Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3435

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
08/994527-19 en 08/994514-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een hondenfokker uit Lettele krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 180 uur voor het verwaarlozen van zijn honden. Tijdens de proeftijd mag de 54-jarige man bedrijfsmatig geen dieren houden. Daarnaast legt de rechtbank zijn onderneming voor 1 jaar stil. Met deze straf wil de rechtbank voorkomen dat de man in de toekomst nog eens in de fout gaat als hij dieren houdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/153 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/994527-19 en 08/994514-19 (P)

Datum vonnis: 30 september 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

16 september 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Buist en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M. Schlepers, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenkingen zijn in twee dagvaardingen en in zes afzonderlijke feiten vervat en komen er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, als houder van dieren, aan honden en puppy’s de nodige verzorging heeft onthouden, dat zijn bedrijf niet overeenkomstig de regelgeving was aangemeld, dat een deugdelijke administratie en een bewijs van vakbekwaamheid ontbraken, en dat hij honden niet tijdig heeft geïdentificeerd en geregistreerd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

In de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19:

1.

Hij op of omstreeks 15 augustus 2018 te Lettele in de gemeente Deventer, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten honden en/of puppy's ten verkoop in voorraad heeft gehouden en/of heeft gehouden ten behoeve van opvang en/of heeft gefokt ten behoeve van verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl

­ die activiteiten werden verricht in een inrichting die niet overeenkomstig artikel 3.8 Besluit houders van dieren was aangemeld bij Onze Minister, en/of

­ in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht, en/of

­ er geen deugdelijke administratie werd bijgehouden van de dieren die in de inrichting verbleven;

2.

hij op of omstreeks 15 augustus 2018 te Lettele in de gemeente Deventer, als degene die (een) hond(en) houdt en/of verhandelt en/of aanvoert en/of afvoert en/of overdraagt,

als houder van 6 honden/pups, althans als houder van (een) dier(en), al dan niet opzettelijk,

deze/dit dier(en) niet binnen zes weken na de geboorte heeft geïdentificeerd en/of deze niet binnen acht weken na de geboorte heeft geregistreerd in een databank;

3.

hij op of omstreeks 15 augustus 2018 te Lettele in de gemeente Deventer,

althans in Nederland, als houder van:

­ acht honden (in de derde schuur, zie pag. 11 proces-verbaal), en/of

­ veertien honden (in de vierde schuur, de eerste afdeling, zie pag. 14 proces-verbaal), en/of

­ vier honden (in de vierde schuur, de tweede afdeling, zie pag. 16 proces-verbaal), en/of

­ vijf honden (in de vierde schuur, de derde afdeling, zie pag. 17 proces-verbaal), en/of

­ zeven honden (in de vierde schuur, de vierde afdeling, zie pag. 19 proces-verbaal), en/of

­ zeven honden (in de vierde schuur, de vijfde afdeling, zie pag. 20 proces-verbaal), en/of

­ zes honden (in een schuur met binnen en buitenverblijf, zie pag. 21 proces-verbaal), en/of

­ drie honden (in een paardenbox en paardenstal, zie pag. 23 proces-verbaal), en/of

althans als houder van (een) dier(en), (telkens) aan die/dat dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers hadden één of meer van de genoemd(e) dier(en) niet de beschikking over een toereikende hoeveelheid (drink)water van passende kwaliteit en/of toereikend voer en/of werden genoemd(e) dier(en) in een zeer vervuilde leefomgeving gehouden;

In de dagvaarding met parketnummer 08/994514-19:

1.

hij op of omstreeks 22 februari 2019 te Lettele in de gemeente Deventer, althans in Nederland, als houder van (onder andere):

­ 13 honden/pups (in ruimte 1, zie pag. 3 proces-verbaal), en/of

­ 11 honden (in ruimte 2, zie pag. 3-4 proces-verbaal), en/of

­ 11 honden (in ruimte 3, zie pag. 4 proces-verbaal), en/of

­ 7 honden (in ruimte 4, hok B, zie pag. 4 proces-verbaal), en/of

althans als houder van (een) dier(en), (telkens) aan die/dat dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers hadden één of meer van de genoemd(e) dier(en) niet de beschikking over een toereikende hoeveelheid (drink)water van passende kwaliteit en/of werden genoemd(e) dier(en) in een zeer vervuilde leefomgeving gehouden;

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2019 te Lettele in de gemeente Deventer, als houder van

(ongeveer) honderd honden, althans als houder van (een) dier(en), (telkens) aan die/dat dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij (onder andere)

­ een Rhodesian Ridgeback met diepe zwerende wonden op de voorpoten, en/of

­ een witte herder met pijnlijke heupen, en/of

­ twee, althans één, Rhodesian Ridgeback(s) met trauma's op de voorpoten, en/of

­ twee, althans één, pup(s) met ontstoken voetzooltjes, (zie pag. 9-10 proces-verbaal),

zijnde dieren die ziek of gewond leken, niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2018 tot en met 28 februari 2019 te Lettele in de gemeente Deventer, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten honden en/of puppy's ten verkoop in voorraad heeft gehouden en/of heeft gehouden ten behoeve van opvang en/of heeft gefokt ten behoeve van verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl

­ die activiteiten werden verricht in een inrichting die niet overeenkomstig artikel 3.8 Besluit houders van dieren was aangemeld bij Onze Minister, en/of

­ in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een

door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht, en/of

­ er geen deugdelijke administratie werd bijgehouden van de dieren die in de inrichting verbleven.

