Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3381

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
C/08/236773 / KG ZA 19-232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres is reeds in het bezit van een machtiging van de rechtbank om de woning te gelde te mogen maken. De man werkt echter niet mee aan de verkoop van de woning en daarom kan de woning niet verkocht worden. De hypotheekachterstand loopt op. In deze procedure is door de vrouw een verzoek ingediend om de echtelijke woning te mogen ontruimen, onder afgifte van sleutels. De vordering ten aanzien van de ontruiming en afgifte van sleutels is toegewezen, evenals de verzochte proceskostenveroordeling. De gevorderde dwangsom is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : C/08/236773 / KG ZA 19-232

Vonnis in kort geding van 11 september 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

advocaat: mr. M.E. Kikkert te Enschede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 augustus 2019 inclusief producties,
- de mondelinge behandeling op 6 september 2019,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 4 november 2016 hebben zij een samenlevingscontract gesloten.

2.2.

Op dezelfde datum hebben partijen de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) gezamenlijk in eigendom verkregen. Op de woning rust een hypothecaire lening van € 188.190,00.

2.3.

Begin maart 2018 is [eiseres] uit de woning vertrokken en heeft zij een eigen huurwoning betrokken. Partijen waren overeengekomen dat [gedaagde] zou trachten de woning over te nemen en [eiseres] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. [gedaagde] zou de lasten voor de woning voldoen.

2.4.

Tot op heden is niet gebleken dat [gedaagde] in staat is de woning over te nemen. Er is een achterstand in de betaling van de hypothecaire verplichtingen van ruim € 8.000,00.

2.5.

Bij beschikking van 14 mei 2019 van deze rechtbank is [eiseres] onder meer gemachtigd tot het te gelde maken van de woning en om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop en levering van de woning, onder de voorwaarde dat de woning dient te worden verkocht door een door [eiseres] aan te wijzen NVM-makelaar en tegen een door deze makelaar te bepalen reële marktconforme prijs.

2.6.

[gedaagde] werkt niet mee aan verkoop van de woning en daarom kan de woning niet verkocht worden. De hypotheekachterstand loopt op. Vanwege de weigerachtige houding van [gedaagde] heeft [eiseres] zich genoodzaakt gezien om dit kort geding te starten.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

Bij de kort geding dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.

3.2.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- [gedaagde] te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning te verlaten en te ontruimen en daar niet meer naar terug te keren, onder gelijktijdige afgifte van alle bij de woning behorende sleutels aan [eiseres] ,
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij nalaat aan de veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00,
- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel is. Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken persoon kan daarom een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening slechts worden uitgesproken, indien het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter (wanneer zijn oordeel wordt gevraagd) de betrokken persoon tot ontruiming zal veroordelen.

3.4.

De vordering is door [gedaagde] niet weersproken. De vordering van [eiseres] komt de voorzieningenrechter vooralsnog niet onrechtmatig of ongegrond voor. De door [eiseres] ingenomen stellingen in de dagvaarding vinden steun in de bij de dagvaarding overgelegde producties. De voorzieningenrechter zal het gevorderde dan ook toewijzen, behoudens het navolgende.

3.5.

De door [eiseres] gevorderde dwangsom van € 500,00 per dag, tot een maximum € 50.000,00 zal worden afgewezen. Immers, nu [eiseres] met uitsluiting van [gedaagde] is gemachtigd om al het nodige te doen voor de verkoop en levering van de woning en [eiseres] bovendien onderhavig ontruimingsvonnis in handen heeft, is het opleggen van een dergelijke dwangsom als prikkel tot nakoming en ontruiming van de woning aan de zijde van [gedaagde] , niet aan de orde.

3.6.

In de omstandigheid dat [gedaagde] – ondanks de beschikking van de rechtbank van 14 mei 2019 – weigerachtig blijft mee te werken aan de verkoop van de woning, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om hem te veroordelen in de proceskosten. Aangezien aan [eiseres] een toevoeging is verleend, zijn de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding (exclusief informatiekosten) in debet gesteld. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding aan [eiseres] in aanmerking. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

-griffierecht € 81,00

-informatiekosten 1,69

-salaris advocaat 633,00

Totaal € 715,69

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden onder gelijktijdige afgifte van alle bij de woning behorende sleutels aan [eiseres] ,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 715,69,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

11 september 2019.