Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3436

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
08/997029-17 en 08/994500-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 38-jarige man is veroordeeld tot een celstraf van 18 maanden voor het illegaal verwijderen van asbest in Bilthoven, Oosterhout, Drempt, Lochem en Oegstgeest. De man presenteerde zichzelf en zijn bedrijf als een gecertificeerde asbestverwijderaar, maar dat was niet het geval. Zonder de juiste papieren en zonder bescherming en voorzorgsmaatregelen verwijderden hij en zijn werknemers asbest uit woningen en een schuur. Hiermee bracht hij de gezondheid van de werknemers en de bewoners in gevaar.

De bewoners en eigenaren van de panden zagen zich daarnaast nog geconfronteerd met problemen met bijvoorbeeld de gemeente en extra kosten die gemaakt moesten worden om de locaties na besmetting asbestvrij te krijgen. De man moet in totaal ruim 38.000 euro aan schadevergoedingen betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1223
JM 2019/151 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/997029-17 en 08/994500-18 (P)

Datum vonnis: 30 september 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Achterhoek - Ooyerhoekseweg te Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 november 2017, 22 januari 2018, 9 september 2019 en 17 september 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Buist en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na toewijzing van de vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08/997029-17 op de zitting van 22 januari 2019, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 08/997029-17

feit 1:

als werkgever op locaties in Bilthoven, Oosterhout, Drempt, Lochem en Oegstgeest zijn werknemers opzettelijk asbesthoudende gebouwen heeft laten slopen, terwijl daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers te verwachten was, terwijl hij geen maatregelen heeft genomen ter bescherming van die werknemers,

en/of

die werknemers niet onder toezicht stonden van een gecertificeerd persoon of zelf waren gecertificeerd;

feit 2:

samen met anderen op locaties in Oosterhout, Drempt en Lochem opzettelijk het milieu heeft verontreinigd door asbestdeeltjes in de bodem en in de lucht te brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor anderen te duchten was;

feit 3:

samen met anderen op locaties in Oosterhout, Drempt en Lochem bedrijfsmatig handelingen heeft verricht met betrekking tot asbest, terwijl daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan;

parketnummer 08/994500-18

samen met anderen op locaties in Bilthoven, Oosterhout, Drempt, Lochem en Oegstgeest in strijd met het Asbestsaneringsbesluit 2005 sloophandelingen heeft verricht met betrekking tot asbest en hij niet in het bezit was van het vereiste certificaat.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

parketnummer 08-997029-17:

1.

hij op na te noemen data/datum, in na te noemen plaats(en), (telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, als werkgever handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de “Arbeidsomstandighedenwet” en/of de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer na noemen werknemers ontstond of te verwachten is, immers heeft verdachte en/of zijn medader(s):

A. op of omstreeks 19 juni 2017, althans in de maand juni 2017, te Bilthoven, gemeente De Bilt, (aan of nabij de [adres 1] ) de werknemer [werknemer 1] ,

B. op of omstreeks 1 juli 2017, althans in of omstreeks de maand juli 2017, te Oosterhout, (aan of nabij de [adres 2] ) de werknemer(s) [werknemer/medeverdachte] , [werknemer 1] en/of

[werknemer 2] ,

C. op of omstreeks 17 juli 2017, te Drempt, gemeente Bronckhorst, (aan of nabij de [adres 3] ) de werknemer(s) [werknemer/medeverdachte] en/of [werknemer 2] ,

D. op of omstreeks 18 juli 2017, te Lochem, (aan of nabij de [adres 4] ) de werknemer(s) [werknemer/medeverdachte] en/of [werknemer 2] , en/of

E. op of omstreeks 4 augustus 2017, te Oegstgeest, (aan of nabij de [adres 5] ) de werknemer [werknemer/medeverdachte] ,

(telkens) arbeid laten verrichten bestaande uit het geheel of gedeeltelijk slopen / uit elkaar nemen van woningen en/of gebouwen terwijl daarin asbest en/of asbesthoudende producten - -risicoklasse 2 of 2A- aanwezig was en/of het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest en/of asbesthoudende producten -risicoklasse 2 of 2A- uit woningen / gebouwen,

terwijl (telkens):

gelet op de aard van de werkzaamheden, verwacht kon worden dat de som van de concentratie asbestvezels van het type chrysotiel als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, van het Arbeidsomstandîghedenbesluit en/of de concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en/of crocidoliet als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid van voornoemd Besluit, in de lucht groter was dan of gelijk was aan 1, ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, telkens) als werkgever niet doeltreffende maatrecielen ter bescherming van de betrokken werknemers, had genomen (waaronder)

het ter beschikking stellen en het verplichten te dragen van passende ademhalingsapparatuur en/of andere persoonlijke beschermingsmiddelen,

en/of

het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvonden (door bijvoorbeeld te Oegstgeest en/of Lochem, terwijl dit was aangegeven in het asbestinventarisatierapport) niet onder containment te werken

(artikel 4.48a lid 1 juncto lid 2 onder a en c Arbeidsomstandighedenbesluit)

en/of

de werkzaamheden als hiervoor genoemd, niet verricht werden door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit was van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest,

en/of

voornoemde werknemer(s) niet in het bezit waren van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, die/dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling,

(artikel 4.54d lid 5 en lid 7 Arbeidsomstandighedenbesluit)

2.

hij op of ostreeks 1 juli 2017 te Oosterhout (op of nabij [adres 2] , zijnde een camping), op of omstreeks 17 juli 2017 te Drempt, gemeente Bronckhorst (op of nabij perceel [adres 3] ) en/of op of omstreeks 18 juli 2017 te Lochem (op of nabij perceel [adres 4] ), (telkens) samen en in vereniging met anderen dan wel alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten asbest, asbestdeeltjes en/of asbesthoudende producten op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was, aangezien verdachte en/of verdachtes mededader(s) restanten van asbest hebben/heeft opgeveegd (te Drempt) en/of

-respectievelijk- asbesthoudende golfplaten, asbesthoudende plafondplaten en/of een een astbesthoudende cementplaat zodanig (onachtzaam) hebben/heeft verwijderd dat asbest(vezels) in de lucht vrijkwam(en) en/of op de (onbedekte) bodem terecht kwam(en)

en/of —terwijl dit in het asbestinventarisatierapport was aangegeven- niet in

containment h*ebben gewerkt (te Oegsgeest en/of Lochem),

zulks terwijl (telkens) geen, althans onvoldoende maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat zich op voornoemde percelen wonende/verblijvende personen/eigenaar van de percelen en/of bezoekers en/of buren in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met die vrijkomende asbest(vezels), waarbij door het inademen van asbest en/of asbestdeeltjes, het asbest en/of asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen veroorzaken zoals longkanker en mesothelioom - zijnde buik- en longvlieskanker-);

3.

hij op of omstreeks 1 juli 2017 te Oosterhout, (op of nabij de [adres 2] ), op of omstreeks 19 juli 2017 te Drempt, gemeente Bronckhorst (op of nabij de [adres 3] ) en/of op of omsteeks 18 juli 2017 te Lochem (op perceel [adres 4] ), samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen, te weten

asbest en/of asbesthoudende producten (asbestgolfplaten, asbesthoudende plafondplaten en een astbesthoudende cementplaat) heeft verricht, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, immers heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s) uit één of meer woningen en/of een schuur asbest of asbesthoudende producten verwijderd en vervolgens op verschillende plaatsen asbest of asbesthoudende producten in en/of nabij die gebouwen achtergelaten terwijl hij /zij wist(en) dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan;

parketnummer 08/994500-18:

hij op na te noemen data/datum, in na te noemen plaatsen, (telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk:

A. op of omstreeks 19 juni 2017, althans in de maand juni 2017, te Bilthoven, gemeente De Bilt, uit een woning staande op perceel [adres 6] , asbesthoudend vinyl-zeil geheel of gedeeltelijk, heeft verwijderd,

B. op of omstreeks 1 juli 2017, te Oosterhout, een recreatiewoning, althans één of meer bouwwerken en/of objecten, staande op perceel [adres 2] , waarin asbest of een asbesthoudend product, te weten asbesthoudende dakplaten aanwezig waren, geheel of gedeeltelijk heeft afgebroken en/of uit elkaar genomen en/of die dakplaten (geheel of gedeeltelijk) uit die/dat bouwwerk(en) en/of object(en) heeft verwijderd,

C. op of omstreeks 17 juli 2017, te Drempt, gemeente Bronckhorst, een schuur en/of een zogeheten melklokaal, althans één of meer bouwwerken en/of objecten, staande op perceel [adres 3] , waarin asbest of een asbesthoudend product, te weten asbesthoudende plafondplaten aanwezig waren, geheel of gedeeltelijk heeft afgebroken en/of uit elkaar genomen en/of die plafondplaten (geheel of gedeeltelijk) uit die/dat bouwwerk(en) en/of

object(en) heeft verwijderd,

D. op of omstreeks 18 juli 2017, te Lochem, een woning, staande op perceel [adres 4] , waarin één of meer asbest of een asbesthoudende producten, te weten asbestcementplaten (aftimmering dakopbouw) aanwezig waren , geheel of gedeeltelijk heeft afgebroken en/of uit elkaar genomen door die platen te verwijderen, en/of uit die woning asbest of een asbesthoudend product {zich in de hal van de woning bevindende asbestcementpl(a)t(en)}, heeft verwijderd;

E. op of omstreeks 4 augustus 2017, te Oegstgeest, uit een woning, staande op perceel [adres 5] , asbest of een asbesthoudend product (zich in de keuken, hal en/of toilet van de woning bevindend asbesthoudend vloerzeil), heeft verwijderd,

terwijl (telkens) de concentratie van asbestvezels was ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en/of heeft verdachte (een deel van) vorenomschreven handelingen doen verrichten in strijd met het bepaalde in het eerste lid in verbinding met het

tweede lid van artikel 6 van het asbestverwijderingsbesluit, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) niet een bedrijf waren/was dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening – onder verwijzing naar een door hem overgelegd bewijsmiddelenoverzicht – dat alle vier ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zakelijk weergeven, het volgende naar voren gebracht.

Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman gesteld dat verdachte geen werkgever is geweest in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Zijn rol was telkens gelijkwaardig aan die van de overige betrokkenen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte wel als werkgever gezien moet worden dan kan het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard worden.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat voor wat betreft de locatie in Drempt uit het dossier onvoldoende blijkt welke asbestvervuiling aan verdachte toegeschreven dient te worden. Daarnaast kan zonder aanvullend onderzoek niet vastgesteld worden dat de bodem vervuild is. Dat geldt ook voor de locatie in Oosterhout. Met betrekking tot de locatie in Lochem is niet duidelijk of het verwijt ook ziet op de werkzaamheden die beneden in de gang zijn verricht. Daarnaast blijkt uit het deskundigenrapport niet in welke plaat een breuk is vastgesteld. Op die locatie is evenmin sprake van vervuiling van de bodem.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet wist dat de sloopwerkzaamheden nadelige gevolgen voor de gezondheid konden opleveren. Hij heeft immers ook zichzelf blootgesteld aan de gevaren van asbest.