3 De voorvragen

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de in de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19 onder 1 en in de dagvaarding met parketnummer 08/994514-19 onder 3 ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat de dagvaardingen deels nietig moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de in de tenlastelegging opgenomen term 'deugdelijke administratie' in het licht van de concrete omstandigheden van het geval te vaag is geformuleerd.

De in de tenlasteleggingen opgenomen term 'deugdelijke administratie' is ontleend aan artikel 3.10 Besluit houders van dieren. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan deze term voldoende feitelijke betekenis toe, zodat niet op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering is vereist dat deze term nader in de tenlasteleggingen wordt omschreven. Bezien in het licht van de onderliggende dossiers moet het bovendien voor de verdediging duidelijk zijn geweest dat met deze term gedoeld wordt op een deugdelijke administratie betreffende de aanwezige honden op zijn bedrijf, zodat het voldoende duidelijk was tegen welke verwijten verdachte zich moest verdedigen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaardingen geldig zijn.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle onder beide parketnummers aan verdachte ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

In de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. Zij heeft zich met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

In de dagvaarding met parketnummer 08/994514-19

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op onderdelen vrijspraak bepleit en zich op andere onderdelen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 08/994527-19, feit 1 en parketnummer 08/994514-19, feit 3:

Op grond van de dossiers is komen vast te staan dat verdachte op 15 augustus 2018 en in de periode van 16 augustus 2018 tot en met 28 februari 2019, kortgezegd, bedrijfsmatig honden heeft gehouden. Onder voornoemde feiten worden telkens drie zaken aan verdachte verweten. Op elk van deze onderdelen is verweer gevoerd en op dat verweer zal hieronder worden ingegaan.

In de eerste plaats is ten laste gelegd dat de activiteiten werden verricht in een inrichting die

niet (op de juiste wijze) was aangemeld. Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat [dierenpension] sinds 18-12-2015 is aangemeld en beschikte over een Uniek Bedrijfsnummer (UBN). De (thans ex-)vrouw van verdachte, [naam] was in het bezit van een vakbekwaamheidsdiploma en stond geregistreerd als zogenoemde UBN-houdster. De rechtbank is, evenals de raadsvrouw, van oordeel dat daarmee aan de registratieplicht is voldaan. Dat op een later moment de onderlinge relatie tussen verdachte en zijn vrouw is gewijzigd en dat zij zich niet meer met de dagelijkse bedrijfsvoering bezighield, doet daaraan niet af. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van beide feiten van dit onderdeel vrijspreken.

In de tweede plaats wordt verdachte verweten dat in de inrichting geen beheerder werkzaam

was die in het bezit was van een erkend bewijs van vakbekwaamheid. De rechtbank stelt op

grond van de stukken vast dat verdachte zelf niet in het bezit was van een bewijs van

vakbekwaamheid, maar dat zijn ex-vrouw dat wel was.

De raadsvrouw van verdachte heeft gewezen op artikel 3.11, eerste en derde lid van het Besluit houders van dieren. Uit het eerste lid van die bepaling volgt dat in beginsel (een beheerder met) een bewijs van vakbekwaamheid vereist is. Het derde lid maakt een uitzondering voor een periode van ten hoogste 12 maanden in het geval een bedrijf geconfronteerd wordt met langdurige ziekte, ontslag of overlijden. De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat deze uitzonderingsbepaling analoog moet worden toegepast in het geval van een scheiding, en dat aan de termijn van 12 maanden is voldaan, omdat moet worden uitgegaan van de formele datum van echtscheiding, te weten 10 augustus 2018.

De rechtbank constateert dat de wetgever een (tijdelijke) uitzondering op het vakbekwaamheidsvereiste mogelijk heeft gemaakt in drie specifiek genoemde gevallen. Een echtscheiding is door de wetgever niet als uitzonderingsgrond aangemerkt, zodat verdachte reeds daarom geen beroep op deze uitzonderingsbepaling toekomt. Daar komt bij dat, gelet op het doel van de bepalingen - het borgen van het dierenwelzijn - uitgegaan moet worden van de feitelijke situatie op het bedrijf. In dit verband is van belang dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat verdachte in augustus 2018 formeel is gescheiden, maar dat zijn ex-vrouw ongeveer anderhalf jaar daarvoor is verhuisd en hij er vanaf dat moment alleen voor stond met de honden. Zelfs indien er wel sprake zou zijn van een uitzonderingssituatie, zou de 12-maandentermijn reeds zijn verstreken in de tenlastegelegde periodes. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlasteleggingen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

