Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3364

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
08/760116-17 en 08/002598-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man is voor een hennepkwekerij in Enschede veroordeeld tot een voorwaardelijke celstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 100 uur. Ook moet hij de energiemaatschappij zo'n 1.500 euro schadevergoeding betalen. Verder moet hij 19.166,20 euro betalen aan de Staat, dat is het geld wat hij illegaal heeft verdiend met zijn hennepkwekerij.

Hij is vrijgesproken van onder andere fietsendiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08/760116-17 en 08/002598-17 (P)

Datum vonnis: 24 september 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K.J.L. de Valk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 08/760116-17

feit 1 primair: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

feit 1 subsidiair: samen met anderen fietsen heeft gestolen;

feit 2: samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van heling van fietsen en/of scooters.

Parketnummer 08/002598-17

feit 1: ongeveer 200 hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad;

feit 2: een fiets heeft gestolen;

feit 3: gedurende een periode elektriciteit heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Parketnummer 08/760116-17:

1 Primair

hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2015 tot en met 20 maart 2017

te Enschede, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband

van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

het plegen van vermogensdelicten;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2015 tot en met 20 maart 2017

te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen: - een fiets (Sparta Athletica Dames Hybride) en/of - een fiets (Sparta Marathon 3.0 D50 NR White) en/of - een fiets (Gazelle Orange VV Artmap01) en/of - een fiets (Koga Citylite C), in elk geval een of meer fiets(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich

de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het

weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming;

2

hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2015 tot 20 maart 2017, te

Enschede, in elk geval in het arrondissement Overijssel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een gewoonte

heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte en/of

zijn mededader(s) op na te melden tijdstippen, op na te melden plaatsen,

(telkens) na te melden fiets(en) en/of scooter(s) verworven, voorhanden gehad

en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets(en) en/of scooter(s)

(telkens) wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof: 1. in of omstreeks de periode van 12 maart 2017 tot en met 20 maart 2017 in

de gemeente Enschede, althans in Nederland, een (heren)fiets (merk Gazelle)

(pag. 22 en 23) en/of 2. in of omstreeks de periode van 18 maart 2017 tot en met 20 maart 2017 in

de gemeente Enschede, althans in Nederland, een (heren)fiets (merk Giant)

(pag. 25) en/of 3. in of omstreeks de periode van 15 maart 2017 tot en met 20 maart 2017 in

de gemeente Enschede, althans in Nederland, een (dames)fiets (merk Sparta)

(pag. 29) en/of 4. in of omstreeks de periode van 10 augustus 2015 tot en met 20 maart 2017

in de gemeente Enschede, althans in Nederland, een (dames)fiets (merk Sparta)

(pag. 29) en/of 5. in of omstreeks de periode van 10 augustus 2015 tot en met 20 maart 2017

in de gemeente Enschede, althans in Nederland, een (groot) aantal fietsen

en/of scooters (pag. 6 t/m 27 en 29 en 40 t/m 53);

Parketnummer 08/002598-17:

1.

hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2016 tot en met 3

mei 2016 te Enschede opzettelijk heeft geteeld en/of bereid

en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een

hoeveelheid

van (in totaal) ongeveer 200, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

2

hij op of omstreeks 8 januari 2016 te Enschede

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

een (heren)fiets (merk Gazelle), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3

hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2016 tot en met 3

mei 2016 te Enschede

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Enexis, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder

zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en/of verbreking.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat deelname aan een criminele organisatie niet kan worden bewezen en dat verdachte van het onder parketnummer 08/760116-17 tenlastegelegde feit 1 primair moet worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft ook vrijspraak gevorderd voor het onder 08/760116-17 tenlastegelegde feit 2 wegens onvoldoende bewijs.

De officier van justitie heeft voorts het standpunt ingenomen dat is bewezen dat verdachte de zogenoemde ‘Hemafiets’ heeft gestolen zoals tenlastegelegd onder 1 subsidiair (08/760116-17). De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte eerder is veroordeeld wegens fietsendiefstal en dat de verklaring van verdachte, die stelt slechts de locatie van de fiets te hebben verkocht – door deze fiets te fotograferen en de foto door te sturen aan medeverdachte [medeverdachte 1] – niet geloofwaardig is.