Het onder parketnummer 08/994500-18 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De feiten

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte [verdachte] is op 17 oktober 2016 gestart met een eenmanszaak, onder de handelsnaam [bedrijf verdachte] . De onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en gevestigd aan de [adres 7] . Tot de activiteiten van de onderneming behoorden onder meer dakdekken en het bouwen van dakconstructies.

Op de website van [bedrijf verdachte] (www. [bedrijf verdachte] .com) presenteerde verdachte het bedrijf als een gecertificeerd bedrijf voor het verwijderen van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal. Verdachte noch het bedrijf [bedrijf verdachte] was echter in het bezit van een Procescertificaat Asbestverwijdering. Zonder een dergelijk certificaat is het verwijderen van asbest in de risicoklassen 2 en 2a niet toegestaan.

Verdachte is via internet (met name de website www. [website] .nl) in contact gekomen met een aantal personen die op de hieronder genoemde locaties asbesthoudend materiaal wilden laten verwijderen. Deze contacten hebben telkens geleid tot een opdracht aan (het bedrijf van) verdachte tot verwijdering van het betreffende materiaal. De werkzaamheden zijn uitgevoerd – in wisselende samenstelling – door verdachte, de medeverdachte [werknemer/medeverdachte] (hierna: [werknemer/medeverdachte] ), [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1] ) en [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2] ). Geen van deze personen was in het bezit van een Procescertificaat Asbestverwijdering.

Locatie Bilthoven

Verdachte is in contact gekomen met de heer [naam 1] , toenmalig eigenaar van de woning aan de [adres 1] te Bilthoven. Genoemde [naam 1] zocht een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, omdat uit een asbestinventarisatie gebleken was dat in het grondzeil in een slaapkamer van zijn woning asbest, vallend onder risicoklasse 2 (30-60% niet hechtgebonden chrysotiel), aanwezig was. Dit grondzeil diende ingevolge het terzake opgemaakte rapport verwijderd te worden volgens de containment methode.1

Verdachte heeft in opdracht van voornoemde [naam 1] op 19 juni 2017, samen met [werknemer 1] , het grondzeil verwijderd en afgevoerd. De onderlaag is achtergebleven. Uit een nadien opgemaakte asbestinventarisatie is gebleken dat zich in die onderlaag 30-60% niet hecht-gebonden chrysotiel van risicoklasse 2 bevond.

Tijdens de werkzaamheden hebben verdachte en [werknemer 1] uitsluitend een witte overall en een halfgelaatsmasker gedragen. De uit de voorgeschreven containment methode volgende maatregelen ter voorkoming van de verspreiding asbestvezels zijn niet getroffen.

Locatie Oosterhout

Mevrouw [naam 2] is eigenaar van een recreatiewoning op een recreatieterrein aan de [adres 2] te Oosterhout. Zij heeft telefonisch contact gehad met verdachte in verband met de verwijdering van asbesthoudende golfplaten van het dak van die recreatiewoning. Op 17 juni 2017 heeft een ontmoeting plaatsgevonden bij de recreatiewoning tussen mevrouw [naam 2] en verdachte. Daarbij zijn beide partijen overeengekomen dat verdachte niet alleen de golfplaten zou verwijderen, maar de gehele recreatiewoning zou slopen en afvoeren.

Verdachte heeft vervolgens contact opgenomen met [werknemer/medeverdachte] met het verzoek om de recreatiewoning te slopen. Verdachte heeft [werknemer/medeverdachte] daarbij de opdracht gegeven om de materialen gescheiden houden. [werknemer/medeverdachte] moest hout bij hout, steen bij steen en beton bij beton leggen zodat verdachte later niet zoveel werk had om het in containers te doen.

Op 1 juli 2017 is [werknemer/medeverdachte] , samen met [werknemer 1] en [werknemer 2] , begonnen met het slopen van de recreatiewoning. Daarbij hebben zij onder meer asbesthoudende golfplaten van het dak gehaald. Zij hebben bij hun werkzaamheden niet de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen, zoals gebruikmaken van stofafzuiging en een decontaminatie unit, genomen.

Uit een nadien opgemaakt asbestinventarisatierapport is gebleken dat de verwijderde golfplaten asbest met een percentage van 10-15% chrysotiel en een percentage van 2-5% aan ambifool bevatten, waarvan de verwijdering is ingedeeld in risicoklasse 2a. Tevens is vastgesteld dat de omgeving van de recreatiewoning vervuild was met asbesthoudend materiaal.

Locatie Drempt

Verdachte is met de eigenaar van de schuur met bijgebouwen aan de [adres 3] te Drempt, de heer [naam 3] , overeengekomen dat hij de asbesthoudende plafondplaten in die schuur zou verwijderen en afvoeren. Volgens een asbestinventarisatierapport d.d. 25 april 2017 bevatten de plafondplaten 2-5% hechtgebonden chrysotiel dat ingedeeld diende te worden in risicoklasse 2.

Op 17 juli 2017 is verdachte samen met [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] op de locatie aanwezig geweest. Verdachte heeft, nadat [naam 3] hem had laten zien welke plafondplaten verwijderd dienden te worden, opdracht gegeven aan [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] om die platen te verwijderen en voorgedaan hoe ze dat moesten doen. Verdachte is vervolgens zelf buiten in zijn gehuurde bestelbus gaan zitten. Verdachte heeft bij de verwijdering van de plafondplaten niet de uit de indeling in risicoklasse 2 voortvloeiende veiligheidsmaatregelen genomen, of door [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] laten nemen. [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] droegen geen enkele bescherming tijdens hun werkzaamheden.

Uit een nadien opgemaakt asbestinventarisatierapport is gebleken dat er restanten van 2-5% chrysotiel zijn aangetroffen in de schuur en op het perceel.

Locatie Lochem

Mevrouw [naam 4] is woonachtig aan de [adres 4] te Lochem. Zij is bij (het bedrijf van) verdachte terechtgekomen nadat zij had besloten om een zijpaneel van een dakkapel van haar woning te laten verwijderen. Uit een asbestinventarisatie was namelijk gebleken dat dit paneel asbest bevatte (2-5% chrysotiel, hechtgebonden, risicoklasse 2). Ook een cementplaat in de gang op de begane grond van de woning bevatte volgens die inventarisatie asbest (2-5% chrysotiel, hechtgebonden, risicoklasse 2). Verwijdering van de asbesthoudende materialen diende volgens het asbestinventarisatierapport plaats te vinden volgens de hiervoor genoemde containment methode.

Mevrouw [naam 4] is op 18 juli 2017 met verdachte overeengekomen dat hij er voor zou zorgen dat zijn werknemers de asbestplaten zouden verwijderen. Diezelfde dag hebben [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 1] de asbestplaten van de dakkapel en in de gang verwijderd. Zij hebben bij die werkzaamheden alleen mondkapjes op gehad. Verder hebben [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 1] geen veiligheidsmaatregelen genomen.

Locatie Oegstgeest

Nadat uit een asbestinventarisatie was gebleken dat er asbesthoudend vloerzeil (30-60% chrysotiel, niet hechtgebonden, risicoklasse 2) aanwezig was in de woning aan de [adres 5] te Oegstgeest heeft de eigenaresse mevrouw [naam 5] aan [bedrijf verdachte] opdracht gegeven om dit vloerzeil te verwijderen en af te voeren. Mevrouw [naam 5] heeft daarover contact gehad met verdachte.

Op 4 augustus 2017 hebben verdachte en [werknemer/medeverdachte] het vloerzeil uit de keuken en de gang van de woning verwijderd. Zij droegen daarbij hun normale werkkleding en ze hebben niet de voorgeschreven voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen genomen.

Uit een nadien opgemaakt asbestinventarisatierapport blijkt dat er in de keuken en de gang van de woning restanten van asbesthoudend materiaal zijn aangetroffen (2-5% chrysoliet).

4.3.2.

Met betrekking tot feit 1 (parketnummer 08/997029-17)

De verdediging heeft gesteld dat verdachte niet een werkgever in de zin van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet is geweest. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Tussen enerzijds (verdachte en) [bedrijf verdachte] en anderzijds [werknemer/medeverdachte] , [werknemer 2] en [werknemer 1] bestond geen arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 1 eerste lid onder a, sub 1 van de Arbeidsomstandighedenwet. Evenmin was sprake van de situatie als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder a, sub 2 van deze wet. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sprake kan zijn geweest van een werkgever en een werknemer in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Ook degene die een ander zonder zijn gezag arbeid laat verrichten wordt op grond van artikel 1, lid 2 onder a, sub 1 van de Arbeidsomstandighedenwet beschouwd als werkgever in de zin van deze wet. Een dergelijke gezagsverhouding wordt ook aanwezig geacht wanneer de werkgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de werknemer verplicht is één en ander te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van de verschillende opdrachtgevers en van [werknemer/medeverdachte] , [werknemer 2] en [werknemer 1] af dat verdachte telkens degene is geweest die de (werk- en financiële) afspraken met die opdrachtgevers heeft gemaakt en die:

- te Bilthoven de werkopdrachten aan [werknemer 1] heeft gegeven;

- met betrekking tot de locatie Oosterhout aanwijzingen en instructies heeft gegeven aan [werknemer/medeverdachte] , [werknemer 2] en [werknemer 1] ;

- te Drempt aanwijzingen en instructies heeft gegeven aan [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] en toezicht heeft gehouden op hun werkzaamheden;

- met betrekking tot de locatie Lochem de werkopdracht heeft gegeven aan [werknemer/medeverdachte] (en [werknemer 2] );

- te Oegstgeest de werkopdracht aan [werknemer/medeverdachte] heeft gegeven.

Verdachte dient op grond van deze feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de sloopwerkzaamheden te Bilthoven, Oosterhout, Drempt, Lochem en Oegstgeest beschouwd te worden als werkgever in de zin van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De rechtbank acht verder bewezen dat verdachte op de vijf genoemde locaties opzettelijk door de genoemde werknemers sloopwerkzaamheden heeft laten verrichten met betrekking tot asbesthoudende materialen, zonder doeltreffende beschermende maatregelen te (laten) nemen en zonder dat hij en/of die werknemers daartoe gecertificeerd waren, terwijl door die sloopwerkzaamheden naar hij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers te verwachten is.

4.3.3.

Met betrekking tot feit 2 (parketnummer 08/997029-17)

Het opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, is strafbaar gesteld in artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank begrijpt de tenlastelegging onder 2 aldus, dat het voor de locatie Oosterhout gaat om het (onachtzaam) verwijderen van asbesthoudende golfplaten, voor de locatie Drempt om het opvegen van restanten en het (onachtzaam) verwijderen van asbesthoudende plafondplaten en voor de locatie Lochem om het (onachtzaam) verwijderen van een asbesthoudende cementplaat en het niet in containment werken.