In de derde plaats is ten laste gelegd dat er geen deugdelijke administratie werd bijgehouden

van de dieren die in de inrichting verbleven. De rechtbank constateert dat er ten tijde van de controles op het bedrijf niet meer is aangetroffen dan een plastic tas met daarin paspoorten van (een deel van) de aanwezige honden. Een helder overzicht met gegevens over bijvoorbeeld de aanwezige honden, hun ras en aan wie ze toebehoorden, ontbrak. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesproken van een deugdelijke administratie. Ook dit onderdeel van de tenlasteleggingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 08/994527-19, feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de door hem gehouden honden niet identificeerde en registreerde. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en zal in de bijlage volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Parketnummer 08/994527-19, feit 3 en parketnummer 08/994514-19, feit 1

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde processen-verbaal van bevindingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 augustus 2018 én op 22 februari 2019 de nodige zorg aan de in de bewezenverklaring genoemde honden heeft onthouden, omdat zij niet over een toereikende hoeveelheid (drink)water konden beschikken en/of in een zeer vervuilde leefomgeving werden gehouden. Voor zover verdachte deze omstandigheden heeft ontkend vindt zijn stelling weerlegging in voornoemde bewijsmiddelen. Voor zover verdachte heeft aangevoerd dat de vervuiling en/of het gebrek aan drinkwater uitsluitend het gevolg waren van de controle op zijn bedrijf, acht de rechtbank zijn lezing niet aannemelijk. Uit het proces-verbaal blijkt immers genoegzaam dat het om vervuiling gaat die over langere periode moet zijn opgebouwd. Daarnaast ontbraken op beide dagen op meerdere plaatsen drinkbakken en/of drinkwater, waaruit kan worden afgeleid dat niet slechts sprake was van een incidentele tekortkoming.

Parketnummer 08/994514-19, feit 2

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van bevindingen en een schriftelijk stuk van [dierenarts 1] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 februari 2019 de nodige zorg heeft onthouden aan een Rhodesian Ridgeback met diepe zwerende wonden op de voorpoten. Dat verdachte, volgens zijn verklaring, deze hond zelf had verzorgd, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. Verdachte is zelf geen dierenarts, terwijl uit de brief van de dierenarts kan worden afgeleid dat de hond veterinaire zorg behoefde. Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde honden ontbreekt voldoende wettig bewijs om tot een veroordeling te komen, zodat de rechtbank verdachte daarom vrijspreekt.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

In de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19:

1.

hij op 15 augustus 2018 te Lettele in de gemeente Deventer, opzettelijk, bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten honden en/of puppy's ten verkoop in voorraad heeft gehouden en heeft gehouden ten behoeve van opvang en heeft gefokt ten behoeve van verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl

­ in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht, en

­ er geen deugdelijke administratie werd bijgehouden van de dieren die in de inrichting verbleven;

2.

hij op 15 augustus 2018 te Lettele in de gemeente Deventer, als degene die honden houdt en verhandelt en aanvoert en afvoert en overdraagt, als houder van 6 honden/pups, opzettelijk,

deze dieren niet binnen zes weken na de geboorte heeft geïdentificeerd en deze niet binnen acht weken na de geboorte heeft geregistreerd in een databank;

3.

hij op 15 augustus 2018 te Lettele in de gemeente Deventer, als houder van:

­ acht honden (in de derde schuur), en

­ veertien honden (in de vierde schuur, de eerste afdeling), en

­ vier honden (in de vierde schuur, de tweede afdeling), en

­ vijf honden (in de vierde schuur, de derde afdeling), en

­ zeven honden (in de vierde schuur, de vierde afdeling), en

­ zeven honden (in de vierde schuur, de vijfde afdeling), en

­ zes honden (in een schuur met binnen en buitenverblijf), en

­ drie honden (in een paardenbox en paardenstal),

aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers hadden de genoemde dieren niet de beschikking over een toereikende hoeveelheid (drink)water van passende kwaliteit en werden genoemde dieren in een zeer vervuilde leefomgeving gehouden;

In de dagvaarding met parketnummer 08/994514-19:

1.

hij op 22 februari 2019 te Lettele in de gemeente Deventer, als houder van (onder andere):

­ 13 honden/pups (in ruimte 1), en

­ 11 honden (in ruimte 2), en

­ 11 honden (in ruimte 3), en

­ 7 honden (in ruimte 4, hok B),

aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers hadden de genoemde dieren niet de beschikking over een toereikende hoeveelheid (drink)water van passende kwaliteit en werden genoemde dieren in een zeer vervuilde leefomgeving gehouden;

2.

hij op 28 februari 2019 te Lettele in de gemeente Deventer, als houder van honden, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij een Rhodesian Ridgeback met diepe zwerende wonden op de voorpoten, zijnde een dier dat ziek of gewond leek, niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd;

