegenwoordiger [naam 11] heeft erkend dat het handschrift op de orderbevestiging van 28 december 2012 van hem is, alsmede dat de teksten ‘Deze rekening eerst sturen’ en ‘Dit is de werkelijke factuur’ op de “post-it”-plakker door hem zijn geschreven.10

Factuur d.d. 11 april 2013, gericht aan [naam 2]

Op 11 april 2013 is ten name van [naam 2] een factuur van € 30.795,-- exclusief btw opgesteld wegens de aankoop van een aantal landbouwmachines.11

Op 12 juli 2013 is ten name van [naam 2] een creditnota van € 14.795,-- exclusief btw opgemaakt.12

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij bij deze verkoop als vertegenwoordiger van [verdachte] heeft opgetreden en dat bewust een te hoge factuur is opgesteld zodat [naam 2] een hogere subsidie kon aanvragen.13

Factuur d.d. 26 april 2013, gericht aan [naam 3] en [naam 4]

Op 26 april 2013 is ten name van [naam 3] een factuur van € 26.500,-- exclusief btw opgesteld wegens de aankoop van een landbouwmachine.

Op 19 augustus 2013 is ten name van [naam 3] een creditnota van € 10.750,-- exclusief btw opgemaakt.14

Op een ongedateerd dagrapport, ondertekend door [medeverdachte] staat (onder meer): ‘ [naam 3] betaalt € 26.500 voor Gps systeem, moet in werkelijkheid betalen € 15.750’.15

[naam 3] heeft verklaard dat hij een systeem van € 26.500,-- wilde, maar dat [medeverdachte] aangaf dat hij het systeem kon aanbieden voor een lager bedrag. [naam 3] heeft vervolgens gevraagd om hem een factuur voor het volledige bedrag te sturen zodat hij de volledige subsidie kon aanvragen.16 [medeverdachte] heeft erkend dat hij als vertegenwoordiger bij deze verkoop betrokken is geweest en dat op de factuur een hoger bedrag staat dan hetgeen, voorafgaand aan het opmaken van die factuur, als prijs tussen partijen was afgesproken.17

Factuur d.d. 17 mei 2013, gericht aan [bedrijf 3]

Op 17 mei 2013 is ter zake van de aankoop door [bedrijf 3] van een Amazone UX 4200 veldspuit bij [verdachte] een factuur ten bedrage van € 144.750,-- exclusief btw opgemaakt. Deze factuur is op 21 juni 2013 volledig door [bedrijf 3] betaald.18

Op 29 mei 2013 is ten behoeve van [bedrijf 3] een creditnota van € 51.000,-- exclusief btw opgesteld. Dit bedrag is op 18 juni 2013 door [verdachte] aan [bedrijf 3] (terug)betaald.19

Op 30 mei 2013 is in verband met de inruil van een Dubex veldspuit een creditfactuur van

€ 20.000,-- exclusief btw opgesteld ten behoeve van [bedrijf 3] .20 Uit een in de administratie van [verdachte] ten name van [bedrijf 3] aangetroffen dagrapport valt af te leiden dat deze Dubex is ingeruild op de aan te schaffen Amazone UX 4200.

In de administratie van [verdachte] is voorts een document aangetroffen waarin onder meer staat:

  • -

    ‘Door ons te betalen: Amazone spuit € 175.147,--‘ en

  • -

    ‘Door ons te ontvangen: verschil wat wij te veel betalen op de nieuwe spuit i.v.m. rekening en echt bedrag: € 85.910,--‘. 21

[medeverdachte] heeft verklaard dat met ‘echt bedrag’ in voornoemd document wordt bedoeld het bedrag dat verdachte in werkelijkheid voor de spuit moest betalen.22

De rechtbank concludeert dat het in dit document genoemde bedrag van € 175.147,-- overeenkomt met de prijs van de Amazone veldspuit op de factuur van 17 mei 2013 inclusief btw, en dat het bedrag van € 85.910,-- overeenkomt met het bedrag van de inruil van de Dubex veldspuit (€ 24.200,-- inclusief btw) vermeerderd met het bedrag van de creditfactuur van 29 mei 2013 (€ 61.710,-- inclusief btw).

