Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3296

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
7904998 EJ VERZ 19-236
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer die al 11 jaar bij werkgever werkzaam is, heeft zich verbaal agressief gedragen (bedreigingen onder hantering van een mogelijk wapen, zijnde een schaar) tegenover zijn voorman en tegenover zijn afdelingsmanager. Werknemer was in het verleden al aangesproken op agressief gedrag en gewaarschuwd dat dit niet getolereerd kon worden. Werknemer heeft als verweer aangevoerd dat er sprake is van ziekte, maar heeft dat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van ernstig verwijtbaar handelen en daarom zonder transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0976
JHSE 2019/0
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 7904998 EJ VERZ 19-236

Beschikking van de kantonrechter van 16 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap Krehalon B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

verzoekende partij, hierna te noemen Krehalon,

gemachtigde: mr. J.G. Kraaijvanger,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij, hierna te noemen [verweerder] ,

gemachtigde: mr. F. Havers.

1 De procedure

Krehalon heeft een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Dit verzoek is op 12 juli 2019 ter griffie van de rechtbank ontvangen.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft op 6 september 2019 plaatsgevonden. Daaraan voorafgaand heeft Krehalon nog een stuk (productie 12) toegezonden.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 De beoordeling

Wat is er gebeurd?

2.1.

[verweerder] , geboren [1980] , is sinds 1 december 2003 – eerst op uitzendbasis en thans op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd – werkzaam voor Krehalon. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van allround operator, tegen een salaris van € 2.636,00 bruto per maand (exclusief ploegentoeslag, eindejaarsuitkering en vakantietoeslag).

2.2.

[verweerder] is in het verleden door Krehalon meermalen aangesproken op zijn gedrag. Zo heeft hij in 2015 een collega een duw gegeven, waarvoor hij op 26 november 2015 een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen. Ook komt het in de verslaglegging van de functioneringsgesprekken van 2017 en 2018 terug.

In het verslag van zijn functioneringsgesprek van 21 juli 2017 staat onder meer: ‘Ik vind het belangrijk om op een normale manier met elkaar te spreken zonder daarbij te exploderen. Ik heb hier met [verweerder] afspraken over gemaakt. We gaan respectvol met elkaar om. Je mag zeggen wat je denkt maar op een normale manier, een manier waarop jezelf ook benaderd wilt worden. Tot nu toe ben ik erg tevreden over [verweerder] , hij is een prima Operator en doet zijn werk goed.

In het verslag van zijn functioneringsgesprek van 23 november 2018 staat onder meer: ‘Er zijn ook nog een paar andere problemen waar [verweerder] liever niet over wil praten. [X] de voorman] geeft aan dat als hij hulp nodig heeft altijd bij hem of HRM terecht kan, ook voor ons is het belangrijk dat het goed met [verweerder] gaat. In het verleden zijn er een paar aanvaringen geweest tussen [X] en [verweerder] , voornamelijk over wel of geen vrij kunnen krijgen. Ik heb dit met [verweerder] besproken en uitgelegd, dat heel erg kwaad worden niet getolereerd wordt binnen Krehalon. Dit kan zeer agressief en bedreigend over komen en is helemaal niet nodig. Vaak bereik je met kalmte en goed overleg veel meer. Na onze laatste aanvaring in Juli heeft [verweerder] beloofd hier wat aan te doen en hij heeft zijn woord gehouden. Ik ben zelfs nu heel erg tevreden over het gaat en dit is voor beide partijden veel prettiger.

2.3.

Op 19 juni 2019 heeft zich een incident voorgedaan. Door de voorman ( [X] ) werd aan [verweerder] medegedeeld dat zijn vakantie niet op het gewenste moment kon plaatsvinden. [verweerder] was daar boos over. Na overleg met de assistent productiemanager ( [Y] ) werd medegedeeld dat de vakantie alsnog kon plaatsvinden zoals [verweerder] die had gepland. Volgens Krehalon is [verweerder] daarna met ferme passen en al schreeuwend op [X] toegelopen en maakte wijzende gebaren. [Y] heeft [verweerder] toen meegenomen naar het magazijn. Daar begon [verweerder] te schreeuwen, hij trapte tegen de roldeur, balde zijn vuisten, sloeg op kokers en maakte met een schaar een stekende beweging richting en dichtbij het onderlichaam van [Y] . [verweerder] zou daarbij hebben gezegd dat men moest uitkijken en dat hij anders dit (stekende beweging) zou doen. [Y] is toen de afdeling opgelopen en [verweerder] liep met hem mee. [verweerder] heeft daar tegen [X] gezegd: ‘ik heb een oogje op jou ouwe’, ‘ik kan ook mensen op je afsturen’, ‘ik hoef het niet zelf te doen’ en ‘ik kan het ook laten doen’.