3.

hij in de periode van 16 augustus 2018 tot en met 28 februari 2019 te Lettele in de gemeente Deventer, opzettelijk, bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten honden en/of puppy's ten verkoop in voorraad heeft gehouden en heeft gehouden ten behoeve van opvang en heeft gefokt ten behoeve van verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl

­ in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht, en

­ er geen deugdelijke administratie werd bijgehouden van de dieren die in de inrichting verbleven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ontslag van rechtsvervolging

Voor zover in de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19 onder 2 is bewezenverklaard dat verdachte 6 honden/pups niet binnen zes weken na de geboorte heeft geïdentificeerd, levert dit geen strafbaar feit op, nu artikel 7, eerste lid, Besluit identificatie en registratie van dieren vereist dat de houder zijn hond laat identificeren binnen zeven weken na de geboorte. De verdachte zal zodoende voor dit onderdeel van het bewezenverklaarde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De hieronder weergegeven kwalificatie van dit feit ziet derhalve uitsluitend op het - eveneens bewezenverklaarde - verzuim om de honden/pups binnen acht weken na de geboorte te laten registreren.

Het bewezenverklaarde is voor het overige strafbaar gesteld in artikel 1, onder 2, Wet op de economische delicten, artikel 96 Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren, artikel 8.11 Wet dieren en artikel 3.6, eerste lid, Besluit houders van dieren. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 parketnummer 08/994527-19 en feit 3 parketnummer 08/994514-19:

telkens het misdrijf: gezelschapsdieren ten verkoop in voorraad houden, houden ten behoeve van opvang en fokken ten behoeve van verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl daarbij niet wordt voldaan aan hoofdstuk 3, paragraaf 2 van het Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan;

feit 2 parketnummer 08/994527-19:

het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 96 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

feit 3 parketnummer 08/994527-19 en feiten 1 en 2 parketnummer 08/994514-19:

telkens het misdrijf: zich gedragen in strijd met een voorschrift vastgesteld bij of krachtens artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren.

Geen voortgezette handeling

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de in de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19 onder 1 en in de dagvaarding met parketnummer 08/994514-19 onder 3 bewezenverklaarde feiten als voortgezette handeling moeten worden beschouwd.

Het is vaste jurisprudentie dat de handelingen die de voortgezette handeling vormen de uitvoering moeten zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van één wilsbesluit op grond waarvan verdachte voornoemde feiten heeft begaan. Van een voortgezette handeling is daarom geen sprake.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van vier jaren, met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden - kort gezegd - dat verdachte gedurende de eerste drie jaren van de proeftijd geen andere dieren mag houden dan de dieren die hij thans bezit en dat hij gedurende de gehele proeftijd zal meewerken aan toezicht door of vanwege de overheid. Tevens heeft de officier van justitie een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte, met de omstandigheid dat hij heeft meegewerkt aan het onderzoek en met de aantasting van zijn privacy door de media-aandacht, ten gevolge waarvan bij verdachte psychische problemen zijn ontstaan. Ook heeft de raadsvrouw gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn financiële problemen ten gevolge van het stilleggen van zijn bedrijf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft als eigenaar van een inrichting voor dieren in de periode van 15 augustus 2018 tot en met 28 februari 2019 aan honden de nodige zorg onthouden. Bij controles is vastgesteld dat niet alle honden toegang tot water hadden. Zelfs een zogende teef met zes pups had geen toegang tot water. De verblijven waren bij beide controles sterk vervuild. Ook is een hond met fysieke klachten aangetroffen, die niet de nodige onmiddellijke zorg heeft gekregen. Met name bij de controles in februari 2019 werd geconstateerd dat veel van de aanwezige honden angstig reageerden en gestresst waren.

Daarnaast heeft verdachte niet voldaan aan wettelijke eisen waaraan de inrichting moest voldoen; er was geen beheerder aangesteld met een vereist bewijs van vakbekwaamheid, er werd geen deugdelijke administratie bijgehouden en de honden werden niet geregistreerd. Ook deze voorschriften zijn bedoeld om het dierenwelzijn te borgen. Verdachte lijkt zich daar niet om te hebben bekommerd en te hebben gemeend dat hij geheel naar eigen inzicht zijn bedrijf kon runnen. De combinatie van de bewezenverklaarde feiten levert een beeld op van een slecht gerund bedrijf waarin dieren onder erbarmelijke omstandigheden hebben geleefd. De rechtbank neemt dat de verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 augustus 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en dat hij de laatste vijf jaren in het geheel niet in aanraking met justitie is geweest.