De officier van justitie acht de onder parketnummer 08/002598-17 tenlastegelegde feiten 1 en 3 bewezen nu verdachte deze feiten heeft bekend. De officier van justitie heeft gesteld dat het onder 08/002598-17 tenlastegelegde feit 2 is bewezen nu verdachte in algemene zin heeft bekend fietsen te hebben weggenomen, en ook omdat - hoewel het dossier geen aangifte bevat - de melding van de diefstal van een Gazelle herenfiets blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en door het slachtoffer [slachtoffer 5] een vordering tot schadevergoeding wegens een gestolen Gazelle herenfiets is ingediend.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van de onder parketnummer 08/760116-17 tenlastegelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor deelname aan een criminele organisatie zoals tenlastegelegd onder 1 primair, als ook dat geen enkele relatie bestaat tussen verdachte en de in de tenlastelegging onder 1 subsidiair en 2 genoemde fietsen. Ten aanzien van de zogenoemde ‘Hemafiets’ heeft de raadsman nog aangevoerd dat de handeling van verdachte, te weten het enkele versturen van een foto van een fiets, geen diefstal oplevert, dat er geen aangifte is gedaan van diefstal van deze gefotografeerde fiets en dat deze fiets niet bij verdachte, noch bij medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen.

De raadsman heeft gesteld dat de onder 08/002598-17 feit 1 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen nu verdachte deze feiten ook heeft bekend. De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de onder 08/002598-17 feit 2 tenlastegelegde fietsendiefstal, omdat het dossier geen aangifte van die diefstal bevat, de omstandigheden waaronder de fiets zou zijn weggenomen niet duidelijk zijn waardoor de wegneemhandeling niet kan worden bewezen en er tussen de tenlastegelegde pleegdatum en het aantreffen van de fiets bij de woning van verdachte een lange periode is verstreken.

De raadsman heeft voorts opgemerkt dat artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is, nu de onder 08/002598-17 feit 2 tenlastegelegde diefstal van een fiets op 8 januari 2016 valt binnen de onder 08/760116-17 feit 1 subsidiair tenlastegelegde periode van 10 augustus 2015 tot en met 20 maart 2017.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 08/760116-17

- feit 1 primair en feit 2:

De rechtbank acht evenals de officier van justitie en de verdediging niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en onder 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

- feit 1 subsidiair:

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden die tot de conclusie leiden dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de diefstal van de in de tenlastelegging onder 1 subsidiair specifiek benoemde fietsen onder gedachtestreepje 1 tot en met 4 heeft (mede)gepleegd. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de zogenoemde ‘Hema-fiets’ het volgende.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op enig moment een locatie waar een afgesloten fiets stond heeft verkocht aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij aan [medeverdachte 1] een foto heeft gezonden van een op een bepaalde locatie staande Hema moederfiets, te weten in de buurt van de Groene Boog in Enschede en dat verdachte voor deze locatie-foto geld heeft gekregen. Uit het dossier blijkt niet dat deze ‘Hema-fiets’ daadwerkelijk door verdachte is weggenomen. Er is geen aangifte en de fiets is noch bij verdachte, noch bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen. Bij deze stand van zaken kan uit het enkele versturen van een foto van een fiets niet worden afgeleid dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van deze fiets.

De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Parketnummer 08/002598-17

- feit 1 en feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder parketnummer 08/002598-17 tenlastegelegde feiten onder 1 en 3 op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 september 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam] namens Enexis BV van 25 mei 2016, pagina 75 - 77.

3.

Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van verbalisanten [verbalisant] en

[verbalisant] van 31 mei 2016, pagina 4, 5.

- feit 2:

Op 3 mei 2016 is in de tuin bij de woning van verdachte een frame van een herenfiets van het Merk Gazelle type Davos aangetroffen. Uit een in het dossier aanwezig proces-verbaal van bevindingen volgt dat het framenummer van de fiets overeenkomt met het framenummer van een op 8 januari 2016 als gestolen opgegeven fiets. Verdachte heeft op 3 mei 2016 verklaard dat hij wel eens fietsen pakt en dat hij denkt dat hij ook deze fiets wel heeft weggenomen.