Niet ter discussie staat dat de omschreven handelingen zijn verricht.

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens voor ziet gesteld is of verdachte en zijn medeverdachten door aldus te handelen asbest in of op de bodem of in de lucht hebben gebracht en of er daardoor een gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor geen van de tenlastegelegde locaties op basis van dit dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden dat asbest in de bodem is gebracht, zodat de rechtbank verdachte in zoverre zal vrijspreken.

Ten aanzien van de locatie Oosterhout overweegt de rechtbank als volgt. Uit het analyserapport inclusief bijlagen en het nadien opgestelde asbestinventarisatierapport blijkt dat er asbesthoudend materiaal is aangetroffen dat een percentage van 10-15% chrysotiel en 2-5% crocidoliet bevat. In het deskundigheidsonderzoek van 26 maart 2019 staat dat bij verwijdering van de betreffende dakplaten met breuk ca. 21.000 asbestvezels per m3 vrijkomen. De rechtbank begrijpt dat hiermee de vezelemissie in de lucht wordt bedoeld. Deze emissie bevindt zich ruimschoots boven de grenswaarde van 2.000 asbestvezels per m3. Zowel uit de verklaring van getuige [getuige 1] , de verklaring van [werknemer 2] en de verklaring van [werknemer/medeverdachte] blijkt dat er gedeelten van de platen zijn afgebroken. Het is een feit van algemene bekendheid dat door blootstelling aan asbestvezels boven de grenswaarde een gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor personen te duchten is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten asbest in de lucht hebben gebracht waardoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ook op de bodem zijn asbestvezels aangetroffen. Uit het deskundigenonderzoek van 26 maart 2019 blijkt evenwel dat de emissie van asbestvezels op de bodem zich onder genoemde grenswaarde bevindt. Nu deze emissie onder de grenswaarde ligt kan naar objectieve maatstaven niet worden vastgesteld dat door het op de bodem brengen van de asbest in Oosterhout gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is. Van dit gedeelte wordt verdachte daarom vrijgesproken.

Ten aanzien van de locatie Drempt blijkt uit het analyserapport van de Omgevingsdienst Achterhoek, inclusief de bijlagen, dat fragmenten asbest op de bodem zijn aangetroffen. Van een aangetroffen fragment op de bodem, buiten de veeschuur is een monster genomen. Uit onderzoek blijkt dat dit fragment 5-10% chrysotiel bevat.

In het deskundigheidsonderzoek van 26 maart 2019 staat dat bij verwijdering van de betreffende dakplaten met breuk ca. 45.000 asbestvezels per m3 vrijkomen. De rechtbank begrijpt dat hiermee de vezelemissie in de lucht wordt bedoeld. Deze emissie bevindt zich ruimschoots boven de grenswaarde van 2.000 asbestvezels per m3. De platen zijn bij het verwijderen gebroken. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten asbest in de lucht hebben gebracht waardoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

Hoewel er fragmenten asbest op de bodem terecht zijn gekomen, is volgens het deskundigheidsonderzoek ook deze emissie onder de grenswaarde, zodat naar objectieve maatstaven niet kan worden vastgesteld dat hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar is ontstaan.

Ten aanzien van de locatie Lochem overweegt de rechtbank tot slot dat uit het deskundigheidsonderzoek blijkt dat er in geval van verwijdering van de cementplaten met breuk sprake zou zijn van een emissie van asbestvezels van ca. 45.000 per m3. Uit het dossier blijkt echter niet dat de platen bij het verwijderen gebroken zijn, nog daargelaten dat niet duidelijk is of de tenlastelegging ziet op de verwijderde cementplaat in de hal van de woning of op het dak. Zodoende kan niet worden bewezen dat asbest in de lucht en/of op de bodem is gebracht en dat daardoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten is.

Resumerend acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met anderen opzettelijk en wederrechtelijk asbest in de lucht heeft gebracht op de locaties Oosterhout en Drempt, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

4.3.4.

Met betrekking tot feit 3 (parketnummer 08/997029-17)

Nadat de asbestverwijderingswerkzaamheden op de locaties in Oosterhout en Drempt hadden

plaatsgevonden, zijn op beide locaties asbest of asbesthoudende producten achtergelaten, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Ten aanzien van de locatie in Lochem overweegt de rechtbank dat [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] in de woning asbest hebben verwijderd, zonder daarbij de verplichte maatregelen te treffen om eventuele verspreiding van en secundaire besmetting door asbestdeeltjes te voorkomen. In het bijzonder is geen containment toegepast. Reeds daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat door aldus te handelen nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Juist wanneer niet de benodigde beschermende maatregelen worden genomen om verspreiding en secundaire besmetting te voorkomen, kan het asbest immers eenvoudig naar buiten worden gebracht, met alle mogelijke gevolgen voor het milieu van dien.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op de locaties te Oosterhout, Drempt en Lochem samen met anderen bedrijfsmatig handelingen heeft verricht met betrekking tot asbest of asbesthoudende producten, terwijl daardoor naar hij redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

4.3.5.

Met betrekking tot het onder parketnummer 08/994500-18 tenlastegelegde feit

Aan verdachte is onder dit parketnummer ten laste gelegd dat hij samen met anderen te Bilthoven, Oosterhout, Drempt, Lochem en Oegstgeest asbestverwijderingswerkzaamheden heeft verricht, waarbij de concentratie van asbestvezels in risicoklasse 2 of 2A was ingedeeld, terwijl hij en/of zijn medeverdachten niet een gecertificeerd bedrijf in de zin van artikel 4.54d lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit waren.

Uit de Nota van Toelichting bij het ‘Besluit van 16 december 2005, houdende vaststelling van regels voor het inventariseren van asbest en het verwijderen van asbest in het algemeen en uit een bouwwerk in het bijzonder en in verband hiermee een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ (Stb. 2005, 704) volgt dat artikel 4.54d lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit ten doel heeft het beperken van de risico’s voor blootstelling van werknemers aan asbestvezels. Deze bepaling richt zich dus tot de werkgever in de zin van de arbeidsomstandighedenwetgeving.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.3.2. met betrekking tot het werkgeverschap van verdachte is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk op de vijf genoemde locaties asbestverwijderingswerkzaamheden heeft verricht of laten verrichten, terwijl het bedrijf van verdachte niet in het bezit was van certificaat in de zin van artikel 4.54d lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op na te noemen data, in na te noemen plaatsen, telkens opzettelijk, als werkgever handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de “Arbeidsomstandighedenwet” en de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van na noemen werknemers te verwachten is, immers heeft verdachte:

A. op 19 juni 2017 te Bilthoven, gemeente De Bilt, aan de [adres 1] , de werknemer [werknemer 1] ,

B. op 1 juli 2017 te Oosterhout, aan de [adres 2] , de werknemers [werknemer/medeverdachte] , [werknemer 1] en [werknemer 2] ,

C. op 17 juli 2017 te Drempt, gemeente Bronckhorst, aan de [adres 3] , de werknemers [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] ,

D. op 18 juli 2017, te Lochem, aan of nabij de [adres 4] , de werknemers [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] , en

E. op 4 augustus 2017 te Oegstgeest, aan de [adres 5] , de werknemer [werknemer/medeverdachte] ,

telkens arbeid laten verrichten bestaande uit het geheel of gedeeltelijk slopen / uit elkaar nemen van woningen en/of gebouwen terwijl daarin asbest en/of asbesthoudende producten - risicoklasse 2 of 2A - aanwezig waren en/of het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest en/of asbesthoudende producten - risicoklasse 2 of 2A - uit woningen / gebouwen,

terwijl telkens:

gelet op de aard van de werkzaamheden verwacht kon worden dat de som van de concentratie asbestvezels van het type chrysotiel als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, van het Arbeidsomstandîghedenbesluit en/of de concentratie van de amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en/of crocidoliet als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid van voornoemd Besluit, in de lucht groter was dan of gelijk was aan 1, ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht,

telkens als werkgever niet doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers had genomen, waaronder het ter beschikking stellen en het verplichten te dragen van passende ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen, en het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvonden (door te Oegstgeest en Lochem, terwijl dit was aangegeven in het asbestinventarisatierapport niet onder containment te werken), en de werkzaamheden als hiervoor genoemd, niet verricht werden door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit was van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, en voornoemde werknemers niet in het bezit waren van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling;

2.

hij op 1 juli 2017 te Oosterhout (op of nabij [adres 2] , zijnde een camping) en op 17 juli

2017 te Drempt, gemeente Bronckhorst (op of nabij perceel [adres 3] ), telkens samen en

in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten asbest, asbestdeeltjes en/of asbesthoudende producten in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was, aangezien verdachte en/of verdachtes mededaders restanten van asbest hebben/heeft opgeveegd (te Drempt) en – respectievelijk – asbesthoudende golfplaten en asbesthoudende plafondplaten zodanig (onachtzaam) hebben/heeft verwijderd dat asbest(vezels) in de lucht vrijkwamen,

zulks terwijl telkens onvoldoende maatregelen waren genomen om te voorkomen dat zich op voornoemde percelen wonende/verblijvende personen/eigenaar van de percelen en bezoekers en buren in aanraking zouden kunnen komen met die vrijkomende asbest(vezels), waarbij door het inademen van asbest en/of asbestdeeltjes, het asbest en/of asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen veroorzaken zoals longkanker en mesothelioom - zijnde buik- en longvlieskanker-);

3.

hij op 1 juli 2017 te Oosterhout, (op of nabij de [adres 2] ), op 17 juli 2017 te Drempt, gemeente Bronckhorst (op of nabij de [adres 3] ) en op 18 juli 2017 te Lochem (op perceel [adres 4] ), samen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen, te weten asbest en/of asbesthoudende producten (asbestgolfplaten, asbesthoudende plafondplaten en een astbesthoudende cementplaat) heeft verricht, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan,

immers heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s) uit woningen en/of een schuur asbest of asbesthoudende producten verwijderd en vervolgens op verschillende plaatsen asbest of asbesthoudende producten in en/of nabij die gebouwen achtergelaten terwijl hij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan;

parketnummer 08/994500-18:

hij op na te noemen data, in na te noemen plaatsen, telkens samen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk:

A. op 19 juni 2017 te Bilthoven, gemeente De Bilt, uit een woning staande op perceel [adres 6] , asbesthoudend vinyl-zeil geheel of gedeeltelijk heeft verwijderd,

B. op 1 juli 2017 te Oosterhout, een recreatiewoning, staande op perceel [adres 2] , waarin asbest of een asbesthoudend product, te weten asbesthoudende dakplaten aanwezig waren, gedeeltelijk heeft afgebroken en die dakplaten (gedeeltelijk) uit dat bouwwerk heeft verwijderd,