Factuur d.d. 13 augustus 2013, gericht aan [naam 5]

Op 13 augustus 2013 is ter zake van de aankoop door [naam 5] van landbouwmachines bij [verdachte] een factuur opgemaakt van € 62.560,-- exclusief btw.23 heeft de volledige op de factuur vermelde koopprijs voldaan.24

Bij [verdachte] is een ongedateerd schrijven aangetroffen, dat is ondertekend door [naam 12] (vertegenwoordiger van [verdachte] ) en [naam 5] , waarop onder meer staat: ‘totaal factuur inzake subsidieregeling € 62.560’ en ‘werkelijk te betalen € 46.775,--’.25

Op 8 april 2014 is een creditnota ten behoeve van [naam 5] van € 9.785,-- exclusief btw opgemaakt en aan hem betaald.26

Orderbevestiging d.d. 2 september 2013, inhoudende een aankoop door [bedrijf 4]

Ter zake van de verkoop van een Amazone UX 6200 veldspuit, een Trimble gps/rtk systeem en de inruil van een andere machine zijn op 14 en 25 maart 2013 facturen opgemaakt, waaruit een totaal te betalen bedrag van € 8.750,-- exclusief btw (factuur 14 maart 2013) en

€ 83.000,-- exclusief btw (facturen van 25 maart 2013) blijkt.27 Deze bedragen heeft [bedrijf 4] op 20 maart 2013 respectievelijk 2 april 2013 betaald.28

Op 30 oktober 2013 heeft de accountant van [bedrijf 4] een verzoek tot vaststelling van een subsidie ingediend bij de Dienst Regelingen op basis van een orderbevestiging van

2 september 2013 met een bedrag van € 127.075,-- exclusief btw (zijnde € 153.760,75 inclusief btw) voor een Amazone veldspuit UX 6200 en een Trimble rtk/gps systeem.29 Op 31 oktober 2013 (derhalve een dag na de betaling aan [verdachte] door [bedrijf 4] ) heeft [verdachte] een bedrag van € 153.760,75 teruggestort naar de privé bankrekening van [bedrijf 4] .

[naam 11] (vertegenwoordiger van [verdachte] ) heeft verklaard dat [bedrijf 4] hem na de facturatie en nadat [bedrijf 4] al vier maanden met de gekochte machine had gewerkt, heeft gebeld met de mededeling dat het administratief anders geregeld moest worden.30 [naam 11] heeft vervolgens in opdracht van de directie een nieuwe orderbevestiging gemaakt.31

Factuur d.d. 23 oktober 2013 [naam 6]

Op 23 oktober 2013 is een factuur ten name van [naam 6] van € 80.000,-- exclusief btw opgemaakt wegens de aankoop van een landbouwmachine.32

Op 30 april 2014 is ten name van [naam 6] een creditnota van € 9.500,-- exclusief btw opgemaakt.33

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij als vertegenwoordiger van [verdachte] bij deze verkoop betrokken is geweest en dat het bedrag van de subsidietoezegging is gefactureerd, waarna een creditnota is gemaakt om tot de daadwerkelijk afgesproken prijs te komen.34

Facturen d.d. 28 oktober 2013, gericht aan. [naam 7]

Op 28 oktober 2013 zijn ten name van [naam 7] twee facturen van € 132.000,-- exclusief btw respectievelijk € 36.000,-- exclusief btw opgemaakt wegens de aankoop van landbouwmachines.35

Op 7 mei 2014 zijn ten name van [naam 7] twee creditnota's van € 11.000,-- exclusief btw respectievelijk € 6.000,-- exclusief btw opgemaakt.36

[medeverdachte] heeft erkend dat hij als vertegenwoordiger van [verdachte] bij deze verkoop betrokken is geweest en dat de facturen bewust tot een te hoog bedrag zijn opgemaakt.37

Factuur d.d. 27 december 2013, gericht aan [naam 8]

Op 27 december 2013 is ten name van [naam 8] een factuur van € 130.000,-- exclusief btw opgemaakt wegens de aankoop van een landbouwmachine.38

Op 18 april 2014 is ten name van [naam 8] een creditnota van € 35.000,-- exclusief btw opgemaakt.39

[medeverdachte] heeft verklaard dat deze factuur te hoog is opgemaakt zodat [naam 8] een te hoog bedrag aan subsidie kon aanvragen.40

Conclusie

De rechtbank acht op basis van de weergegeven feiten en omstandigheden, telkens in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat de genoemde facturen en orderbevestiging valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om als echt en onvervalst te doen gebruiken.

De strafbaarheid van [verdachte]

De rechtbank is van oordeel dat aan de vereiste voorwaarden voor strafbaarheid van verdachte is voldaan, aangezien verdachte geadresseerde is van de norm en de verboden gedragingen en het opzet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank overweegt daartoe dat de verboden gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden nu het actieve handelingen waren die door drie in dienstbetrekking werkzame vertegenwoordigers van verdachte zijn verricht, de gedragingen (het (laten) opmaken van facturen) passen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, terwijl de verboden gedragingen dienstig zijn geweest aan de rechtspersoon nu zij de klantenbinding en de omzet hebben bevorderd. Eveneens kan het opzet van de drie vertegenwoordigers aan verdachte worden toegerekend.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van [verdachte] wettig en overtuigend bewezen dat:

zij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 december 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en/of natuurlijke personen,

telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten facturen en een orderbevestiging valselijk heeft opgemaakt,

immers hebben verdachte, en haar mededader(s) de volgende

facturen en de volgende orderbevestiging

- factuur nummer 204022, d.d. 5 maart 2013, gericht aan [bedrijf 2] ;

