Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3259

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
C 08/16/543-544 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging in verband met feitelijk drijven onderneming en geen inzage verstrekken in inkomsten- en uitgavenstromen in onderneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

insolventienummers: C 08/16/543-544 R

uitspraakdatum: 18 juni 2019

tussentijdse beëindiging schuldsanering

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer van voor burgerlijke zaken, in de wettelijke schuldsaneringsregelingen van:

[schuldenaar] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ,

en

[schuldenares] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verder [schuldenaar] en [schuldenares] te noemen.

In deze zaak is mevrouw I.M. IJsseldijk, kantoorhoudende te Hengelo (O) , tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

Op 13 september 2016 is de schuldsaneringsregeling op [schuldenaar] en [schuldenares] van toepassing verklaard.

Naar aanleiding van een verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen is op 20 december 2018 een tussenvonnis gewezen.

Bij brief van 12 maart 2019 zijn [schuldenaar] en [schuldenares] opgeroepen voor voortgezette behandeling van het verzoek van de bewindvoerder ter zitting van 16 april 2019.

In verband met een ziekenhuisopname van [schuldenaar] is de voortgezette behandeling vervolgens verplaatst naar de zitting van 4 juni 2019.

Ter zitting van 4 juni 2019 zijn [schuldenaar] , [schuldenares] en de bewindvoerder vergezeld door een kantoorgenoot, mevrouw [A] , verschenen. Van de behandeling zijn aantekeningen gemaakt.

De beoordeling

De feiten

[schuldenaar] en [schuldenares] zijn in dienst van [Z] , waarvan de heer [X] bestuurder is. Op 28 februari 2019 bedroeg het loon van [schuldenaar] , exclusief vakantiegeld, netto € 1.222,27 per maand en bedroeg het loon van [schuldenares] netto, exclusief vakantiegeld,

€ 1.117,78 per maand.

Het tussenvonnis van 20 december 2018 wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

In het tussenvonnis zijn [schuldenaar] en [schuldenares] in de gelegenheid gesteld om:

  • -

    helderheid te verschaffen over de hoogte van de nieuwe schuldenlast aan de Belastingdienst, over het deel van deze schuldenlast dat door de werkgever van [schuldenaar] en [schuldenares] is voldaan en daarvan bewijzen aan de bewindvoerder over te leggen;

  • -

    indien er sprake is van nieuwe schulden aan de verhuurder en Menzis om in samenspraak met de bewindvoerder tot een plan van afbetaling te komen en daarmee tot een begin van uitvoering te komen.

De bewindvoerder is in het tussenvonnis verzocht uiterlijk 19 februari 2019 schriftelijk verslag uit te brengen aan de rechtbank over de stand van zaken met betrekking tot het aan [schuldenaar] en [schuldenares] opgedragene.

De bewindvoerder heeft bij email van 28 februari 2019 met bijlagen als volgt bericht:

  • -

    de informatieverstrekking verloopt nog steeds moeizaam. Als de bewindvoerder om informatie vraagt, krijgt ze telkens een deel van de informatie aangeleverd met de mededeling dat de rest volgt, maar de rest volgt niet;

  • -

    het loon van [schuldenaar] en [schuldenares] is tot en met december 2018 op de boedelrekening gestort, waardoor er over de maanden januari en februari 2019 een achterstand in afdracht aan de boedel is ontstaan;

  • -

    het aan de boedel af te dragen vakantiegeld is betreffende 2017 en 2018 nog niet aan de boedel afgedragen;

  • -

    de schuld aan de verhuurder is voldaan;

  • -

    Bij Menzis staat nog open:

o [schuldenaar] ad € 385,-- + € 1.337,-- (via deurwaarder GGN)

o [schuldenares] ad € 27,54 + € 807,51 (via deurwaarder GGN)

[schuldenaar] en [schuldenares] hebben geen contact opgenomen met Menzis en/of deurwaarder om betalingsregelingen te treffen. De nieuwe schulden bestaan hoofdzakelijk uit eigen risico dat niet is voldaan. Ook is een kind vermeld op de polis van [schuldenaar] dat in oktober 2018 18 jaar oud is geworden, maar waarvoor de premie niet wordt voldaan. Tenslotte voldoen [schuldenaar] en [schuldenares] vanaf 2017 de premieverhoging niet;

  • -

    Wat betreft de terugvordering van toeslagen door de belastingdienst over 2017 zou er nog een bedrag van € 331,50 resteren.