C. op 17 juli 2017 te Drempt, gemeente Bronckhorst, een schuur en/of een zogeheten melklokaal, staande op perceel [adres 3] , waarin asbest of een asbesthoudend product, te weten asbesthoudende plafondplaten aanwezig waren, geheel of gedeeltelijk heeft afgebroken en/of uit elkaar genomen en/of die plafondplaten (geheel of gedeeltelijk) uit dat bouwwerk heeft verwijderd,

D. op 18 juli 2017 te Lochem, een woning, staande op perceel [adres 4] , waarin asbesthoudende producten, te weten asbestcementplaten (aftimmering dakopbouw) aanwezig waren, gedeeltelijk heeft afgebroken door die platen te verwijderen, en uit die woning asbest of een asbesthoudend product (zich in de hal van de woning bevindende asbestcementplaat), heeft verwijderd;

E. op 4 augustus 2017 te Oegstgeest, uit een woning, staande op perceel [adres 5] , asbest of een asbesthoudend product (zich in de keuken en de hal van de woning bevindend asbesthoudend vloerzeil), heeft verwijderd,

terwijl telkens de concentratie van asbestvezels was ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

en heeft verdachte (een deel van) vorenomschreven handelingen doen verrichten in strijd met het bepaalde in het eerste lid in verbinding met het tweede lid van artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit,

terwijl verdachte en/of verdachtes mededaders niet een bedrijf waren dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08/997029-17 onder 1, 2 en 3 en onder parketnummer 08/994500-18 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 173a Sr en artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 (parketnummer 08/997029-17)

het misdrijf:

opzettelijk niet naleven van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet, meermalen gepleegd;

feit 2 (parketnummer 08/997029-17)

het misdrijf:

opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

feit 3 (parketnummer 08/997029-17)

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.1 lid 3 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

het onder parketnummer 08/994500-18 tenlastegelegde feit

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6 lid 1 Asbestverwijderingsbesluit 2005, opzettelijk begaan, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan die voorwaardelijke straf zou dan een bijzondere voorwaarde moeten worden verbonden, inhoudende dat verdachte de gevorderde bedragen van de benadeelde partijen van wie de vordering kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard door de rechtbank, zal vergoeden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een taakstraf. Tevens heeft de raadsman gevraagd om het bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Onder de verantwoordelijkheid van verdachte als werkgever zijn op vijf locaties in het land door verschillende personen asbesthoudende materialen uit woningen en een schuur verwijderd, zonder dat de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen zijn genomen. Daarnaast was verdachte niet in het bezit van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest.

Asbest kan zeer schadelijk zijn voor de gezondheid. Het inademen van asbestvezels kan verschillende typen kanker zoals mesothelioom of andere ziektes zoals asbestose veroorzaken. Veelal duurt het vele jaren, soms zelfs meerdere decennia, totdat de effecten van de asbestvezelinname duidelijk worden en de ziektes zich openbaren. Juist daarom is het van groot belang dat bij het verwijderen van asbest de juiste maatregelen worden genomen om besmetting te voorkomen, door personen die daartoe gecertificeerd zijn.

Door het handelen van verdachte is niet alleen ernstige schade te verwachten aan de gezondheid van de personen die voor hem de asbesthoudende materialen hebben verwijderd, maar ook is de gezondheid van de bewoners van een aantal panden waar de werkzaamheden zijn verricht in gevaar gebracht. Daarnaast zijn de eigenaren van de verschillende panden geconfronteerd met problemen met bijvoorbeeld de gemeente en extra kosten die gemaakt moesten worden om de locaties na besmetting asbestvrij te krijgen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij reeds vele malen veroordeeld is voor, met name, vermogensdelicten.

De rechtbank houdt op de voet van artikel 63 Sr rekening met de veroordeling tot een gevangenisstraf van achttien maanden door de rechtbank Noord-Holland, op 13 februari 2018, en met de veroordeling tot een gevangenisstraf van 42 maanden door de rechtbank Gelderland, op 15 november 2018.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van een reclasseringsrapportage van 19 januari 2018

en een psychologisch rapport van 10 oktober 2017. Uit deze rapportages leidt de rechtbank af dat de bewezenverklaarde feiten volledig aan verdachte toegerekend kunnen worden. Verdachte heeft deze feiten gepleegd uit opportunistische redenen en de reclassering ziet geen mogelijkheden om een plan van aanpak op te stellen waarvan enig recidive beperkend effect verwacht mag worden.

Alles afwegende acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden passend en geboden.

Met betrekking tot de voorlopige hechtenis van verdachte

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst tot het moment van de einduitspraak in de strafzaak, te weten 30 september 2019 om 13.15 uur.

De rechtbank zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis niet opheffen, nu de ernstige bezwaren – gezien de bewezenverklaringen – nog immer aanwezig zijn. Daarnaast is sprake van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert, omdat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan zes jaren of meer is gesteld.

Gezien het feit dat de redenen die telkens aanleiding zijn geweest om de voorlopige hechtenis te schorsen door de einduitspraak niet langer aanwezig zijn, acht de rechtbank evenmin termen aanwezig om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen.

Het bevel voorlopige hechtenis herleeft dus weer met ingang van 30 september 2019 om 13.15 uur.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende partijen hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces, voor zover het betreft partijen die niet reeds niet-ontvankelijk verklaard.

Vordering [naam 6]

vorderen verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 9.187,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Asbestinventarisatie € 3.613,07

- Asbestsanering € 5.215,10

- Vervanging stofzuiger € 263,50

- Vervanging tapijt 1 € 38,00

- Vervanging tapijt 2 € 58,00+

Totaal materiële schade € 9.187,67

Vordering [naam 2]

vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een

totaalbedrag van € 9.772,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Aanbetaling [bedrijf verdachte] (cash) € 800,00

- Betaling [bedrijf verdachte] € 1.200,00

- Asbestrapport € 750,00

- 20 Pascal opruimen asbest € 1.452,00

- 20 Pascal opruimen asbest € 2.480,50

- Verwijderen restant sloop (camping) € 1.500,00

- Misgelopen subsidie € 252,00

- Aanvulling diefstal € 1.338,39+

Totaal materiële schade € 9.772,89

Vordering [naam 3]

vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.194,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Nieuwe asbestinventarisatie tgv.

illegaal uitgevoerde sanering € 250,00

- Meerkosten tbv herstelsaneringsactiviteiten € 5.687,00

- Reiskosten € 57,12+

Totaal materiële schade € 5.994,12

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 200,00 gevorderd.

Vordering [bedrijf 1] BV

Namens [bedrijf 1] BV is gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 18.708,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Controle besmetting bestelwagen € 1.440,00

- Asbestsanering € 4.750,00

- Stilstand bestelwagen verzekeren € 357,04

- Wegenbelasting bus 185 en bus 167 € 400,00

- Extra inhuur van bus 167 [naam 7] € 3.000,00

- Extra bus verzekeren voor verhuur € 357,04

- Interieur vern. bank/stoel/tapijt € 7.404,33+

Totaal materiële schade € 17.708,41

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat enkel artikel 173a Sr, waarop het onder feit 2 (parketnummer 08-997029-17) van het ten laste gelegde is gestoeld, strekt tot bescherming van de gevoegde benadeelde partijen. De overige wet- en regelgeving die ten grondslag ligt aan het tenlastegelegde strekt daartoe niet. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat de gevorderde schade niet gelijk is aan het door verdachte genoten voordeel.

Subsidiair is de verdediging van mening dat schade die het gevolg is van niet-naleving van een overeenkomst niet kan worden aangemerkt als schade die het rechtstreekse gevolg is van de tenlastegelegde feiten. De gevorderde schade die geen betrekking heeft op het opruimen van de rotzooi houdt geen verband met het tenlastegelegde.

[bedrijf 1] BV dient volgens de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering wegens het ontbreken van voldoende verband tussen het handelen van verdachte en de schade.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde partij op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezen-verklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Daarvoor is niet, zoals de verdediging ten onrechte stelt, vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd (HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522). Ook de stelling dat het bedrag dat de verdachte door het bewezenverklaarde misdrijf heeft verworven geldt als bovengrens van de schadevergoeding is onjuist (HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:885). Tot slot sluit de eventuele wanprestatie van verdachte jegens de benadeelde partijen aansprakelijkheid van verdachte jegens diezelfde partijen voor dezelfde schade uit anderen hoofde dan wanprestatie in zijn algemeenheid niet uit. Per schadepost moet worden beoordeeld of deze in voldoende verband staat tot het bewezenverklaarde handelen.

Vordering [naam 6]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten (parketnummer 08-997029-17, feit 1 en het onder parketnummer 08-994500-18 tenlastegelegde feit) rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen, met uitzondering van twee keer € 8,- welk bedrag ten onrechte is inbegrepen in de kosten van het verwijderen van tapijt terwijl deze blijkens de facturen betrekking hebben op de aanschaf van lampen. De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 9.171,67, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Vordering [naam 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten (parketnummer 08-997029-17, feiten 1, 2 en 3 en parketnummer 08-994500-18, feit 1) rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De volgende posten kunnen evenwel niet worden aangemerkt als schade die voldoende verband houdt met het bewezenverklaarde handelen van verdachte:

- Aanbetaling [bedrijf verdachte] (cash) € 800,00

- Betaling [bedrijf verdachte] € 1.200,00

- Aanvulling diefstal € 1.338,39

De post ‘Misgelopen subsidie’ ad € 252,00 is onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de strafzaak teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om haar vordering nader te onderbouwen leidt naar het oordeel van de rechtbank tot een onevenredige belasting van de strafzaak. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering (totaal € 3.590,39) niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De overige opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de benadeelde partij ter zitting heeft toegelicht dat de post ‘Verwijderen restant sloop (camping)’ ad € 1.500,00, ter zake waarvan een factuur met de omschrijving ‘Ontruimingskosten staanplaats’ is bijgevoegd, ziet op het geheel kaal maken van het perceel dat noodzakelijk was wegens de asbestverontreiniging.