Uit een reclasseringsadvies van 21 augustus 2019 komt naar voren dat verdachte financiële problemen heeft als gevolg van het sluiten van zijn bedrijf na een beschikking van de rechtbank van 15 maart 2019 in aanloop naar deze strafzaak. Hierdoor is het onzeker of hij in zijn boerderij zal kunnen blijven wonen. Daarnaast heeft de strafzaak de nodige media-aandacht gegenereerd met de nodige impact, zowel binnen het familieleven van verdachte als in de contacten met anderen. Verdachte ervaart van al deze omstandigheden veel stress. Hoewel de rechtbank zich die spanningen kan indenken, ziet zij in voormelde omstandigheden echter geen strafmatigende factoren, nu verdachte die voor een groot deel over zichzelf heeft afgeroepen. Bovendien was door verdachte te voorkomen dat na de eerste controle een volgende controle opnieuw slecht zou aflopen, met de daaraan verbonden verdere publiciteit.

De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een verbod om dieren te houden. Ook geeft de reclassering in overweging om een maatregel, strekkende tot het stilleggen van het bedrijf van verdachte, op te leggen.

De rechtbank is, alles overziend, van oordeel dat de op te leggen straf primair gericht moet zijn op preventie, dat wil zeggen: om verdere misstanden met het houden van dieren in de toekomst te voorkomen. Daartoe zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden opleggen met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd niet bedrijfsmatig dieren mag houden en dat hij zal meewerken aan toezicht hierop door de overheid. Als bijkomende straf zal de rechtbank de stillegging van verdachtes onderneming gelasten voor de duur van één jaar.

Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten, acht de rechtbank daarnaast een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, geïndiceerd.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van de Wet op de economische delicten. Alle artikelen zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de in de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en de in de dagvaarding met parketnummer 08/994514-19 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder voornoemde parketnummers/feiten meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, met uitzondering van het niet binnen zes weken na de geboorte identificeren van zes pups, zoals bewezenverklaard in feit 2 van parketnummer 08/994527-19 (voor dit onderdeel van de bewezenverklaring wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvolging);

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 parketnummer 08/994527-19 en feit 3 parketnummer 08/994514-19:

telkens het misdrijf: gezelschapsdieren ten verkoop in voorraad houden, houden ten behoeve van opvang en fokken ten behoeve van verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl daarbij niet wordt voldaan aan hoofdstuk 3, paragraaf 2 van het Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan;

feit 2 parketnummer 08/994527-19:

het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 96 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

feit 3 parketnummer 08/994527-19 en feiten 1 en 2 parketnummer 08/994514-19:

telkens het misdrijf: zich gedragen in strijd met een voorschrift vastgesteld bij of krachtens artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- gedurende de proeftijd niet bedrijfsmatig dieren houdt;

- medewerking verleent aan toezicht daarop door of vanwege het Openbaar Ministerie;

- draagt het Openbaar Ministerie op om toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden;

daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het toezicht, bedoeld in artikel 14d, eerste lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- gelast de gehele stillegging van de onderneming van verdachte, genaamd [dierenpension] , gevestigd te Lettele met KvK-nummer [nummer] voor de duur van één jaar;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mrs. H. Stam en F.C. Berg, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2019.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

In de dagvaarding met parketnummer 08/994527-19: 1

feit 1

1. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] , districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d. 13 november 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p.2 en p.26:

[naam] , thans woonachtig [adres 2] , is de persoon met het vakbekwaamheidsdiploma op de inrichting [adres 1] te Lettele. Echter sinds 1,5 jaar (volgens opgave van verdachte) woont zij al gescheiden van haar ex-man zijnde verdachte. Bij eerdere controles heb ik verbalisant nooit contact gehad met [naam] doch alleen met verdachte [verdachte] . Naar mijn mening was [verdachte] hoofdzakelijk belast met de dagelijkse gang van zaken op het bedrijf.

Op woensdag 15-8-2018 omstreeks 10.00 uur heb ik rapporteur [verbalisant 1] , samen met collega

districtsinspecteurs/buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] alsmede met [verbalisant 4] , brigadier van politie Oost Nederland een controle ingesteld bij [dierenpension] , [adres 1] te Lettele.

Van sommige honden was in het geheel geen bewijs van inenting aanwezig. Een goede administratie ontbrak. Verdachte had alleen op diverse plaatsen Europese paspoorten en of inentingsboekjes liggen. Op deze bewijzen van inenting zaten gele post-it papiertjes met daarop de datum van aankomst en in de meeste gevallen de datum van vertrek uit het

pension. Een deugdelijke administratie met de gegevens van de eigenaren en de dieren ontbrak.

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 2019 voor zover inhoudende, als

verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Mijn ex-vrouw had een vakbekwaamheidsdiploma. Ik had er nog geen. Wij zijn in augustus 2018 gescheiden. Anderhalf jaar daarvoor is zij weggegaan. Het klopt dat zij vanaf 2017 niet meer betrokken was bij het bedrijf.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 18 oktober 2018, gevoegd in het dossier als bijlage 5 (ongenummerde pagina’s)

V: Was de door u gevoerde administratie die wettelijk verplicht is op orde?