  • -

    Er staat nog een motorrijtuigenbelastingschuld van in totaal € 372,-- open op naam van [schuldenaar] , die tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling is ontstaan;

  • -

    [schuldenaar] en [schuldenares] bezorgen in het kader van hun dienstverbanden opgeknapte tweedehands meubels die via Ebay worden verkocht in Nederland en Duitsland. [schuldenaar] maakt gebruikt van zijn eigen auto voor de bezorging van de meubels. De benzinekosten worden vergoed door de werkgever. Bij het afleveren van de meubels betaalt de klant de factuur direct contant aan [schuldenaar] . Van deze gelden of uit eigen middelen voldoet [schuldenaar] de benzinekosten. [schuldenaar] levert de tankbonnen in bij zijn werkgever en krijgt de benzinekosten dan contant uitbetaald of hij draagt de ontvangen gelden van de klanten af aan de werkgever na aftrek van de benzinekosten. Om de contante geldstromen te kunnen controleren verzoekt de bewindvoerder reeds lange tijd om declaratie-overzichten en om contactgegevens van de werkgever, maar deze worden door [schuldenaar] en [schuldenares] niet verstrekt;

  • -

    Het is de bewindvoerder opgevallen dat [schuldenaar] en [schuldenares] zeer weinig uitgeven aan boodschappen. Over een periode van ruim 4,5 maand is er bijvoorbeeld maar

€ 354,-- aan boodschappen betaald. Volgens [schuldenaar] betalen de kinderen de boodschappen. Een opgave van de inkomsten van de kinderen heeft de bewindvoerder niet ontvangen.

  • -

    [schuldenaar] en [schuldenares] hebben nog immer geen inkomstenbelastingaangiftes en definitieve of voorlopige aanslagen betreffende de jaren 2013 tot en met 2017 aan de bewindvoerder verstrekt;

  • -

    De bewindvoerder heeft aan de hand van de facebookpagina van [schuldenaar] geconcludeerd dat [schuldenaar] lid is van een tennisvereniging en van een golfclub. De bewindvoerder vraagt zich af uit welke middelen [schuldenaar] de kosten van de lidmaatschappen voldoet;

  • -

    Aan de hand van de facebookpagina van [schuldenaar] heeft de bewindvoerder ook kunnen vaststellen dat [schuldenaar] in februari 2018 een opslagruimte heeft gezocht en gevonden in [naam wijk] in [plaats] . [schuldenaar] heeft de bewindvoerder hierover niet geïnformeerd. De bewindvoerder weet niet waarom de opslagruimte is gehuurd, wat zich in de ruimte bevindt en hoeveel de huur bedraagt;

  • -

    De bewindvoerder concludeert dat [schuldenaar] en [schuldenares] geen volledige inzage in inkomsten en geldstromen verstrekken, dat [schuldenaar] en [schuldenares] onvoldoende actie hebben ondernomen om betalingsregelingen voor aflossing van de nieuwe schulden te treffen en dat zij in het algemeen hun informatieplicht niet naar behoren nakomen.

Ten behoeve van de zitting op 4 juni 2019 heeft de bewindvoerder bij email van 29 mei 2019 een update gegeven van de stand van zaken in de schuldsaneringsregelingen:

  • -

    [schuldenaar] heeft een hartoperatie ondergaan, die goed is verlopen. [schuldenaar] dient nu te herstellen. Op het verzoek van de bewindvoerder om nadere informatie te verstrekken over het herstel en therapie die wellicht moet worden gevolgd, is niet gereageerd;

  • -

    De bewindvoerder heeft over de periode vanaf 13 februari 2019 geen bankafschriften en heeft geen informatie over betalingen op nieuwe schulden ontvangen;

  • -

    Het loon van [schuldenaar] en [schuldenares] over de maanden maart tot en met mei 2019 is niet uitbetaald op de boedel;

  • -

    Het aan de boedel af te dragen vakantiegeld over de jaren 2017 tot en met 2019 is niet op de boedel ontvangen;

  • -

    [schuldenaar] heeft volgens Menzis de zorgpremie over 2019 niet betaald, terwijl de Stadsbank Oost Nederland (Stadsbank) wel betalingen aan Menzis voor [schuldenaar] verricht. In verband met het op de polis van [schuldenaar] staan van het 18-jarige kind, dient [schuldenaar] maandelijks € 244,-- te betalen, maar hij betaalt slecht € 117,--. Betreffende 2019 heeft [schuldenares] een schuld aan Menzis laten ontstaan van € 309,54.

Bij GGN (inzake Menzis) staat op naam van [schuldenaar] € 1.769,25 en op naam van [schuldenares] € 807,51 open.

Vanaf 2017 wordt de jaarlijkse premieverhoging niet voldaan;

  • -

    De motorrijtuigenbelastingschuld, die tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling is ontstaan, bedroeg op 29 mei 2019 € 818,--;

  • -

    Er is geen verantwoording afgelegd over declaratie van benzinekosten;

  • -

    De bewindvoerder heeft om te kunnen controleren of de kinderen daadwerkelijk de kosten van de boodschappen voor hun rekening nemen, geen inkomensgegevens van de kinderen ontvangen;

  • -

    De bewindvoerder heeft geen informatie van een ziekmelding van [schuldenaar] bij zijn werkgever, mogelijke contacten met een Arbo-arts en herstel en therapieën ontvangen;

  • -

    De bewindvoerder is niet geïnformeerd over de lidmaatschappen van [schuldenaar] bij de tennis- en golfclub en over de huur van een opslagruimte;

  • -

    De bewindvoerder heeft diverse keren om aanlevering van vorengenoemde stukken verzocht. De bewindvoerder constateert dat er geen verbetering in de informatievoorziening en aanpak van de nieuwe schulden is opgetreden.

