Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3552

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
ak_19 _ 285
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand niet meer vast te stellen door verkopen op marktplaats; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/285

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. K.J. Coenen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder,

gemachtigde: I. te Brinke.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over te onderscheiden perioden, gelegen in de periode van augustus 2007 tot en met augustus 2017, ingetrokken en teruggevorderd. Daarnaast heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand over te onderscheiden perioden herzien. Verweerder heeft van eiseres een bedrag van in totaal

€ 103.424,40 teruggevorderd.

Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat de intrekking en terugvordering over de maand augustus 2007 niet langer wordt gehandhaafd, de herziening over de maand maart 2015 wordt gewijzigd en van eiseres over deze maand een bedrag van € 179,40 wordt teruggevorderd. Het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op in totaal € 102.763,73.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ontleent aan het dossier de volgende feiten en omstandigheden.

Aan eiseres is met ingang van 13 augustus 2007 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarnaast ontvangt eiseres met ingang van 1 september 2008 bijzondere bijstand voor bewassingskosten en daarmee samenhangende kosten voor kleding, ontstaan door de extra bewassing. Eiseres ontvangt verder per 2011 jaarlijks een langdurigheidstoeslag.

Verweerder heeft in het kader van het project Rechtmatigheid, aandacht en participatie een administratief vooronderzoek verricht. Naar aanleiding hiervan heeft het team Handhaving van de sociale recherche Twente (de sociale recherche) een onderzoek ingesteld in verband met het vermoeden van handel via www.marktplaats.nl (Marktplaats). In dit kader heeft de sociale recherche de basisregistratie personen geraadpleegd, bankafschriften opgevraagd en een overzicht van alle door eiseres geplaatste advertenties opgevraagd bij Marktplaats en deze verkregen. De sociale recherche heeft de onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapportage van 10 januari 2018.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in de rubriek ‘Procesverloop’ van deze uitspraak.

Het standpunt van verweerder

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verweerder het recht op bijstand van eiseres heeft ingetrokken over de volgende perioden, omdat het recht op bijstand over deze perioden niet kan worden vastgesteld: november 2007 tot en met december 2008, februari 2009 tot en met mei 2010, september 2010 tot en met december 2010, februari 2011 tot en met april 2011, juli 2011 tot en met januari 2012, maart 2012 tot en met juni 2012, februari 2013 tot en met april 2013, juni 2013 tot en met maart 2014, mei 2014 tot en met augustus 2014 en juli 2016 tot en met augustus 2017. Volgens verweerder heeft eiseres in deze perioden op Marktplaats gehandeld en de daaruit genoten inkomsten niet gemeld, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting .

Daarnaast heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres herzien in de maanden juni 2011, februari 2012, augustus 2012 tot en met november 2012, april 2014, oktober 2014 tot en met januari 2015, maart 2015, april 2015, juni 2015 tot en met augustus 2015, november 2015 tot en met juni 2016. Eiseres heeft in deze periode stortingen en bijschrijvingen van derden ontvangen op haar bankrekening. Zij heeft deze stortingen in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet gemeld. Dit had zij volgens verweerder wel moeten doen, omdat de stortingen kunnen worden aangemerkt als middelen en dus relevant zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Verweerder stelt dat eiseres de stortingen kon gebruiken voor de noodzakelijke kosten van bestaan, zodat deze bedragen in mindering moeten worden gebracht op de bijstand die zij heeft ontvangen.

Verweerder heeft over voornoemde perioden van eiseres een bedrag van in totaal

€ 102.763,73 teruggevorderd.