In het dossier ontbreekt een aangifte van de diefstal van de betreffende fiets. Ook bevat het dossier geen ander bewijsmiddel waaruit blijkt wanneer, op welke plaats en onder welke omstandigheden de fiets is weggenomen. Op grond van het voorliggende dossier kan de rechtbank niet zonder twijfel vaststellen dat verdachte deze fiets heeft gestolen.

De rechtbank acht aldus, anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het verweer van de raadsman tot niet- ontvankelijkheid in verband met artikel 68 Sr geen bespreking behoeft gelet op de vrijspraken zoals hiervoor is uiteengezet.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 23 februari 2016 tot en met 3 mei 2016 te Enschede opzettelijk heeft geteeld en bewerkt, in een pand aan de [adres] in totaal ongeveer 200 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 23 februari 2016 tot en met 3 mei 2016 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis, waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08/002598-17 feit 1 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezen verklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 Sr en in artikel 11 van de Opiumwet (Ow). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

08/002598-17 feit 1

het misdrijf: handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

08/002598-17 feit 3

het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een onvoorwaardelijke taakstraf van 140 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren met oplegging daarbij van bijzondere voorwaarden, gelijkluidend aan de eerder aan verdachte in het kader van de Voorwaardelijke Invrijheidstelling gestelde voorwaarden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair toepassing van artikel 9a Sr bepleit, gelet op het tijdsverloop en op het bepaalde in artikel 63 Sr. De raadsman heeft verzocht, hoewel formeel niet mogelijk, ook de forse straf waartoe verdachte in Duitsland is veroordeeld mee te wegen in het kader van artikel 63 Sr.

Subsidiair heeft de raadsman, indien de rechtbank overgaat tot oplegging van een taakstraf, zich ten aanzien van het aantal uren taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft verzocht een taakstraf deels voorwaardelijk te doen zijn met oplegging van bijzondere voorwaarden gelijkluidend aan de voorwaarden zoals reeds gesteld in het kader van een thans geldende voorwaardelijke invrijheidstelling.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft een professioneel ingerichte hennepkwekerij in bedrijf gehouden. Verdachte regelde spullen voor de inrichting van de kwekerij, hij verzorgde de hennepplanten en hij heeft één keer geoogst. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waar winst wordt gemaakt met de handel daarin. Bovendien heeft verdachte de stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij illegaal, dat wil zeggen buiten de meter om, afgenomen. Dergelijke illegale stroomwerken leveren een gevaarlijke situatie op voor de ter plaatse aanwezige personen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Bij het bepalen van de strafsoort en -maat heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen ook de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover deze voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld. Deze geven als uitgangspunt voor het min of meer bedrijfsmatig of met een zekere mate van professionaliteit kweken van hennepplanten in ruimtes zoals een woonhuis met als kennelijk doel de verkoop van de planten, wanneer sprake is van 100 tot 500 planten, een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. Voor diefstal van elektriciteit zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 24 juli 2019. De rechtbank heeft voorts, op de voet van het bepaalde in artikel 63 Sr, gelet op eerdere veroordelingen van verdachte, te weten:

- het vonnis van de politierechter te Overijssel van 7 april 2017, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week;

- het vonnis van de politierechter te Overijssel van 2 mei 2017, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 dag en een taakstraf van 30 uur;

- het vonnis van de politierechter te Overijssel van 31 juli 2017, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur;

- het vonnis van de politierechter te Overijssel van 16 augustus 2017, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken waarvan een week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank heeft acht geslagen op het door de reclassering over verdachte uitgebrachte advies. Uit het rapport van 30 augustus 2019 van E.L.J. Sijtsma komt onder meer het volgende naar voren.

Er is sprake van een patroon in vermogens- en druggerelateerde delicten. Druggebruik en gebrekkige coping-vaardigheden hebben geleid tot financiële problemen en liggen ten grondslag aan delict gedrag. Daarnaast lijkt sprake van impulsief gedrag. Voornoemde factoren dragen bij aan de kans op recidive, die wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog.