De rechtbank zal het gevorderde gelet op het voorgaande toewijzen tot een bedrag van € 6.182,50, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Vordering [naam 3]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten (parketnummer 08-997029-17, feiten 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 08-994500-18 tenlastegelegde feit) rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde posten inzake materiële schade zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Immateriële schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit naar objectieve maatstaven kan volgen dat een aantasting in zijn persoon, zoals geestelijk letsel, is ontstaan. De benadeelde partij stelt – samengevat – dat hij onzekerheid, stress en ongemak heeft ervaren doordat hij aanvankelijk zelf door de gemeente werd aangesproken op de verontreiniging en doordat de verbouwing van de schuur is vertraagd. Hij heeft niet onderbouwd dat dit psychisch onbehagen moet worden aangemerkt als een aantasting in de persoon als hiervoor bedoeld. De benadeelde partij zal om die reden voor dit deel van de vordering (€ 200,00) niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 5.994,12, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Vordering [bedrijf 1] BV

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [bedrijf 1] BV in haar vordering overweegt de rechtbank als volgt. Voor het aannemen van voldoende verband is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld (HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2637). Uit het aan de bewezenverklaring ten grondslag liggende bewijs blijkt dat verdachte en [werknemer/medeverdachte] de door [bedrijf 1] BV aan verdachte verhuurde bus (een Fiat Ducato met kenteken [kenteken 1] ) in ieder geval hebben gebruikt bij de klus in Drempt. Uit dat bewijs blijkt ook dat verdachte de schuur in Drempt is binnen gegaan, plafondplaten heeft losgetrokken waardoor die beschadigd raakten en vervolgens – zonder zich om te kleden – in zijn verontreinigde kleding in de bus is gaan zitten. Het veroorzaken van asbestverontreiniging in die bus maakt dan ook deel uit van de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van verdachte en [werknemer/medeverdachte] . Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de door [bedrijf 1] BV gevorderde schade in zodanig (nauw) verband staat met de bewezenverklaarde feiten (parketnummer 08-997029-17, feiten 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 08-994500-18 tenlastegelegde feit) dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreekse schade in de zin van artikel 361, lid 2, onder b, Sv. [bedrijf 1] BV is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

De post ‘Stilstand bestelwagen verzekeren’ ad € 357,04 is onvoldoende onderbouwd aangezien een factuur ontbreekt. Er is weliswaar een factuur ter hoogte van dat bedrag bijgevoegd, maar deze heeft blijkens het daarop aangeduide kenteken ( [kenteken 2] ) betrekking op de verzekering van de vervangende bestelbus. Die kosten zijn gevorderd onder een afzonderlijke post, namelijk ‘Extra bus verzekeren voor verhuur’ ad € 357,04. Aanhouding van de strafzaak teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om haar vordering nader te onderbouwen leidt naar het oordeel van de rechtbank tot een onevenredige belasting van de strafzaak. De benadeelde partij zal om die reden voor dit deel van de vordering (€ 357,04) niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De overige opgevoerde posten inzake materiële schade zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.351,37, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De rechtbank wijst af de gevorderde immateriële schade, nu deze is gevorderd door een rechtspersoon.

8.4

Hoofdelijkheid

De verdachte is naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partijen telkens voor het gehele toe te wijzen bedrag aansprakelijk is.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De officier van justitie heeft gevorderd om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag van de in artikel 36f Sr bedoelde betalingsverplichting te stellen op telkens de helft van de toe te wijzen schadevergoedingen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen en, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, telkens ter hoogte van het totaal van de toe te wijzen schadevergoedingen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht. Gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de schade, wordt ook de betalingsverplichting uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opgelegd.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 10, 47 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de onder parketnummer 08/997029-17 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten en het onder parketnummer 08/994500-18 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 (parketnummer 08/997029-17)

het misdrijf:

opzettelijk niet naleven van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet, meermalen gepleegd;

feit 2 (parketnummer 08/997029-17)

het misdrijf:

opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

feit 3 (parketnummer 08/997029-17)

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.1 lid 3 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

het onder parketnummer 08/994500-18 tenlastegelegde feit

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6 lid 1 Asbestverwijderingsbesluit 2005, opzettelijk begaan, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 6] (parketnummer 08-997029-17, feit 1 en parketnummer 08-994500-18, feit 1) van een bedrag van € 9.171,67 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2017) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten parketnummer 08-997029-17, feit 1 en parketnummer 08-994500-18, feit 1, tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 9.171,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 16,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van een bedrag van € 6.182,50 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2017) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.182,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 65 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 3.590,39 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 3] van een bedrag van € 5.994,12 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2017) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.994,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 64 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 200,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] BV van een bedrag van € 17.351,37 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2017) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.351,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 121 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 357,04 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schade af;

bevel voorlopige hechtenis

- het bevel tot voorlopige hechtenis wordt niet opgeheven, noch opnieuw geschorst, waardoor het bevel met ingang van heden herleeft.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. H. Stam en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, en is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2019.

Buiten staat

Mr. Van Berlo is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar documentnummers, zijn dit documentnummers uit het dossier van de politie eenheid Oost Nederland, team milieu, met nummer ONRBA17004 (onderzoek : JAGUAR). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar documentnummers van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Parketnummer 08/997029-17

Feit 1:

Ten aanzien van alle locaties:

1.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

In de ten laste gelegde periode had ik de eenmanszaak [bedrijf verdachte] . Mijn bedrijf was niet in het bezit van een certificaat om asbest te verwijderen terwijl ik dit wel op mijn website had gezet. Ik ben zonder certificaat gaan werken.

Ik was het aanspreekpunt voor de opdrachtgevers. Ik sprak met hen af hoe laat wij op een locatie kwamen. Dit gaf ik aan de jongens door. De opdrachtgevers stuurden mij een asbestinventarisatierapport als dit voorhanden was. Dit rapport keek ik met de jongens op de locaties door om te kijken wat er moest gebeuren.

2.

Een schriftelijk bescheid (B205), inhoudende een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 21 augustus 2017:

Handelsnaam: [bedrijf verdachte]

Rechtsvorm: Eenmanszaak

Startdatum onderneming: 17-10-2016 (datum registratie: 19-10-2016)

Activiteiten: Dakdekken en bouwen van dakconstructies

Werkzame personen: 1

Handelsnaam: [bedrijf verdachte]

Bezoekadres: [woonplaats]

Eigenaar: [verdachte]

3.

Een schriftelijk bescheid (P158), inhoudende een print screen van de website www. [bedrijf verdachte] .com:

Specialist in asbestsanering en dakrenovatie

[bedrijf verdachte] is een gecertificeerd bedrijf voor het verwijderen van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal.

4.

Een proces-verbaal van verhoor van 27 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 2] (JAG-272, G214), zakelijk weergegeven:

[verdachte] gaf de opdrachten bij de werkzaamheden die ik samen met [werknemer/medeverdachte] uitvoerde bij het slopen van asbest. [werknemer/medeverdachte] kreeg ook de opdrachten van [verdachte] . We kregen samen de opdrachten van [verdachte] .

5.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-054, P324), zakelijk weergegeven:

Als ik van [verdachte] de opdracht kreeg dan wist ik niet vooraf wat de opdracht inhield.

Als ik aankom op de afgesproken plaats, dan wordt door [verdachte] verteld wat er uitgevoerd moet worden. [verdachte] bepaalt de start en eindtijd. [verdachte] bepaalt hoe het werk wordt uitgevoerd.

6.

Een proces-verbaal van verhoor van 30 augustus 2017, inhoudende de verklaring van getuige [werknemer 1] (JAG-085, G54 en G55), zakelijk weergegeven:

V: Wat kun je ons vertellen over [verdachte] ?

A: [verdachte] heet [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ).

Naar mijn idee is [verdachte] de grote baas en voeren [werknemer/medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [werknemer/medeverdachte] ) en ik de klussen uit.

7.

Een proces-verbaal van bevindingen (JAG-287, B1502, pagina 2) van 31 oktober 2017, opgemaakt door [verbalisant] (arbeidsinspecteur bij ISZW), zakelijk weergegeven:

Tevens dienen preventieve beheersmaatregelen getroffen te worden waardoor de concentratie van asbeststof in de lucht zo laag mogelijk wordt gehouden (Arbobesluit artikel 4.45, 1e lid, in relatie met artikel 4.45, 2e lid onder a). Voor wat de asbestbronnen in genoemde rapporten zouden de volgende maatregelen genomen moeten worden:

-Het leggen van folie rondom te verwijderen bronnen.

-Asbesttoepassingen zoveel mogelijk in zijn geheel verwijderen.

-Juiste volgorde van de werkzaamheden met de best bestaande technieken.

-Asbesttoepassingen vooraf en bij breuk nat maken.

-Het afzetten van het werkgebied.

-Werkgebied reinigen. Indien hiervoor een stofzuiger wordt gebruikt dient deze voorzien te zijn van een speciaal filter (HEPA filter).

-Gebruik maken van stofafzuiging (puntafzuiging) tijdens het verwijderen.

-Reinigen gebruikte gereedschappen. Indien reinigen niet mogelijk is, zoals bij de stofzuiger dient deze na de sanering in een asbestzak worden ingepakt.

-Afzetten werkgebied

-Gebruik maken van een decontaminatie-unit. De deco procedure dient gevolgd te worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

Voor wat betreft de saneringswerkzaamheden die zijn ingedeeld in risicoklasse 2 en 2a, binnensituatie dienen nog de volgende extra maatregelen getroffen worden.

Om verspreiding van asbestvezels te voorkomen buiten de ruimte waar de werkzaamheden plaatsvonden dienen de saneringswerkzaamheden in een containment bij een onderdruk van minimaal 20 pascal te worden uitgevoerd (Arbobesluit artikel 4.48a, 1e lid, juncto artikel 4.48a, 2e lid onder c). Indien dit niet gebeurd kunnen vezels worden verspreid naar aanliggende ruimten en kunnen werknemers (en andere personen zoals bewoners) na de werkzaamheden worden blootgesteld aan asbestvezels.

Tijdens de genoemde saneringswerkzaamheden dient de werkgever er voor te zorgen dat de werknemers doelmatige adembescherming dragen. Als doelmatig wordt beschouwd een volgelaatsmasker met P3 filter en aangeblazen lucht.

8.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 2] (JAG-060, G17), zakelijk weergegeven:

Er was nooit een douche. Dat hoefde volgens [verdachte] bij deze asbestsoorten niet. Zonder te douchen stapten we na het werk in de bus en reden naar huis.

9.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-040, P302), zakelijk weergegeven:

Ik weet niet welke stappen er genomen moeten worden bij asbestsanering.

Ik heb geen beschermende middelen om een asbestsanering uit te kunnen voeren.

Ik weet dat je een mondkapje voor moet hebben, maar niet welke. Dat is het enige dat ik weet.

10.

Een proces-verbaal van verhoor van 27 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 2] (JAG-272, G214), zakelijk weergegeven:

Wat betreft beschermende middelen gebruikten we alleen een stofmasker en werkschoenen.

11.

Een proces-verbaal van bevindingen (B4) van 1 augustus 2017, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , zakelijk weergegeven:

Op 27 juli 2017 heb ik het register van Ascert geraadpleegd op de certificering van de hieronder genoemde (rechts)personen: [bedrijf verdachte] , [bedrijf 2] , [verdachte] en [werknemer/medeverdachte] .

Uit deze bevragingen bleek mij dat geen van de (rechts)personen in het bezit waren van een certificaat op het gebied van asbest.