A: Het klopt dat mijn administratie niet in orde was.

feit 2

1. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] ,

districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d. 13 november

2018;

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

feit 3

1. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] ,

districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d. 13 november

2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten

[verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p.2 en p.11-23:

Op woensdag 15-8-2018 omstreeks 10.00 uur heb ik rapporteur [verbalisant 1] , samen met collega

districtsinspecteurs/buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] alsmede met [verbalisant 4] , brigadier van politie Oost Nederland een controle ingesteld bij [dierenpension] , [adres 1] te Lettele.

In een 3e schuur roken wij bij binnenkomst ook weer een sterke ammoniaklucht die het doorademen onprettig maakt voor een mens. Een dergelijk klimaat is zeer onwenselijk en schadelijk voor de gezondheid. Ook hier was het smerig en onhygiënisch. De vloeren waren sterk bevuild met stront en urine. Wij zagen achtereenvolgens een zeer angstige witte herder die wegkroop tegen de achterwand van de kennel bij onze aanwezigheid, een 2e witte, angstige herder die wegkroop in een hoek van de kennel, 2 witte en 1 Duitse herder bij elkaar gehuisvest in een grotere kennel, een witte herder met een pup van enkele dagen oud in een kale mand. De pup maakte op ons een zwakke indruk en lag voortdurend te piepen. De teef was erg waaks dus konden wij de pup niet onderzoeken. Veder nog een witte herder die angstig was en een witte herder die een sterk vervuilde vervilte vacht had met name aan de oren achterhand en de onderzijde van de buik. Ook deze honden hadden slechte of geen toereikende ligplaatsen tot hun beschikking. Al deze honden hadden geen waterbak en dus ook geen water.

In een 4e schuur, een voormalige varkensstal met afdelingen, zagen wij achtereenvolgens het volgende.

In de eerste afdeling met fokhonden roken wij een penetrante ammoniaklucht die het doorademen onprettig maakte. Een dergelijk klimaat is zeer onwenselijk en schadelijk voor de gezondheid. Ook hier was het smerig en onhygiënisch. De vloeren waren bevuild met stront en urine. In de eerste kennel zaten 2 Jack Russels, in de 2° en 3° kennel idem. Aan de overzijde zaten respectievelijk 2 bonte Jack Russels, 3 bonte Jack Russels, 2 black and tan Jack Russels en als laatste een bonte Jack Russel met in een plastic mandje een ongeveer 3 a 4 weken oude pup. De honden hadden de beschikking over plastic hondenmanden die vaak kapot en vervuild waren. Ook stond er in een kennel een plastic krat. Ook hier hadden de honden geen waterbak dus geen water tot hun beschikking, terwijl schoon en toereikend water een essentiële levensbehoefte is.

In de 2e afdeling roken wij wederom een penetrante ammoniaklucht. Een dergelijk klimaat is zeer onwenselijk en schadelijk voor de gezondheid. Wij zagen in sterk vervuilde kennels respectievelijk een zwarte en 1 blonde labrador en in een 2e kennel een zeer angstige Duitse herder met een zwarte labrador. Deze honden hadden allen geen waterbak en dus geen water terwijl dit een essentiële levensbehoefte is. Het hekwerk in de eerste kennel was kapot en sterk vervuild met aangekoekte stront en haren. Dat zat er al zeer lange tijd op.

In de volgende, de 3e afdeling hing eveneens een penetrante ammoniaklucht. Een dergelijk klimaat is zeer onwenselijk en schadelijk voor de gezondheid. Hier zaten pensionhonden volgens verdachte. Ook hier waren alle kennels smerig en vervuild, zij het in iets mindere mate als bij de fokhonden. In de eerste kennel zag ik een gecoupeerde XL Stafford. In de tweede kennel een Wetterhoun en in de 3e kennel een lichtbruine bastaard herder. Voor de laatste kennel hing een wijnrood stuk gordijn. Daarachter zat een witte herderteef met 6 zwarte pups. Het hok was erg nat en smerig en vervuild met urine en stront. De hond had geen waterbak en dus geen water, terwijl dit voor een zogende teef belangrijk is voor de aanmaak van melk.

In de 4e afdeling van deze schuur roken wij wederom een sterke ammoniaklucht die onwenselijk en schadelijk is voor de gezondheid. Wij zagen dat ook hier de verblijven sterk vervuild en onhygiënisch waren. Wij zagen hier achtereenvolgens respectievelijk 2 Duitse herders zaten met water, 2 zwarte kruising labrador x Rodesian Ridgeback zonder waterbak en water, een kleine grijze Stafford (pocketbully) zijnde een pensionhond volgens betrokkene, 1 labrador en een kruising Labrador x Rodesian Ridgeback zonder waterbak en water, 1 Rodesian Ridgeback en een angstige kruising Labrador x Rodesian Ridgeback zonder waterbak en water, een schrale boxer met waterbak zonder water zijnde pensionhond volgens betrokkene en als laatste 1 zwarte labrador.

