Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3551

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
08.021141.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 66-jarige vrouw tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar voor diefstal door middel van braak. In januari dit jaar heeft de vrouw twee keer een kluis gestolen uit de woning van het slachtoffer, terwijl niemand hier toestemming voor had gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.021141.19 (P)

Datum vonnis: 8 oktober 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1953 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is aangevangen op de zitting van de politierechter 19 juli 2019. De politierechter heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer in verband met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van de meervoudige kamer van 24 september 2019. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op die openbare terechtzittingen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.Y. Huang en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte twee kluizen heeft weggenomen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte dat:

zij op of omstreeks 26 januari 2019 te Denekamp, gemeente Dinkelland, meermalen, althans eenmaal één of twee klui(s)(z)(en) (met inhoud), in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan (de familie van) [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1.

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op standpunt gesteld dat op basis van verdachtes verklaring en de aangifte van [aangever] , de aan verdachte ten laste gelegde diefstallen bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat wegens het ontbreken van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, het ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. De raadsman voert daartoe aan dat het opzet van verdachte enkel was gericht op de door haar noodzakelijke geachte bescherming van [slachtoffer] tegen het toedienen van medicatie die zich in de door haar weggenomen kluizen bevond en niet op de toe-eigening van de kluizen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Op 26 januari 2019 heb ik uit de woning van [slachtoffer] te Denekamp, tot twee maal toe een kluis met daarin medicijnen, weggenomen. Ik deed dat telkens nadat ik de kabel waarmee de kluisjes waren vastgemaakt, had doorknipt. De kluisjes waren niet mijn eigendom en ik had van niemand het recht of de toestemming gekregen deze weg te nemen uit de woning. 2

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Ik ben de broer en bewindvoerder van [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , gemeente Dinkelland, [adres 2] .

[slachtoffer] heeft contact met [verdachte] . In overleg met thuiszorg werd gisteravond een kluisje in de kast van de werkkamer van [slachtoffer] geplaatst. Dit kluisje werd met een staalkabel aan de kast vastgemaakt. Het kluisje bevat medicijnen. Vanmorgen, 26 januari, ontdekte ik dat het kluisje was weggenomen. Hierop werd door mij en mijn zwager opnieuw een kluisje met een staalkabel op de zelfde wijze aan de kast bevestigd. Verder hebben we een camera geplaatst om vast te leggen wie de kluis had ontvreemd. Omstreeks 16.30 uur ontdekte ik dat de even tevoren geplaatste kluis wederom was ontvreemd. Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] de kluis wegneemt en meeneemt. De kluizen zijn eigendom van de familie. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 3

De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde vrijspraakverweer wordt weerlegd door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen. Wegnemen veronderstelt opzet. Verdachte heeft toegegeven dat zij van niemand het recht had om de kluizen, die niet haar eigendom waren, weg te nemen uit de woning van [slachtoffer] en zij kon er, na deze te hebben weggenomen, als heer en meester over beschikken. Ook aangever heeft verklaard dat aan niemand het recht of de toestemming werd gegeven tot het plegen van het feit. Wat er ook zij van de intentie van verdachte bij het wegnemen van de goederen, dit laat onverlet dat die toe-eigening onrechtmatig was, immers het doel heiligt de middelen niet. Het door de raadsman gevoerde verweer wordt dus verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 26 januari 2019 te Denekamp, gemeente Dinkelland, meermalen een kluis met inhoud,

toebehoorde aan de familie van [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte telkens dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Door de raadsman is aangevoerd dat in het geval van een bewezenverklaring, verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien haar de feiten, wegens een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, niet kunnen worden toegerekend. De raadsman verwijst in dit verband naar een rapportage van psychiater Gerritsen van 11 juli 2014. Aangezien de geestestoestand van verdachte volgens de raadsman sedertdien niet is veranderd, verzoekt de raadsman, meer subsidiair, aanhouding van de zaak opdat die destijds door Gerritsen opgemaakte rapportage alsnog aan het procesdossier zal worden toegevoegd.

De rechtbank overweegt omtrent vorenstaande als volgt.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan een onderzoek door het NIFP omdat zij, zoals zij ter zitting heeft verklaard, bang is dat de uitslag daarvan in een opname van haar zal resulteren. Op basis van de reclasseringsrapportage die thans voorligt en de behandeling ter terechtzitting, constateert de rechtbank dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen, sprake was van een exceptie in de vorm van een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens dat de feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

Het verzoek van de raadsman om aanhouding van de zaak voor het alsnog toevoegen aan het procesdossier van de rapportage van Gerritsen, wijst de rechtbank af, nu de inhoud van die rapportage, gelet op de gedateerdheid daarvan, geen toegevoegde waarde meer heeft.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] , gedurende een periode van vijf jaren.

De officier van justitie vordert tevens dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis voor de duur één week zal worden toegepast, zulks tot een maximum van zes maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat in het geval van een veroordeling dient te worden afgezien van oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, aangezien het opleggen van een dergelijke maatregel niet zal leiden tot een gedragsverandering bij verdachte en het veelvuldig overtreden van de maatregel, onherroepelijk zal leiden tot een vrijheidsstraf voor verdachte van zes maanden.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Op diefstal uit een woning waarbij sprake is van braak, dient in beginsel gereageerd te worden met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van enige duur. Gelet echter op de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd en verdachtes ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden, acht de rechtbank het opleggen een vrijheidsbenemende straf in dit geval niet opportuun. Op basis van het onderzoek ter terechtzitting en met name gelet op de inhoud van de reclasseringsrapportage van 15 juli 2019 waarin wordt gerefereerd naar eerdere Pro Justitia rapportage, onder meer inhoudende dat verdachte lijdt aan een waanstoornis, specifiek gericht op en met betrekking tot de omgeving van [slachtoffer] die naar het oordeel van verdachte erop uit is hem kwaad te berokkenen, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat verdachte de feiten in verminderde mate dienen te worden toegerekend.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de op te leggen straf erop gericht dient te zijn verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst andermaal aan het plegen van feiten als deze schuldig te maken en dat in dit stadium “als stok achter de deur” kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

De rechtbank ziet af van het opleggen aan verdachte van de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr. De rechtbank overweegt daartoe dat, met name gelet op verdachtes ter zitting afgelegde verklaring over haar voornemen tot het voortzetten van contact met [slachtoffer] hetgeen zij de afgelopen periode kennelijk ook heeft gehad, mogelijk met instemming van [slachtoffer] zelf, de veronderstelling dat verdachte zich bij het opleggen van de maatregel aan het daaraan verbonden contactverbod met [slachtoffer] zal houden, niet reëel is en zij naar verwachting dat verbod met enige regelmaat zal overtreden en waarbij zij louter vanuit goede bedoelingen lijkt op te treden. De daaraan verbonden gevolgen voor verdachte verhouden zich, naar het oordeel van de rechtbank, niet met het doel dat met het opleggen van de maatregel wordt beoogd.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en

mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.

Mr. F. van der Maden en mr. S.K. Huisman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie, eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2019039961 van 1 april 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 september 2019, onder meer inhoudende de verklaring van verdachte.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 26 januari 2019, pagina’s 3 en 4.