Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3437

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
ak_19 _ 394
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen op eerdere afwijzing aanvraag Wajong-uitkering; toegenomen arbeidsongeschiktheid; geen toegang tot de Wajong op grond van hoofdstuk 2, maar wel op grond van hoofdstuk 1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/394

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Atto,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M.G. Velten.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 13 juli 2018 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wajong.

Bij besluit van 18 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn begeleidster [naam] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser (geboren [geboortedatum] en 18 geworden in 2008) heeft in 2011 een aanvraag om Wajong-uitkering gedaan. Zijn aanvraag is na medisch en arbeidskundig onderzoek afgewezen, omdat hij in staat werd geacht tenminste het maatmaninkomen te verdienen. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 mei 2011 waarin verweerder deze afwijzing heeft opgenomen.

1.2.

In 2016 heeft verweerder een ‘beoordeling arbeidsvermogen’ verricht. Verweerder heeft geconcludeerd dat er sprake is van arbeidsvermogen, maar dat eiser niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Hij wordt daarom opgenomen in het landelijke doelgroepenregister met een indicatie banenafspraak.

1.3.

Op 13 juli 2018 heeft verweerder een nieuwe aanvraag van eiser ontvangen, opgesteld door zijn begeleidster. Bij de aanvragen waren diverse bijlagen gevoegd.

2. Verweerder is daarop overgegaan tot het nemen van de besluiten die hiervoor zijn weergegeven. Eiser is in aanmerking gebracht voor uitkering, met ingang van de datum van zijn laatste aanvraag. Aan dit besluit heeft verweerder het standpunt ten grondslag gelegd, dat het besluit uit 2011 op zichzelf juist was en dat eiser in 2012 arbeidsongeschikt is geworden.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet een nieuwe aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere afwijzing van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een dergelijke aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Als dat het doel is, is van belang of nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd, en zo ja, of verweerder daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ook kan de strekking van de aanvraag zijn dat een beroep wordt gedaan op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (de zogenoemde Amber-bepalingen), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). De rechtbank wijst voor dit kader op de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.

3.2.

Eiser heeft in het medische deel van zijn herhaalde aanvraag van 13 juli 2018 toegelicht dat nog onderzocht wordt of sprake is van Jeugd PTSS. Er is verwezen naar onderzoeken in 1999, 2002 en 2010 en opnames in 1997, 2010 en 2011. Er zijn documenten bijgevoegd over de ondertoezichtstelling. Ook ter zitting is uiteengezet, kort samengevat, dat uit de stukken van Bureau Jeugdzorg is gebleken dat in eisers jeugd een complexe PTSS is ontstaan, door zeer ernstige problematiek thuis. Deze stukken zijn pas onlangs voor eiser beschikbaar gekomen. Eisers gemachtigde heeft toegelicht dat eiser daarom primair uitkering wenst vanaf 2011, en subsidiair vanaf 2012. Het is niet eisers schuld dat hij geen weet had van de stukken die bij Bureau Jeugdzorg lagen, die onderbouwen dat hij sinds zijn jeugd arbeidsongeschikt was.

3.3.

Op grond van de aanvraag, de bijlagen en de toelichting die namens eiser ter zitting is gegeven komt de rechtbank tot de conclusie dat hij in de eerste plaats heeft bedoeld om terug te komen op de (in rechte vaststaande) afwijzing uit 2011. Gelet op dit verzoek is van belang of sprake is van ‘nova’ in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB is daarvan sprake als de feiten en omstandigheden, waarop de aanvrager zich beroept, dateren van ná het eerdere besluit, dan wel dateren van vóór het eerdere besluit en de aanvrager ze niet kende en ook niet behoorde te kennen. Daarnaast moeten die feiten en omstandigheden tot een inhoudelijk andere beslissing aanleiding kunnen geven.

3.4.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser géén nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangedragen. Zoals ook ter zitting is besproken zijn de medische stukken wel nieuw, maar geven ze geen aanleiding tot het nemen van een andere beslissing dan die in 2011 is genomen. Die beoordeling ging namelijk over de belastbaarheid van eiser rondom zijn 18e verjaardag in 2008. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 5 oktober 2018 beschreven dat duidelijk is dat er in 2008 al problematiek speelde, maar eisers belastbaarheid als gevolg van een psychische decompensatie in 2010 verder is afgenomen. Als datum van toename is 1 december 2012 aangemerkt. Dit is weliswaar arbitrair, maar er is voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat uit de nieuwe informatie volgt dat eiser binnen vijf jaar ná zijn 18e verjaardag zijn arbeidsvermogen is kwijtgeraakt. Van nova in de zin van de wet is daarom geen sprake. Verweerder heeft dan ook terecht besloten dat er geen aanleiding was terug te komen van het besluit dat in 2011 is genomen.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de medische informatie van Bureau Jeugdzorg ook bij de beoordeling arbeidsvermogen in 2016 nog niet bij verweerder bekend was.

3.5.

Gelet op de bevindingen bij het medisch onderzoek heeft verweerder de aanvraag van eiser breder opgevat dan eiser heeft beoogd en óók beoordeeld als een verzoek om uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Hiervan was volgens verweerder sprake. Deze beoordeling leidde ertoe dat eiser in aanmerking is gebracht voor uitkering met ingang van de datum van zijn laatste aanvraag. Ook dit is naar het oordeel van de rechtbank juist. De laatste aanvraag van eiser dateert van 13 juli 2018, en is dus gedaan na 1 januari 2015. Vastgesteld is, dat de relevante mate van arbeidsongeschiktheid is ingetreden in 2012. Eiser zou onder hoofdstuk II van de Wajong vallen als de toegang tot ondersteuning op grond van dit hoofdstuk niet zou zijn afgesloten door artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong. Verweerder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1 van de Wajong. Eiser is met toepassing van artikel 1a:11 van de Wajong in aanmerking gebracht voor uitkering met ingang van de datum dat hij die uitkering heeft aangevraagd, te weten met ingang van 13 juli 2018.

4. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.