Het standpunt van eiseres

3. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zo heeft eiseres altijd openheid van zaken gegeven en medewerking verleend. Volgens eiseres heeft verweerder haar onvoldoende duidelijk en actief voorgelicht over de reikwijdte van de inlichtingenverplichting en de mogelijke gevolgen van het niet nakomen daarvan. Verweerder was van meet af aan bekend met de bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres en de hobbymatige verkopen via internet, zoals blijkt uit de rapportage levensonderhoud van 1 oktober 2007. Desondanks heeft verweerder destijds besloten tot toekenning van bijstand. Uit de rapportage van 1 oktober 2007 blijkt volgens eiseres dat zij het begrip ‘inkomsten’ niet heeft opgevat zoals verweerder dat achteraf kennelijk heeft bedoeld. Eiseres heeft in dit verband destijds aangegeven dat zij geen inkomsten kan opgeven, omdat zij geen winst geniet uit haar hobby. Volgens eiseres had het op dat moment voor verweerder duidelijk moeten zijn dat zij, omdat zij sprak over winst, een andere uitleg gaf aan het begrip ‘inkomsten’. Ook heeft verweerder bij de toekenning van bijstand geen enkel voorbehoud gemaakt en ook geen nadere uitleg gegeven over het begrip ‘inkomsten’. Op grond hiervan mocht eiseres erop vertrouwen dat het (structureel) ontvangen van bijschrijvingen op haar bankrekening en de internetverkopen niet van invloed waren op haar aanspraak op bijstand. Van schending van de inlichtingenverplichting kan daarom geen sprake zijn. Eiseres beroept zich in dit verband op het rechtszekerheidsbeginsel. Nu verweerder heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over het begrip ‘inkomsten’ en bovendien wist dat eiseres daar een andere uitleg aan gaf, is het onredelijk de gevolgen hiervan voor rekening van eiseres te laten komen, vooral omdat zij altijd medewerking heeft verleend.

Eiseres beroept zich verder op de zogeheten zes-maandenjurisprudentie. Al bij de bijstandsaanvraag en de verlening waren er signalen waaruit kon worden afgeleid dat er mogelijk te veel of ten onrechte uitkering werd verstrekt. Verweerder heeft vervolgens nagelaten binnen zes maanden nadien tot actie over te gaan.

Subsidiair stelt eiseres dat zij per saldo geen bijkomende inkomsten of winst heeft genoten uit de verkoop van kleding via Marktplaats. Eiseres heeft geen gangbare maat en nieuwe kleding in haar maat is erg duur. Zij koopt haar kleding daarom veelal tweedehands via Marktplaats en als de kleding niet past, verkoopt zij deze weer door via Marktplaats. Het bedrag dat zij daarvoor ontvangt, heeft eiseres vervolgens aangewend voor aankoop van wel passende kleding. Eiseres voert verder aan dat zij alleen hobbymatig kleding en sieraden heeft verkocht, steeds voor kleine, verwaarloosbare bedragen. Van deze bedragen kon eiseres ook kleding aanschaffen. Het ging om incidentele hobbymatige verkoop en niet om handel.

Eiseres stelt tot slot dat de terugvordering disproportioneel is. Eiseres acht daarbij van betekenis dat dit bedrag door nalatigheid van verweerder zo hoog is opgelopen en dat het onredelijk is van haar te verlangen dat zij haar administratie over een periode van ruim tien jaar bewaart.

De beoordeling van de rechtbank

4. In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw), is de zogenaamde inlichtingenplicht vastgelegd. Hierin staat – samengevat – dat de belanghebbende uit zichzelf of op verzoek van verweerder alle feiten en omstandigheden meldt waarvan hij weet of zou moeten weten dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand.

Artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de Pw, bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Komt de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk na, en heeft dat geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, dan volgt uit het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de Pw, dat het college het besluit tot het toekennen van bijstand herziet of intrekt.

Artikel 58, eerste lid, van de Pw, bepaalt, voor zover van belang, dat verweerder de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat een besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand een belastend besluit is. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en dat op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan.

Handel via Marktplaats

5.1

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1829) is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van de daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandsverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in de perioden in geding in totaal 1509 advertenties op Marktplaats heeft geplaatst en dat zij daarvan geen mededeling bij verweerder heeft gedaan.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Naast de duur van de periode waarin goederen ter verkoop werden aangeboden, is ook relevant de hoeveelheid advertenties en de aard en verscheidenheid van de aangeboden goederen, waaronder kleding, schoeisel, puppy’s, auto’s, een motor, een camper, dvd’s en sieraden. Gezien het aantal advertenties en het type goederen dat is aangeboden, gaat het niet om incidentele verkoop van privégoederen op bescheiden schaal. De omstandigheid dat eiseres haar kleding veelal tweedehands koopt en, in het geval de kleding niet past, doorverkoopt en daarnaast enkel hobbymatig kleding en sieraden heeft verkocht, maakt niet dat aan de omvang van deze activiteiten geen betekenis meer toekomt. Het ging bovendien niet alleen om de verkoop van kleding en sieraden. Dat mogelijk meermalen voor hetzelfde artikel een advertentie is geplaatst, omdat het niet is verkocht, heeft eiseres niet met stukken aannemelijk gemaakt en doet volgens vaste rechtspraak aan het karakter van handel niet af. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:729).