In de 5e afdeling roken wij in mindere mate een sterke ammoniaklucht. De verblijven/kennels waren wel nat en vervuild met stront en urine. Wij zagen achtereenvolgens een Duitse herder zonder waterbak en water, een witte herder zonder waterbak en dus geen water, 2 kruising Labrador x Rodesian Ridgeback, nog 2 dezelfde kruisingen zonder waterbak en water en een bruine Rodesian Ridgeback zonder waterbak en water.

In de volgende schuur zagen wij in een binnen met buitenverblijf 6 bastaard, kleine hondjes lopen. Deze hadden vervuild water en voer.

In dezelfde schuur zagen wij een grote paardenbox 2 bruine honden. Deze hadden geen water. Ze hadden wel een waterbak. Daarachter zaten in een 2e paardenstal respectievelijk een Boerenfox. De Boerenfox had geen drinkwater

2. Een schriftelijk stuk, zijnde een diergeneeskundige verklaring van [dierenarts 2] ,

bijlage 3

Na de controles te hebben ingesteld kom ik tot de conclusie dat m.u.v. de kattenverblijven en de eerste 6 kennels in de eerste schuur, de ruimten vervuild waren met wat leek op ontlasting en urine en daarmee onhygiënisch waren. Gezien de mate van vervuiling lijkt dit al langere tijd aanwezig te zijn. In de meeste ruimten hing een duidelijke ammoniakgeur die bij langdurige blootstelling schadelijk is voor de luchtwegen. Wanneer de huid langdurig met ammoniak (urine) in contact staat, is dit ook schadelijk. De meeste ruimten waren donker, waardoor er een zaklamp nodig was om de dieren goed te kunnen bekijken. Enkele verblijven bevatten scherpe randen van gaas die uitstaken. Een aantal honden hadden op het moment van

inspectie geen toegang tot water. Als de honden, zoals mij is meegedeeld, nagenoeg 24 uur per dag in de kennels verblijven, dan is het noodzakelijk dat zij het grootste gedeelte van de dag beschikken over schoon drinkwater. Voor een zogende teef is dit nog belangrijker. Pups dienen warm, droog en schoon te kunnen liggen. De (vacht)verzorging van enkele honden zou beter kunnen. Als de huisvesting van de honden zoals ik deze heb aangetroffen langdurig op de beschreven manier vervuild is, dan is er aan de honden de nodige huisvestingszorg onthouden.

In de dagvaarding met parketnummer 08/994514-19: 2

feit 1

1. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] ,

districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d. 1 mei 2019,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] ,

[verbalisant 2] en [verbalisant 5] , p. 3-4.

Bevindingen 1;

Op 22 februari 2019, omstreeks 10.15 uur heb ik rapporteur samen met collega [verbalisant 2] . eveneens buitengewoon opsporingsambtenaar en toezichthoudend ambtenaar bij de LID en [verbalisant 4] , brigadier van (dieren)politie Oost Nederland een hercontrole bij verdachte ingesteld op voornoemd adres.

Ruimte 1;

De honden hadden geen water. Voor de 9 pups was onvoldoende liggelegenheid. Er stond in ieder hok slechts een kleine plastic hondenmand. De bodem van de hokken is van beton. Daar lag een ietwat sterk verontreinigd zaagsel op. In totaal 13 honden/pups.

Ruimte 2;

In dit compartiment hing een sterke ammoniaklucht die op onze luchtweg sloeg en penetrant was. In de gang stond een kruiwagen vol met hondenstront. Wij zagen, dat de kennels van de honden op het oog schoon leken, doch dat deze natte vloeren hadden. De kennelpanelen waren echter zeer sterk vervuild. Bij inspectie van de hokken zagen wij dat deze langdurig onvolledig waren schoongemaakt. De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. De vloeren waren van beton en nat. In totaal 11 honden.

Ruimte 3;

In dit compartiment hing een sterke ammoniaklucht die op onze luchtweg sloeg en penetrant was. De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. In de 1e kennel rechts zat een witte herder. Deze hond had een vlonder en wat smerig water. In de 2e kennel zat een witte herder met een vlonder zonder water. In de 3e kennel zat een witte herder met vlonder zonder water. In de laatste kennel zaten 2 witte herders met een 2 vlonders zonder water. In het voorlaatste hok zat een witte herder met vlonder zonder water en daarvoor zat in een kennel een zeer angstige witte herder zonder water. De vloeren waren van beton en nat. In totaal 11 honden.

Ruimte 4;

(de rechtbank begrijpt: compartiment/hok) B;

De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. De vloeren zijn van beton en nat. In de ruimte hing een penetrante ammoniaklucht. Hier troffen wij in totaal 7 honden aan.