- factuur nummer 204347, d.d. 11 april 2013, gericht aan [naam 2] ;

- factuur nummer 204477, d.d. 26 april 2013, gericht aan [naam 3] en [naam 4] ;

- factuur nummer 204685, d.d. 17 mei 2013, gericht aan [bedrijf 3] ;

- factuur nummer 205725, d.d. 13 augustus 2013, gericht aan [naam 5] ;

- orderbevestiging nummer 75513, d.d. 2 september 2013, inhoudende een aankoop door [bedrijf 4] .;

- factuur nummer 206783, d.d. 23 oktober 2013, gericht aan [naam 6] ;

- factuur nummers 206805 en 206806, beide d.d. 28 oktober 2013, beide gericht aan [naam 7] ;

- factuur nummer 207325, d.d. 27 december 2013, gericht aan [naam 8] ;

valselijk opgemaakt door in strijd met de waarheid op voornoemde facturen en orderbevestiging een hogere dan de werkelijke verkoopprijs te vermelden en voornoemde orderbevestiging op te maken nadat voor die machine reeds een factuur was aangemaakt en voor die machine reeds was betaald

en met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 100.000,--.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is, gelet op de aard en de ernst van de gedragingen. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de matige financiële positie waarin verdachte verkeert en de omstandigheid dat verdachte geen financieel voordeel met de gedragingen heeft behaald.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de staat van de onderneming van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door negen facturen en een orderbevestiging valselijk op te (laten) maken. Er werden facturen uitgereikt waarop een hogere verkoopprijs stond dan daadwerkelijk was betaald, om de klanten in staat te stellen om met die te hoge factuur een te hoge subsidie aan te vragen. De strafbare gedragingen vonden binnen de cultuur van het bedrijf plaats en hebben de klantenbinding en omzet bevorderd en daarmee eveneens tot financieel voordeel geleid. Door het handelen van verdachte is het vertrouwen aangetast dat wordt gesteld en moet kunnen worden gesteld in de juistheid van stukken die tot enig bewijs dienen, zoals de facturen en de orderbevestiging in kwestie.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Hoewel de ernst en aard van het feit in beginsel een aanzienlijke geldboete rechtvaardigen, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete te hoog, gelet op de omstandigheden van het geval. Het betreft een beperkte periode, waarbij het directe voordeel voor verdachte beperkt was, terwijl verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht alles afwegende een geldboete van € 40.000,-- waarvan € 20.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 47 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 40.000,-- (veertigduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 20.000,-- (twintigduizend euro) niet hoeft te worden betaald, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2019.

1 [1] HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280.

2 [2] HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

4 DOC-0082.

5 DOC-0084, pagina 8.

6 DOC-0044a; DOC-0044b.

7 DOC-0084, pagina 5; DOC-0107.

8 DOC-0084, pagina’s 1, 9 en 10.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 11] van 6 juli 2016, pagina 290, vijfde en zesde alinea (V-011-01).

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 11] van 15 juli 2016, pagina 348, alinea 9, regels 1 tot en met 3 (G-003-01).

11 DOC-0055a

12 DOC-0088, pagina 1.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 1 november 2016, pagina 261, eerste tot en met tiende alinea (V-004-03).

14 DOC-0085, pagina’s 2 en 3.

15 DOC-0085, pagina 6.

16 Het proces-verbaal van verhoor [naam 3] van 10 juni 2016, Pagina 293, zesde alinea, regels 19 tot en met 21 (V-012-01).

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 1 november 2016, pagina 260, zesde tot en met tiende alinea (V-004-03).

18 DOC-0034a; DOC-0034b.

19 DOC-0087, pagina’s 6 en 8.

20 DOC-0087, pagina 4.

21 DOC-0080.

22 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 1 november 2016, pagina 259, twaalfde en dertiende alinea (V-004-03).

23 DOC-0025a.

24 DOC-0025b.

25 DOC-0081.

26 DOC-0083, pagina’s 1 en 3.

27 DOC-0091, pagina’s 4, 5, 6 en 8.

28 DOC-0091, pagina’s 7 en 9.

29 DOC-0038; DOC-0038a; DOC-0038b

30 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 11] van 6 februari 2018, regels 11, 12, 13, 16, 17 en 18 van zijn verklaring.

31 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 11] van 15 juli 2016, pagina 349, zevende alinea (G-003-01).

32 DOC-0019a.

33 DOC-0086, pagina 23.

34 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 1 november 2016, pagina 258, alinea 8 tot en met 12 (V-004-03).

35 DOC-0030c; DOC-0030d.

36 DOC-0090, pagina’s 2 en 3.

37 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 1 november 2016, pagina 257, vijfde alinea (V-004-03).

38 DOC-0064a.

39 DOC-0089, pagina 3.

40 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 1 november 2016, pagina 262, tiende en elfde alinea (V-004-03).