5.4

Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de verkoopactiviteiten op Marktplaats van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarbij is niet alleen van belang welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook welke inkomsten, gelet

op de omvang van de activiteiten, redelijkerwijs hadden kunnen worden bedongen of ontvangen. Door verweerder hiervan niet op de hoogte te stellen, heeft eiseres dan ook de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat zij, zoals eiseres stelt, verweerder al bij de aanvraag op de hoogte heeft gebracht van haar activiteiten, heeft zij niet onderbouwd. De stelling van eiseres, dat verweerder onvoldoende of niet tijdig actie zou hebben ondernomen op signalen dat mogelijk te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt, treft dan ook geen doel. Het betoog dat verweerder heeft nagelaten eiseres al in een eerder stadium op mogelijke onduidelijkheden over de term ‘inkomsten’ te wijzen en dat zij daaraan een eigen invulling gaf, faalt eveneens. Eiseres is namelijk gehouden alle feiten of omstandigheden waar niet uitdrukkelijk naar wordt gevraagd - maar die wel van belang kúnnen zijn voor de verlening van bijstand - uit eigen beweging te melden. Indien bij eiseres onduidelijkheid bestond over de reikwijdte van haar inlichtingenverplichting, lag het op haar weg hierover navraag te doen bij verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de informatieplicht van verweerder niet zover dat bij aanvang van de uitkering alle mogelijke situaties die gemeld moeten worden, door verweerder uiteengezet moeten worden.

De kasstortingen

6. Tussen partijen is niet in geschil dat er in de maanden juni 2011, februari 2012, augustus tot en met november 2012, april 2014, oktober tot en met januari 2015, maart 2015, april 2015, juni tot en met augustus 2015 en november 2015 tot en met juni 2016 diverse stortingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van eiseres terwijl zij in die maanden bijstand ontving en dat zij hiervan geen melding heeft gemaakt. Evenmin in geschil is dat de stortingen kunnen worden aangemerkt als middelen in de zin van de Pw.

De herziening, intrekking en terugvordering

7. Schending van de inlichtingenverplichting levert een grond op voor herziening en, als daardoor niet kan worden vastgesteld in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, intrekking van de bijstand. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Eiseres heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft geen deugdelijke administratie of boekhouding van de verkopen op Marktplaats overgelegd en evenmin op andere wijze objectieve en verifieerbare gegevens in het geding gebracht op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld hoeveel inkomsten eiseres met de verkoopactiviteiten heeft verworven.

Onder deze omstandigheden is niet vast te stellen in hoeverre eiseres in de te beoordelen perioden in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw gehouden was het recht op bijstand in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw de door eiseres ten onrechte ontvangen bijstand van haar terug te vorderen.

8. Verweerder heeft verder het recht op bijstand herzien over de perioden waarin de geldbedragen op de rekening van eiseres zijn ontvangen. Ten aanzien van de hoogte van het herziene recht op bijstand en het daarmee samenhangende terugvorderingsbedrag zijn geen gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe de herziening en de omvang van de terugvordering tot stand zijn gekomen. Het komt de rechtbank voor dat verweerder met deze benadering eiseres niet tekort heeft gedaan.

9. Voor toepassing van de zesmaanden-jurisprudentie, zoals eiseres betoogt, is geen plaats als, zoals in dit geval, de inlichtingenverplichting is geschonden.

Eiseres heeft verder betoogd dat het terugvorderingsbedrag zo hoog is opgelopen, doordat verweerder nalatig is geweest. Deze beroepsgrond treft geen doel, alleen al omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder wist van haar verkoopactiviteiten of de stortingen, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen.

10. Het beroep van eiseres op de door haar gestelde onevenredigheid vindt geen grondslag in het recht. Verweerder is verplicht tot terugvordering van het teveel betaalde over te gaan, behoudens voor zover dringende redenen zich daartegen verzetten. Zodanige redenen heeft eiseres niet gesteld.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, voorzitter, en mr. P.H. Banda en

mr. M.I. van Meel leden, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.