12.

Een proces-verbaal van bevindingen (JAG-326) van 9 februari 2018, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , zakelijk weergegeven:

Wanneer een bedrijf zich niet houdt aan de voorwaarden en maatregelen die zijn opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is aan te nemen dat haar werknemers blootgesteld kunnen worden aan asbeststof.

Bij onzorgvuldige verwijdering van asbesthoudende bronnen bestaat er een groot risico van hoge emissies aan asbestvezels en worden de grenswaarden opgenomen in artikel 4.48. Risicoklasse 2 Arbeidsomstandighedenbesluit overschreden. Bij onzorgvuldige verwijdering wordt ook niet aan de grenswaarde van één voldaan. Dit volgt uit onderstaand TNO rapport.

Volgens het TNO rapport 2013 RI 1850 Onderzoek naar de blootstelling aan asbest tijdens saneringswerkzaamheden (J. Tempelman, J. den Boeft en J. Schinkel, 2013, p. 65) kunnen voor vrijwel alle saneringen van hechtgebonden chrysotiel asbesthoudende materialen (risicoklasse 2) door zorgvuldig werken en het toepassen van bronmaatregelen en juist gebruik van adem beschermingsmiddelen, in die volgende, blootstelling aan vezelconcentraties boven de grenswaarde worden voorkomen.

Bilthoven

13.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 19 juni 2017 heb ik met [werknemer 1] een asbesthoudend vloerzeil verwijderd uit de slaapkamer van de woning aan de [adres 1] te Bilhoven. Ik had deze opdracht aangenomen via [website] . Ik heb [werknemer 1] gezegd dat wij daar heen gingen. We hebben het zeil in sealplastic verpakt en in de bus gelegd. In de offerte stond dat we de ruimte tevens vezelvrij zouden maken. Dat hebben we niet gedaan.

14.

Een proces-verbaal van verhoor van 4 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [naam 1] (JAG-229, G156 en 157), zakelijk weergegeven:

Via de website [website] heb ik een klus geplaatst. De opdracht luidde dat ik een aantal asbestpunten in huis had o.a. het zeil in de slaapkamer. Op 19 juni 2017 belde [verdachte] van [bedrijf verdachte] mij en zei dat hij in de Bilt was en de klus nu ook kon doen. Kort daarop is [verdachte] daar met een kompaan geweest en hebben zij de klus uitgevoerd. Mijn vriendin heeft contant betaald op verzoek van [verdachte] . ’s Avonds heb ik in de slaapkamer gekeken en zag ik dat het zeil weg was en dat er een ondervloer lag.

15.

Een proces-verbaal van verhoor van 24 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 1] (JAG-270, G179), zakelijk weergegeven:

De persoon op de foto in bijlage 3 dat ben ik. Wij hebben alleen een zeil op een slaapkamer moeten verwijderen. [verdachte] en ik hebben het zeil opgerold en in onze bestelbus van [bedrijf 1] meegenomen. Het werk was zo klaar. Ik kreeg ter plaatse de opdrachten van [verdachte] .

We droegen een witte overall en een mondmasker.

16.

Een schriftelijk bescheid (B830), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 14 juni 2017, zakelijk weergegeven:

Adres [adres 1] :

Vloerzeil slaapkamer, 16 m2. Niet hechtgebonden.

Asbestsoort: Chrysotiel, percentage 30-60%, Risicoklasse 2.

Verwijderingsmethode: containment.

17.

Een schriftelijk bescheid (B1266), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 8 september

2017, zakelijk weergegeven:

Adres [adres 1] :

Onderlaag onder tapijt in de slaapkamer voor, 16m2, niet hechtgebonden,

Asbestsoort: Chrysotiel, percentage 30-60%, risicoklasse 2

Verwijderingsmethode: containment.

18.

Een proces-verbaal van verhoor van 15 november 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2] (JAG-298, G247), zakelijk weergegeven:

Ze hadden een wit pak aan voorzien van een capuchon en droegen een masker.

Oosterhout

19.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb het werk aan de recreatiewoning op de camping [camping] aan de [adres 2] te Oosterhout aangenomen. De opdrachtgevers hebben verteld dat er asbesthoudende golfplaten moesten worden verwijderd. Ik heb op de locatie gekeken en daar hebben de opdrachtgevers mij gedeeltelijk betaald.

Vervolgens heb ik [werknemer/medeverdachte] (hierna: [werknemer/medeverdachte] ) gevraagd of hij het werk wilde uitvoeren. [werknemer/medeverdachte] heeft de klus samen met [werknemer 2] , [werknemer 1] en nog iemand uitgevoerd. Ik heb hen niet gezegd dat zij beschermende maatregelen moesten nemen. Later hebben de opdrachtgevers mij gevraagd of de recreatiewoning kon worden gesloopt. Dit heb ik aan [werknemer/medeverdachte] doorgegeven en een nieuwe prijs met de opdrachtgevers afgesproken.

[werknemer/medeverdachte] heeft mij gebeld dat de klus klaar was. Dat heb ik aan de opdrachtgevers doorgegeven en daarbij gezegd dat zij mij konden betalen. Dit hebben zij op 3 juli 2017 gedaan. Ik heb de factuur opgemaakt.

20.

Een proces-verbaal van verhoor van 10 november 2017, inhoudende de verklaring van aangever [naam 2] (JAG-150, B1710 en 1711), zakelijk weergegeven:

Via de site van [website] heb ik een offerte bij het bedrijf [bedrijf verdachte] aangevraagd voor het verwijderen van 40 vierkante meter asbest. Toen we akkoord mailden werden wij door iemand die zich [verdachte] noemde terug gebeld.

Op 17 juni arriveerde [verdachte] samen met een man. [verdachte] wilde de asbest van het dak halen en afvoeren en vroeg een aanbetaling van € 800,--. Ik betaalde dit ter plekke contant.

Later kwamen we overeen dat [verdachte] van [bedrijf verdachte] niet alleen de asbest zou verwijderen en afvoeren maar ook het huisje zou slopen en afvoeren. De prijs zou in totaal € 2000,-- zijn.

Op 3 juli betaalde ik de resterende € 1200,-- op rekening van de [bedrijf verdachte] omdat [verdachte] via sms had laten weten dat alles klaar was.

21.

Een proces-verbaal van verhoor van 27 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 2] (JAG-272, G214), zakelijk weergegeven:

[verdachte] was er die dag niet bij op de [adres 2] te |Oosterhout maar hij gaf ons wel de opdracht om daar naar toe te gaan.

22.

Een proces-verbaal van verhoor van 24 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 1] (JAG-270, G178), zakelijk weergegeven:

Ik ben in Oosterhout geweest met [werknemer 2] en [werknemer/medeverdachte] .

Vooraf ben ik daar samen met [verdachte] geweest om werkafspraken met de eigenaren van dit chalet te maken. Zij hebben een deel van de sloop vooruit betaald aan [verdachte] .

Van [verdachte] moesten wij het dak van het chalet afhalen en de rest met de grond gelijk maken.

23.

Een proces-verbaal van verhoor van 31 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-096, P374), zakelijk weergegeven:

[verdachte] heeft mij gevraagd of ik naar Oosterhout wilde gaan. Hij gaf aan dat het om een chalet ging. Het hele chalet moest plat. Dat had [verdachte] zo gezegd.

24.

Een proces-verbaal van verhoor van 26 september 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-129, P401), zakelijk weergegeven:

Ik heb op 1 juli 2017 in Oosterhout gewerkt.

25.

Een proces-verbaal van bevindingen (B438) van 29 augustus 2017, opgemaakt door [verbalisant] , toezichthouder Omgevingsdienst Midden en West- Brabant, zakelijk weergegeven:

Op 23 augustus 2017 heb ik controle uitgevoerd op het perceel [adres 2] te Oosterhout.

De eigenaar van de camping, de heer [getuige 1] , vertelde tegen mij dat hij was gaan kijken naar de werkzaamheden bij het vakantiehuisje C2. Op locatie zag hij dat het terrein niet was afgezet en de asbestverdachte golfplaten zonder persoonlijke beschermingsmiddelen verwijderd werden. Verspreid over het terrein lag asbest verdacht materiaal.

26.

Een schriftelijk bescheid, te weten een analysecertificaat RPS van 24 augustus 2017 (Bijlage 3 bij B438):

Adres monstername [adres 2] te Oosterhout

Monster nr RPS Soort materiaal Soort asbest + massa % bij benadering

17-187062 Plaatmateriaal Chrysotiel 10 - 15 %

Crocidoliet 2-5%

17-167953 Plaatmateriaal Chrysotiel 10 - 15 %

Crocidoliet 2-5%

27.

Een schriftelijk bescheid (B1367), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 4 september 2017, zakelijk weergegeven:

Locatie: [adres 2] Oosterhout. Aangetroffen asbestverdachte bronnen

- 18 m2 dakbeplating, chrysotiel: 10-15% en crocidoliet: 2-5%, risicoklasse 2A

- 38 m2 restanten dakbeplating, chrysotiel: 10-15% en crocidoliet: 2-5%, risicoklasse 2A

Drempt

28.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 17 juli 2017 ben ik samen met [werknemer 2] en [werknemer/medeverdachte] aanwezig geweest in de schuur aan de [adres 3] te Drempt. Aangever [naam 3] had mij op voorhand een asbestinventarisatierapport gestuurd waarin stond wat er moest gebeuren. ’s Ochtends heb ik de aanhangwagen gebracht en ben ik samen met aangever [naam 3] , [werknemer 2] en [werknemer/medeverdachte] in de schuur geweest om te kijken wat er moest gebeuren. [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] hebben de asbesthoudende plafondplaten verwijderd. Tijdens een deel van de werkzaamheden ben ik in de schuur geweest. Ik wist dat er asbest in de plafondplaten zat. De veiligheidsmaatregelen die volgens de deskundigen hadden moeten worden genomen, zoals containment, hebben wij niet genomen. ’s Middags heb ik de volle aanhangwagen weer opgehaald. Er is aan mij betaald.

29.

Een proces-verbaal van verhoor van 10 oktober 2017, inhoudende de verklaring van aangever [naam 3] (JAG-200, B1650), zakelijk weergegeven:

De offerte ging via [website] . Ik kreeg een bericht voor welk bedrag [bedrijf verdachte] dit kon doen. Via

[website] kon ik ook de contactgegevens van [bedrijf verdachte] krijgen.

Op maandag 17 juli 2017 ben ik naar het perceel [adres 3] te Drempt toegegaan. Ik heb daar de man gesproken die ik ook aan de telefoon had gesproken en van wie ik nu weet dat hij [verdachte] heet. Wij zijn samen over de werkplek gelopen en ik heb hem aangewezen wat er verwijderd moest worden.

[verdachte] had de leiding. Ik heb alleen met hem over de opdracht en de werkzaamheden gesproken en hij overhandigde mij ook de factuur.