In de 1e kennel rechts zaten 1 X duitse herder en 1 X zwarte labrador met vlonder zonder water, in de 2e kennel rechts zaten 2 Rodesian Ridgebacks met vlonder zonder water. In de laatste kennel links zat een x duitse herder met vlonder zonder water. In de kennel daarvoor

zaten 2 zwarte X labradors met 1 vlonder zonder water.

feit 2

1. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] ,

districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d. 1 mei 2019,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] ,

[verbalisant 2] en [verbalisant 5] , p. 3-4.

Bevindingen 1;

Op 22 februari 2019, omstreeks 10.15 uur heb ik rapporteur samen met collega [verbalisant 2] . eveneens buitengewoon opsporingsambtenaar en toezichthoudend ambtenaar bij de LID en [verbalisant 4] , brigadier van (dieren)politie Oost Nederland een hercontrole bij verdachte ingesteld op voornoemd adres.

Ruimte 4;

(de rechtbank begrijpt: compartiment/hok) B;

In de 2e kennel rechts zaten 2 Rhodesian Ridgebacks met vlonder zonder water. Beiden honden hadden donkergekleurde beginnende of oude ontstekingsplekken op hun poten. Een hond belastte zijn linker voorpoot nauwelijks en had kennelijk pijn.

en voorts de als bijlage 3 gevoegde foto's met onderschrift, te weten:

foto 111 en foto 112, met als onderschrift: Open wonden aangetroffen die medische zorg c.q. verzorging nodig hebben.

2. Een schriftelijk stuk, betreffende een diergeneeskundige verklaring, opgemaakt d.d. 3

maart 2019 door [dierenarts 1] , dierenarts, gevoegd als bijlage 5 (ongenummerde

pagina), voor zover inhoudende:

Op donderdag 28 februari 2019, omstreeks 12.30 uur, heb ik [dierenarts 1] , dierenarts

te Raalte, op verzoek van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, een veterinair onderzoek uitgevoerd bij honden op het perceel [adres 1] te Lettele. Het betreft hier het aldaar gevestigde [dierenpension] .

Ik zag een Rhodesian Ridgeback reu gehuisvest in een kennel. Ik zag dat deze reu grote zwerende wonden aan beide voorpoten had. De huid was open en pussig. Ik zag dat deze hond ook aan de achterpoten donkere verdikkingen op de hakken en tenen had. Deze hond behoeft noodzakelijke veterinaire zorg voor de verwondingen. De wonden waren al enige tijd aanwezig en worden hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de afwezigheid van zacht ligmateriaal. De hond had slechts de beschikking over een ligplank. Ook de natte bodem in de kennel draagt niet bij tot de juiste huisvesting.

feit 3

1. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] ,

districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d. 1 mei 2019,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] ,

[verbalisant 2] en [verbalisant 5] , p.1-2 en p.9:

In verband met geplande routinecontroles “dierenpensions in vakantietijd” werd de controle

gepland in combinatie met de kennis van een eerdere controle in augustus 2018, waarbij

ernstige tekortkomingen werden vastgesteld. Ik werd tijdens deze controle vergezeld door

mijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 5] beiden tevens buitengewoon opsporingsambtenaar van de LID.

[naam] , thans woonachtig [adres 2]

, is de persoon met het vakbekwaamheidsdiploma op de inrichting [adres 1]

te Lettele. Echter sinds 1,5-2 jaar (volgens opgave van verdachte) woont zij al gescheiden

van haar ex man zijnde verdachte.

Verdachte is verzocht, de door hem in gevolge artikel 3.10 Besluit houders van dieren

gevoerde administratie te overleggen voor het onderzoek.

Wij [verbalisant 2] en [verbalisant 5] kregen van hem een plastic tas met daarin 45 paspoorten voor

gezelschapsdieren met daarin op pagina 7 een stempel van [adres 2] , [dierenarts 3]

, [adres 3] , een datum van afgifte gesteld op 25-10-2018 en een paraaf.

Verder op pagina 452 entstickers Nobivac DHP en L4 gedateerd op 25-10-2018. Verder was

in deze boekjes geen verwijzing naar welke hond dan ook. Er zaten ook geen chipstickers

in deze boekjes. Deze 45 paspoorten konden derhalve op geen van de aanwezige honden

herleid worden. Verder kregen wij 11 herleidbare paspoorten (v.v. een chipnummer) van

verdachte. Daarnaast nog 1 paspoort (met chipnummer) van een niet gevonden hond. Meer

administratie was er volgens verdachte niet.

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 2019 voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Mijn ex-vrouw had een vakbekwaamheidsdiploma. Ik had er nog geen. Wij zijn in augustus 2018 gescheiden. Anderhalf jaar daarvoor is zij weggegaan. Het klopt dat zij vanaf 2017 niet meer betrokken was bij het bedrijf.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2019, gevoegd in het dossier als

bijlage 7 (ongenummerde pagina's), voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte:

V: Was de door u gevoerde administratie, die wettelijk verplicht is, op orde?

A: Neen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Districtsrecherche Twente, onderzoek Rhone ON2R018106, van 10 januari 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming met nummer : LID/27-3-2019 09.30/WW. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.