[verweerder] heeft het hiervoor omschreven incident grotendeels erkend doch enige nuanceringen aangebracht. Zo heeft hij betoogd dat hij weg wilde lopen naar het magazijn en dat [Y] escalerend optrad door hem naar het magazijn te volgen met een grijns op zijn gezicht en hem mee naar de afdeling te nemen, zodat hij [X] weer onder ogen kwam. Ook zou de schaar niet dicht genoeg bij [Y] zijn geweest om hem daarmee te bedreigen. Hij heeft geen bedreigingen richting [Y] uitgesproken bij de stekende beweging met de schaar en hij weet niet meer wat hij bij terugkeer naar de afdeling tegen [X] heeft gezegd. Het was zwart voor zijn ogen. Hij had niet de intentie om iemand te bedreigen of pijn te doen. Krehalon heeft volgens [verweerder] het incident aangedikt.

De kantonrechter acht de lezing dat [verweerder] tegen [Y] heeft gezegd dat men moest uitkijken en dat hij anders dit (stekende beweging) zou doen en dat hij tegen [X] heeft gezegd: ik heb een oogje op jou ouwe’, ‘ik kan ook mensen op je afsturen’, ‘ik hoef het niet zelf te doen’ en ‘ik kan het ook laten doen’, voldoende aannemelijk geworden op grond van de schriftelijke verklaringen van [X] en [Y] die Krehalon heeft overgelegd. Daar komt bij dat het verweer van [verweerder] dat hij niet bedreigend is geweest minder overtuigend wordt geacht aangezien [verweerder] ter zitting heeft verklaard dat hij niet meer precies weet wat hij heeft gezegd, omdat het op dat moment zwart voor zijn ogen was. Hoe dichtbij de schaar precies was, acht de kantonrechter niet relevant, nu gelet op de context en de gebruikte bewoordingen de stekende beweging niet mis valt te verstaan en bedreigend is. Of [Y] [verweerder] heeft gevolgd naar het magazijn en of hij [verweerder] heeft gezegd de afdeling weer over te lopen, acht de kantonrechter evenmin relevant. Een rechtvaardiging voor het gedrag van [verweerder] vormt dit allerminst.

De arbeidsrechtelijke consequentie van het gedrag van [verweerder]

2.4.

Het incident van 19 juni 2019 (tegen de achtergrond van de voorgeschiedenis) is voor Krehalon reden geweest [verweerder] de volgende dag – na hem te hebben gehoord – te schorsen en nu een verzoek te doen om de arbeidsovereenkomst met hem te ontbinden wegens verwijtbaar handelen dan wel een verstoorde arbeidsrelatie.

2.5.

[verweerder] heeft betoogd dat zijn gedrag hem niet verweten kan worden en dat sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte, omdat hij zich 9 juli 2019 heeft ziekgemeld en de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat er aanwijzingen zijn voor beperkingen ten aanzien van de agressieregulatie en impulsbeheersing (waarvoor hij verwezen is naar Dimence en binnenkort een intake heeft).

2.6.

De kantonrechter overweegt dat [verweerder] zich pas ziek heeft gemeld nadat hij op de hoogte was geraakt van het feit dat Krehalon het onderhavige ontbindingsverzoek zou indienen. Immers, ter zitting is onbetwist gesteld dat de advocaat van Krehalon die mededeling op 3 juli 2019 heeft gedaan. [verweerder] heeft gesteld dat hij feitelijk al ziek was ten tijde van het incident en dat zijn gedrag voortkomt uit zijn ziekte. Het is aan [verweerder] om dit te bewijzen.

De kantonrechter overweegt dat onder ziekte moet worden verstaan een lichamelijk of geestelijke toestand of gebrek waardoor de werknemer verhinderd is arbeid te verrichten.

[verweerder] heeft een verklaring van de bedrijfsarts overgelegd waarin staat dat er aanwijzingen zijn voor beperkingen ten aanzien van de agressieregulatie en impulsbeheersing.