Binnen het huidige reclasseringstoezicht in het kader van VI wordt door middel van begeleid wonen bij Exodus en een ambulante behandeling bij de VNN (Verslavingszorg Noord Nederland) getracht toe te werken naar stabiliteit op diverse leefgebieden. Verdachte ontvangt intensieve begeleiding en daarmee structuur vanuit het begeleid wonen, hetgeen recidive verlagend werkt. Veel winst is te behalen op het gebied van financiën. Voorts zijn nog doelen te behalen op het gebied van huisvesting, druggebruik, financiën, dagbesteding en het psychosociaal functioneren. Verdachte is recent teruggevallen in cocaïnegebruik.

De ontvankelijkheid voor begeleiding en behandeling is matig. Verdachte wil enerzijds zijn eigen problemen oplossen, maar houdt zich anderzijds aan afspraken en stelt zich open en meewerkend op in de begeleiding door Exodus. Verdachte heeft last van chaos in zijn denken en wil daar graag hulp bij. De dagbesteding en het contact met ex-partner en dochter zijn positieve en beschermende factoren.

Geadviseerd wordt een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden binnen een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, meewerken aan schuldhulpverlening en/of bewind-voering en een drugsverbod.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat zij komt tot een geringere bewezenverklaring dan waar de officier van justitie zijn eis op heeft gebaseerd. Voorts merkt de rechtbank nog op dat, hoewel geen sprake is van undue delay, een aanzienlijke tijd is verstreken sinds de pleegdatum en dat verdachte derhalve een lange periode in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afdoening van deze zaak. De rechtbank zal voornoemde omstandigheden verdisconteren in de hoogte van de op te leggen straf. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat oplegging van artikel 9a Sr geen recht doet aan de ernst van onderhavige feiten.

De rechtbank is, rekening houdend met alle voormelde omstandigheden, van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uren en een

voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in haar rapport van 30 augustus 2019 geadviseerd.

8. De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

- [slachtoffer 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 309,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

- Enexis

Enexis heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.587,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde (materiële) schade bestaat uit de volgende posten:

- 1 fase KwH-meter € 19,77;

- netwerkkosten elektriciteit € 173,19;

- verbruik elektriciteit € 720,33;

- uurtarief inspecteur € 304,00;

- vooronderzoek en dossieraanleg € 58,48;

- dossierverwerking en aangifte € 116,99;

- opmaken factuur € 78,01;

- afhandelingskosten € 116,99.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van beide voornoemde vorderingen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van [slachtoffer 5] niet ontvankelijk te verklaren wegens de door de raadsman bepleite vrijspraak en subsidiair verzocht de vordering te matigen gezien de op Marktplaats gehanteerde prijzen voor vergelijkbare fietsen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

- [slachtoffer 5]

De vordering heeft betrekking op feit 2 van het onder parketnummer 08/002598-17 tenlastegelegde. Nu verdachte van dit feit wordt vrijgesproken en aan hem geen maatregel wordt opgelegd, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

- Enexis

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 (parketnummer 08/002598-17) rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.587,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit onder 3 (parketnummer 08/002598-17) is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 08/70116-17 feit 1 primair, 1 subsidiair, feit 2 en het onder 08/002598-17 feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 08/002598-17 feit 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte 08/002598-17 feit 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

08/002598-17 feit 1 het misdrijf: handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

08/002598-17 feit 3 het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 08/002598-17 feit 1 en feit 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen veertien dagen na het onherroepelijk geworden vonnis meldt bij de reclassering van het Leger des Heils te Groningen, en zich blijft melden zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) of een soortgelijke zorgverlener/instelling – te bepalen door de reclassering - indien de reclassering dit noodzakelijk acht. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich dan houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening. Indien de reclassering dit nodig acht werkt verdachte mee aan budgetbeheer of bewind voering. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan ademonderzoek of urineonderzoek.

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 (honderd) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 5] , (08/002598-17 feit 2) in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Enexis (08/002598-17 feit 3) van een bedrag van € 1.587,76 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2016);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde onder 08/002598-17 feit 3 en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.587,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en

mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019.

Buiten staat

Mr. Ellenbroek is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2016267665. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.