30.

Een schriftelijk bescheid (B1613), inhoudende een factuur van [bedrijf verdachte] gericht aan [naam 3] ten bedrage van 3.327,50 met als omschrijving “1x verwijderen van asbest plafondbepaling incl. afmelding”.

31.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-041, P312), zakelijk weergegeven:

Ik ben betrokken geweest bij een asbestsanering in Drempt. [verdachte] belde mij op en vroeg of ik tijd had voor een klus. [verdachte] wees mij witkleurige platen aan die weg moesten. Ik kreeg van [verdachte] € 200,-- contant betaald.

32.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-054, P324), zakelijk weergegeven:

[verdachte] kwam regelmatig de stal binnen en schreeuwde ons toe dat we nog niet ver genoeg waren en op moesten schieten.

33.

Een schriftelijk bescheid (B1616), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 25 april 2017, zakelijk weergegeven:

Asbestinventarisatie van [adres 3] te Drempt

136 m2 plafondbeplating: risicoklasse 2, Chrysotiel 2-5 %

25 m2 plafond aanbouw, risicoklasse 2, Chrysotiel 2-5 %

34.

Een proces-verbaal van verhoor van 21 november 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-300, P479), zakelijk weergegeven:

Ik heb nog nooit in containment asbest verwijderd.

35.

Een proces-verbaal van verhoor van 27 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 2] (JAG-272, G214), zakelijk weergegeven:

[verdachte] had mondkapjes voor ons. [verdachte] zei dat we voor dit asbest alleen deze mondkapjes nodig hadden. Verder hadden wij geen beschermende kleding aan. [verdachte] zei dat we dat niet hoefden.

36.

Een proces-verbaal van verhoor van 30 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-063, P348), zakelijk weergegeven:

[werknemer 2] en ik hebben de hele klus in de kleding gedaan die op de foto is te zien. Wij hebben geen enkele beschermende middelen gebruikt tegen de besmetting met asbest. Volgens [verdachte] was dat niet nodig.

Lochem

37.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb het werk aan de [adres 4] te Lochem aangenomen. Aangeefster belde mij of ik een asbesthoudende dakplaat van de dakkapel wilde verwijderen. Ik heb [werknemer/medeverdachte] vervolgens gebeld en gezegd dat er een asbestplaat van de dakkapel moest worden verwijderd. [werknemer/medeverdachte] heeft het werk vervolgens met [werknemer 2] uitgevoerd. Ik heb niet gezegd dat er veiligheids-maatregelen moesten worden genomen. Het zou kunnen dat ik een stofzuiger aan [werknemer/medeverdachte] en [werknemer 2] heb meegegeven.

Ik ben bij aangeefster [naam 4] geweest om het geld in ontvangst te nemen.

38.

Een proces-verbaal van verhoor van 10 oktober 2017, inhoudende de verklaring van aangever [naam 4] (JAG-236, G159), zakelijk weergegeven:

[verdachte] was de eigenaar en ging weg nadat de twee andere jongens binnen kwamen. [verdachte] had aangegeven dat hij de werkzaamheden overliet aan de anderen. Eén van de andere mannen heette [werknemer/medeverdachte] . De werkzaamheden werden verricht door [werknemer/medeverdachte] en een stagiair. Zij hebben een in de gang geschroefde plaat en een plaat van de dakkapel verwijderd. Ze droegen alleen stofmaskers.

39.

Een proces-verbaal van verhoor van 27 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 2] (JAG-272, G214), zakelijk weergegeven:

Ik heb samen met [werknemer/medeverdachte] asbestplaten in de gang van de woning aan de [adres 4] te Lochem verwijderd. [verdachte] had dit verteld. [verdachte] zou hier eerst alleen naar toe gaan maar had iets met zijn vrouw. [verdachte] heeft [werknemer/medeverdachte] toen gevraagd. [verdachte] zou zorgen voor de afvoer van het asbest. We hebben niet een soort tent gebruikt. Van [verdachte] hoefde dat niet.

40.

Een proces-verbaal van verhoor van 21 november 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-300, P479), zakelijk weergegeven:

Ik heb nog nooit in containment asbest verwijderd.

41.

Een schriftelijk bescheid (B871), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 16 november 2015, zakelijk weergegeven:

[adres 4] te Lochem,

Cementplaat buitenzijde woning, chrysotiel 10-15%, hechtgebonden, risicoklasse 2, verwijdering conform SC-530 (openluchtsanering)

Cementplaat hal, chrysotiel 2-5%, hechtgebonden, risicoklasse 2, verwijdering conform SC-530 (binnensanering).

Oegstgeest

42.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 4 augustus 2017 heb ik samen met [werknemer/medeverdachte] asbesthoudend zeil en of asbesthoudende zwarte platen uit de gang, wc en keuken van de woning aan de [adres 5] te Oegstgeest verwijderd. Ik had mijn normale kleding aan en heb alleen een mondkapje gebruikt.

43.

Een proces-verbaal van verhoor van 29 november 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [naam 5] (JAG-311, G254), zakelijk weergegeven:

Via [website] kwam ik in contact met [verdachte] . Ik heb hem het asbestinventarisatierapport verstuurd. Daar had hij om gevraagd. Op de dag van de werkzaamheden waren 2 personen van [bedrijf verdachte] aanwezig, waaronder [verdachte] .

[verdachte] had de leiding want ik heb alle zaken met hem geregeld. Ik heb [verdachte] een bedrag van

€ 1905,00 contant betaald.

44.

Een proces-verbaal van bevindingen (B762) van 26 september 2017, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , zakelijk weergegeven:

Op 25 juli 2017 werd door [naam 5] op de website www. [website] .nl de opdracht geplaatst voor het verwijderen van een 13m2 asbesthoudende vloer. Bij de omschrijving werd aangegeven dat er een asbest inventarisatierapport aanwezig was.

Op 26 juli 2017 werd een voorstel, ondertekend met “groet [verdachte] " van €1600 (excl. btw) gedaan. Op 28 juli 2017 geeft [naam 5] aan de opdracht door [verdachte] te willen laten uitvoeren en vraagt naar zijn beschikbaarheid.

45.

Een schriftelijk bescheid (JAG-329, bijlage 3), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 11 mei 2017, zakelijk weergegeven:

Asbestinventarisatierapport [adres 5] , Oegstgeest.

Asbest aanwezig in vloerzeil wc, hal, keuken.

30% - 60% chrysotiel

niet hechtgebonden materiaal

Risicoklasse 2. 13,0 m2.

46.

Een schriftelijk bescheid (JAG-329, bijlage 11), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 17 augustus 2017, zakelijk weergegeven:

Asbestinventarisatierapport [adres 5] , Oegstgeest.

Restanten plaatmateriaal in de vloer keuken gang, 13m2, chrysotiel 2-5%, hechtgebonden, risicoklasse 2.

Verontreiniging in de gehele woning, 112m2, chrysotiel +/++, hechtgebonden, risicoklasse 2.

47.

Een proces-verbaal van verhoor van 13 november 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-283, P432), zakelijk weergegeven:

Ik heb een vloerzeil uit de woning aan de [adres 5] te Oegstgeest verwijderd. Ik deed dit samen met [verdachte] . [verdachte] bepaalde hoe er gewerkt moest worden. [verdachte] had de opdracht aangenomen. We hebben geen voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen genomen ter voorkoming van de verspreiding van asbest. We hadden geen beschermende kleding aan. We zijn na de klus zonder te douchen in onze werkkleding in de bus gestapt.

Feit 2 en feit 3:

Oosterhout:

48.

Een schriftelijk bescheid (B1367), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 4 september 2017, zakelijk weergegeven:

Locatie: [adres 2] Oosterhout. Aangetroffen asbestverdachte bronnen

- 18 m2 dakbeplating, chrysotiel: 10-15% en crocidoliet: 2-5%, risicoklasse 2A

- 38 m2 restanten dakbeplating, chrysotiel: 10-15% en crocidoliet: 2-5%, risicoklasse 2A

49.

Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenonderzoek d.d. 26 maart 2019 opgesteld door R. Grinwis, van Kiwa compliance, zakelijk weergegeven:

Bij een verwijdering met breuk van de dakplaten komen hier ca. 21000 asbestvezels/m3 vrij.

50.

Een proces-verbaal van bevindingen (B438) van 29 augustus 2017, opgemaakt door [verbalisant] , toezichthouder Omgevingsdienst Midden en West- Brabant, zakelijk weergegeven:

Op 23 augustus 2017 heb ik controle uitgevoerd op het perceel [adres 2] te Oosterhout.

De eigenaar van de camping, de heer [getuige 1] , vertelde tegen mij dat hij was gaan kijken naar de werkzaamheden bij het vakantiehuisje C2. Op locatie zag hij dat het terrein niet was afgezet en de asbestverdachte golfplaten zonder persoonlijke beschermingsmiddelen verwijderd werden.

Verspreid over het terrein lag asbest verdacht materiaal.

Op het terrein rondom het vakantiehuisje liggen restanten asbesthoudend materiaal. Onder een zeil lag een stapel asbestverdachte golfplaten. Door ondeskundig verwijderen van asbest is er een besmetting ontstaan.

51.

Een schriftelijk bescheid, te weten een analysecertificaat RPS van 24 augustus 2017 (Bijlage 3 bij B438):

Adres monstername [adres 2] te Oosterhout

Monster nr RPS Soort materiaal Soort asbest + massa % bij benadering

17-187062 Plaatmateriaal Chrysotiel 10 - 15 %

Crocidoliet 2-5%

17-167953 Plaatmateriaal Chrysotiel 10 - 15 %

Crocidoliet 2-5%

52.

Een proces-verbaal van verhoor van 31 augustus 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] (JAG-095, G50 en G51), zakelijk weergegeven:

Er waren geen linten en er was geen dichte container. Ik zag dat er over het gehele terrein stukjes asbest lagen.

53.

Een proces-verbaal van verhoor van 27 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [werknemer 2] (JAG-272, G219), zakelijk weergegeven:

Er zijn wel een paar platen gebroken.

54.

Een proces-verbaal van verhoor van 26 september 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-129, P401), zakelijk weergegeven:

Ik heb het chalet zo achtergelaten zoals dit op de foto’s (op dossierpagina’s 418 en 419) is te zien.

Drempt

55.

Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenonderzoek d.d. 26 maart 2019 opgesteld door R. Grinwis, van Kiwa compliance, zakelijk weergegeven:

De verwijderde toepassing bevatten beide 2-5 % chrysotiel en zijn hecht gebonden asbesthoudende toepassingen. De toepassingen dienen in risicoklasse 2 verwijderd te worden. Het dakbeschot in de schuur (136 m2) betreft een buiten situatie en de beplating in de tussenruimte (25m2) betreft een binnen situatie.