De kantonrechter merkt op dat het hier ‘slechts’ gaat om aanwijzingen en dus geen vaststelling en dat de bedrijfsarts niet aangeeft dat dit mogelijk ten tijde van het incident ook al het geval was. Aan Krehalon kan daarom niet worden tegengeworpen dat zij [verweerder] op 19 juni 2019 vanuit een oogpunt van ziekte anders had moeten benaderen dan zij gedaan heeft, aangezien daar geen aanwijzingen voor waren. Ook wanneer de kantonrechter aan zou nemen dat ten tijde van het incident sprake was van een beperking in de agressieregulatie en impulsbeheersing (en daarvoor zijn in de onder 2.2 geschetste voorgeschiedenis van [verweerder] best aanknopingspunten te vinden), dan is hiermee nog niet gezegd dat er sprake is van ziekte. Een gebrekkige agressieregulatie of impulsbeheersing is naar het oordeel van de kantonrechter geen ziekte, in die zin dat er geen objectief medische oorzaak hiervoor is vastgesteld of daar zelfs maar een aanwijzing voor is. Hiermee verschilt de onderhavige zaak van de door [verweerder] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:RBNHO:2018:3655); daar was immers wel een ziekte vastgesteld en had bovendien de bedrijfsarts de werknemer met terugwerkende kracht ziek verklaard.

In deze zaak is ook in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat een gebrekkige agressieregulatie of impulsbeheersing in de weg staat aan het verrichten van werk. Aldus is niet voldoende onderbouwd dat het gedrag van [verweerder] tijdens het incident in verband staat met ziekte. Dit wordt niet anders doordat [verweerder] tijdens de zitting heeft verteld dat hij aan [Y] al verschillende keren had verteld dat hij uit plichtsgevoel had afgezien van een ziekmelding, omdat hij zich in zijn kop niet goed voelde. Niet is immers geconstateerd of er toen sprake was van enige psychische ziekte, laat staan dat er een relatie met zijn gedrag tijdens het incident kan worden gelegd. De onderhavige zaak is niet vergelijkbaar met de door [verweerder] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:RBDHA:2018:15437); daarin is immers niet gezegd dat het opzegverbod van toepassing is, maar is een afweging van belangen gemaakt, waarbij speelt dat de werkgever de werknemer niet meer terug zou zien op de werkvloer, omdat werknemer in het tweede ziektejaar zat en onderzoek plaatsvond naar re-integratie in het tweede spoor.

De kantonrechter is gelet op hetgeen hiervoor staat, van oordeel dat in dit geval het opzegverbod tijdens ziekte niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat.

2.7.

De kantonrechter acht het gedrag van [verweerder] tijdens het incident verwijtbaar. Het gedrag van [verweerder] – verbale agressie en verbale bedreigingen onder hantering van een mogelijk wapen – kan en hoeft Krehalon niet te tolereren. [verweerder] was ook meermalen aangesproken op agressief gedrag en gewaarschuwd dat dergelijk gedrag niet getolereerd zou worden. Het is volstrekt begrijpelijk dat [verweerder] met zijn gedrag collega’s angst heeft aangejaagd. Een rechtvaardiging hiervoor in de vorm van een ziekte heeft [verweerder] niet aannemelijk gemaakt. Het valt te prijzen dat [verweerder] een excuusbrief heeft geschreven, maar dit maakt het gebeurde nog niet goed. Het gedrag van [verweerder] is naar het oordeel van de kantonrechter te ernstig om hem nog een tweede kans bij Krehalon te geven.

De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen dus ontbinden wegens verwijtbaar handelen. Herplaatsing ligt in een dergelijk geval niet in de rede.

Ernstig verwijtbaar

2.8.

Krehalon heeft betoogd dat bij het vaststellen van de datum van ontbinding geen rekening gehouden hoeft te worden met de opzegtermijn en dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat zijn gedrag ernstig verwijtbaar is.

2.9.

De kantonrechter is het met Krehalon eens dat het gedrag van [verweerder] niet slechts verwijtbaar is, maar ernstig verwijtbaar gelet op de aard van zijn gedragingen en de dreiging en angst die dit bij zijn collega’s heeft opgeleverd (zie hiervoor ook 2.7).

Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 oktober 2019 en dat [verweerder] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding.

De kantonrechter realiseert zich dat dit grote gevolgen heeft voor [verweerder] , maar acht dit het logisch gevolg van zijn zeer ernstige misdragingen.

2.10.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft Krehalon geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

2.11.

De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij ongelijk krijgt.

3 De beslissing

3.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2019;

3.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Krehalon tot en met vandaag vaststelt op € 720,-;

3.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2019. (KK)