Bij een verwijdering met breuk komen hier ca. 45000 asbestvezels/m3 vrij.

56.

Een proces-verbaal van verhoor van 15 mei 2018, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 3] afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, zakelijk weergegeven:

Op 18 juli 2017 ben ik naar de [adres 3] te Drempt gegaan. Ik zag overal asbestverdachte materialen. Ik heb binnen en buiten de schuur op verschillende plaatsen monsters genomen van die verdachte materialen. Ik heb de monsters opgestuurd naar Al-West.

Ik heb vier monsters genomen:

1. buiten de veeschuur aan de lange zijde;

2. In de veeschuur, een beetje aan de achterzijde,

3. Bij de deur van de aanbouw, volgens mij aan de binnenkant,

(…)

57.

Een schriftelijk bescheid (B233), te weten een analyserapport d.d. 27 juli 2017 opgesteld door [naam 8] van AL-West B.V. gericht aan [verbalisant] , inclusief bijlagen, zakelijk weergegeven:

Asbestbepaling in grond/puin:

Monster 1: 5-10 % chrysotiel

Monster 2: 5-10 % chrysotiel

Monster 3: 5-10 % chrysotiel.

58.

Een schriftelijk bescheid (B1666), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 5 augustus 2017, aangepast 8 augustus 2017, zakelijk weergegeven:

Asbestinventarisatie van [adres 3] te Drempt

Restanten van een vlakke plaat aangetroffen in de aanbouw van de boerderij.

Circa 25 m2, hechtgebonden, chrysotiel 2-5%.

Wijze van verwijdering: containment SMA-rt.

59.

Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 20 juli 2017 van [verbalisant] , Toezichthouder milieu OD Achterhoek (B231), zakelijk weergegeven:

Op 18 juli 2017 ben ik met een collega ter plaatste gegaan naar de [adres 3] te Drempt.

Wij troffen een zorgwekkende situatie aan. Het asbesthoudend dakbeschot is zeer slecht verwijderd en overal liggen (binnen en buiten de schuur/woning) fragmenten.

60.

Een proces-verbaal van verhoor van 10 oktober 2017, inhoudende de verklaring van aangever [naam 3] (JAG-200, B1654), zakelijk weergegeven:

De stukken asbest die aan weerszijden van de schuur op de grond liggen zijn absoluut stukken asbest die bij de sanering door [bedrijf verdachte] daar terecht zijn gekomen. Het was ook duidelijk herkenbaar als stukken dakbeschot.

61.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-041, P312, 317, 318 en 320), zakelijk weergegeven:

[verdachte] vertelde ons aan het begin wat gedaan moest worden en ging dan met zijn luie flikker in

de bus buiten wachten. Hij is een paar keer binnen geweest. Het werk ging [verdachte] niet snel genoeg. Hij zei dat we alles er gewoon af moesten trekken. Bij het eraf halen zijn ook wel eens platen naar beneden gevallen. Ik heb de kapotte platen en stukjes opgeruimd.

We hebben de achtergebleven rommel in de stal met een bezem opgeveegd. Ik tikte met hamer tegen de beitel om de spijkers los te maken. Daarna gebruikte ik de koevoet om de platen los te wrikken. Ik denk dat ik dat wrikken tussen de naden van de platen deed. Daarna kon ik de platen eraf trekken.

Sommige platen waren al kapot.

Bij het eraf halen zijn er platen naar beneden gevallen. Ik heb de kapotte platen en stukjes opgeruimd.

[verdachte] heeft de bestelbus van [bedrijf 1] , een gehuurde bus, op de werklocatie gebruikt.

62.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-054, P328), zakelijk weergegeven:

[verdachte] heeft de eerste plafondplaat in de stal zelf verwijderd als voorbeeld. [verdachte] ging heel ruw te werk. Hij pakte een koevoet en trok met grof geweld de plafondplaat los. De plaat raakte bij [verdachte] beschadigd.

63.

Een proces-verbaal van verhoor van 30 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-063, P353 en 354), zakelijk weergegeven:

We hebben zichtbare restanten opgeveegd.

Ik heb op weg naar de woning van de buren het zichtbare stof van mij afgeklopt.

64.

Een proces-verbaal van verhoor van 23 augustus 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [werknemer/medeverdachte] (JAG-041, P318), zakelijk weergegeven:

Ik ben zonder te douchen naar het toilet van de buren geweest.

Feit 3 Lochem:

65.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik heb het werk aan de [adres 4] te Lochem aangenomen. De eigenaresse belde mij of ik een asbesthoudende dakplaat van de dakkapel wilde verwijderen. Ik heb [werknemer/medeverdachte] vervolgens gebeld en gezegd dat er een asbestplaat van de dakkapel moest worden verwijderd. [werknemer/medeverdachte] heeft het werk vervolgens met [werknemer 2] uitgevoerd. Ik ben bij de eigenaresse geweest om het geld in ontvangst te nemen.

66.

Een schriftelijk bescheid (B871), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 16 november 2015, zakelijk weergegeven:

[adres 4] te Lochem,

Cementplaat buitenzijde woning, chrysotiel 10-15%, hechtgebonden, risicoklasse 2, verwijdering conform SC-530 (openluchtsanering)

Cementplaat hal, chrysotiel 2-5%, hechtgebonden, risicoklasse 2, verwijdering conform SC-530 (binnensanering).

67.

Een proces-verbaal van verhoor van 10 oktober 2017, inhoudende de verklaring van aangeefster [naam 4] (JAG-236, G160), zakelijk weergegeven:

Toen zij klaar waren was het niet stofvrij afgeleverd. Ik heb het stof zelf opgeruimd. Er lag veel stof. Ik heb de muur vochtig afgenomen en de vloer schoongemaakt en gedweild.

Parketnummer 08/994500-18:

Ten aanzien van alle locaties:

68.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

In de ten laste gelegde periode had ik de eenmanszaak [bedrijf verdachte] . Mijn bedrijf was niet in het bezit van een certificaat om asbest te verwijderen terwijl ik dit wel op mijn website had gezet. Ik ben zonder certificaat gaan werken.

69.

Een proces-verbaal van bevindingen (B4) van 1 augustus 2017, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , zakelijk weergegeven:

Op 27 juli 2017 heb ik het register van Ascert geraadpleegd op de certificering van de hieronder genoemde (rechts)personen: [bedrijf verdachte] , [bedrijf 2] , [verdachte] en [werknemer/medeverdachte] .

Uit deze bevragingen bleek mij dat geen van de (rechts)personen in het bezit waren van een certificaat op het gebied van asbest.

Ten aanzien van Oosterhout:

70.

Een schriftelijk bescheid (B1367), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 4 september 2017, zakelijk weergegeven:

Locatie: [adres 2] Oosterhout. Aangetroffen asbestverdachte bronnen

- 18 m2 dakbeplating, chrysotiel: 10-15% en crocidoliet: 2-5%, risicoklasse 2A

- 38 m2 restanten dakbeplating, chrysotiel: 10-15% en crocidoliet: 2-5%, risicoklasse 2A.

Ten aanzien van Drempt:

71.

Een schriftelijk bescheid (B1616), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 25 april 2017, zakelijk weergegeven:

Asbestinventarisatie van [adres 3] te Drempt

136 m2 plafondbeplating: risicoklasse 2, chrysotiel 2-5 %

25 m2 plafond aanbouw, risicoklasse 2, chrysotiel 2-5 %.

Ten aanzien van Lochem:

72.

Een schriftelijk bescheid (B871), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 16 november 2015, zakelijk weergegeven:

[adres 4] te Lochem,

Cementplaat buitenzijde woning, chrysotiel 10-15%, hechtgebonden, risicoklasse 2, verwijdering conform SC-530 (openluchtsanering)

Cementplaat hal, chrysotiel 2-5%, hechtgebonden, risicoklasse 2, verwijdering conform SC-530 (binnensanering).

Ten aanzien van Bilthoven:

73.

Een proces-verbaal van verhoor van 4 oktober 2017, inhoudende de verklaring van de getuige [naam 1] (JAG-229, G156 en 157), zakelijk weergegeven:

Via de website [website] heb ik een klus geplaatst. De opdracht luidde dat ik een aantal asbestpunten in huis had o.a. het zeil in de slaapkamer. Op 19 juni 2017 belde [verdachte] van [bedrijf verdachte] mij en zei dat hij in de Bilt was en de klus nu ook kon doen. Kort daarop is [verdachte] daar met een kompaan geweest en hebben zij de klus uitgevoerd. Mijn vriendin heeft contant betaald op verzoek van [verdachte] . ’s Avonds heb ik in de slaapkamer gekeken en zag ik dat het zeil weg was en dat er een ondervloer lag.

74.

Een schriftelijk bescheid (B830), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 14 juni 2017, zakelijk weergegeven:

Adres [adres 1] :

Vloerzeil slaapkamer, 16 m2. Niet hechtgebonden.

Asbestsoort: Chrysotiel, percentage 30-60%, Risicoklasse 2.

Verwijderingsmethode: containment.

75.

Een schriftelijk bescheid (B1266), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 8 september 2017, zakelijk weergegeven:

Adres [adres 1] :

Onderlaag onder tapijt in de slaapkamer voor, 16m2, niet hechtgebonden,

Asbestsoort: Chrysotiel, percentage 30-60%, risicoklasse 2

Verwijderingsmethode: containment.

Ten aanzien van Oegstgeest:

76.

Het proces-verbaal van terechtzitting van 9 september 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 4 augustus 2017 heb ik samen met [werknemer/medeverdachte] asbesthoudend zeil en of asbesthoudende zwarte platen uit de gang, wc en keuken van de woning aan de [adres 5] te Oegstgeest verwijderd.

77.

Een schriftelijk bescheid (JAG-329, bijlage 3), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 11 mei 2017, zakelijk weergegeven:

Asbestinventarisatierapport [adres 5] , Oegstgeest.

Asbest aanwezig in vloerzeil wc, hal, keuken.

30% - 60% chrysotiel

niet hechtgebonden materiaal

Risicoklasse 2. 13,0 m2.

78.

Een schriftelijk bescheid (JAG-329, bijlage 11), te weten een asbestinventarisatierapport d.d. 17 augustus 2017, zakelijk weergegeven:

Asbestinventarisatierapport [adres 5] , Oegstgeest.

Restanten plaatmateriaal in de vloer keuken gang, 13m2, chrysotiel 2-5%, hechtgebonden, risicoklasse 2.

Verontreiniging in de gehele woning, 112m2, chrysotiel +/++, hechtgebonden, risicoklasse 2.

1 De containment methode houdt in dat met folie een soort ruimte om de asbestbron heen wordt gebouwd, waarna met speciale apparatuur de ruimte in onderdruk wordt gehouden. Door de onderdruk komen de asbestvezels langzaam maar zeker vrij, waarna die vezels direct door apparatuur worden opgevangen.