De behandeling ter zitting

[schuldenaar] heeft ter zitting een schriftelijke verklaring overgelegd, waarin hij onder andere het volgende heeft vermeld:

  • -

    [schuldenaar] heeft op 17 april 2019 een zware hartoperatie ondergaan. [schuldenaar] heeft vijf by-passes gekregen. [schuldenaar] stelt dat hij in de maanden voorafgaande aan de operatie al slecht functioneerde. [schuldenaar] mag eerst op 13 juni 2019 beginnen aan revalidatie. [schuldenaar] is nu weer wat mobieler en fitter en kan de bewindvoerder van loonstroken en bankafschriften voorzien. Volgens [schuldenaar] was het de afgelopen maanden moeilijk te regelen om informatie te verstrekken in verband met zijn hartproblemen. In de toekomst kan [schuldenaar] de bewindvoerder weer van informatie voorzien;

  • -

    Volgens [schuldenaar] is het loon over de maand maart 2019 op donderdag 30 mei 2019 naar de boedelrekening overgemaakt;

  • -

    Menzis is betaald door de Stadsbank. De jongste dochter is in oktober 2018 18 jaar oud geworden en staat ten onrechte nog op de polis. Dit moet worden rechtgezet en er moet worden betaald;

  • -

    [schuldenaar] zal zorgen dat de werkgever de motorrijtuigenbelasting betaalt;

  • -

    [schuldenaar] zal GGN benaderen voor een bijgewerkt overzicht en een betalingsregeling treffen voor de restposten;

  • -

    Het lidmaatschap van de tennisclub kost volgens [schuldenaar] € 50,-- voor hem en die kosten kan hij voldoen. Het lidmaatschap van de golfclub kost [schuldenaar] niets, omdat hij in het weekend de lockers en het clubhuis voor de golfclub opent en [schuldenaar] , omdat hij dicht bij de club woont, de eerste is die wordt gebeld als het alarm afgaat;

  • -

    Het klopt dat er nieuwe opslagruimte is gevonden en wel aan [het adres] . Het bedrijf waar [schuldenaar] en [schuldenares] in dienst zijn, moest verhuizen, zodat [schuldenaar] en [schuldenares] nieuwe opslagruimte hebben gezocht en gevonden;

  • -

    [schuldenaar] heeft opgave gedaan van de bijbaantjes van de kinderen, zonder opgave te doen van de bijbehorende inkomsten.

[schuldenares] heeft verklaard dat doordat [schuldenaar] en zij de enige twee werknemers zijn van [Z] , zij de werkzaamheden in verband met de ziekte van [schuldenaar] , geruime tijd in haar eentje heeft moeten verrichten. Er was sprake van een verschrikkelijk heftige tijd, aldus [schuldenares] . Volgens [schuldenares] kan ze niet alla minute alles van [schuldenaar] overnemen. Volgens [schuldenaar] heeft de bewindvoerder toestemming gegeven voor het verrichten van betaalde arbeid in dienst van [Z] voor zover [schuldenaar] en [schuldenares] in staat zijn uit de onderneming hun inkomen te halen. [schuldenares] heeft verklaard dat ze telefonisch aan de bewindvoerder heeft doorgegeven dat zij tijdelijk aanspreekpunt is voor het aanleveren van informatie.

[schuldenaar] heeft verklaard dat de eigenaar van [Z] , de heer [X] , vorig jaar met pensioen is gegaan en inmiddels in [naam land] woont. [schuldenaar] heeft verklaard dat het juist is dat het vakantiegeld over de jaren 2017 tot en met 2019 niet aan de boedel is afgedragen. Ten aanzien van de betaling van de benzinekosten heeft [schuldenaar] verklaard dat de klant de factuur contant betaalt bij aflevering, [schuldenaar] hiervan de benzinekosten betaalt en het restant in de kas van de B.V. stort. De tankbon wordt in de administratie gevoegd. Volgens [schuldenaar] betalen de kinderen de boodschappen van het gezin. Volgens [schuldenaar] betaalt de Stadsbank al 33 maanden de ziektekostenpremie, maar wordt er door Menzis afgeboekt op oude schulden. [schuldenaar] heeft verklaard dat het loon dat [schuldenares] en hij ontvangen afhankelijk is van de omzet die zij beiden maken. Nu [schuldenaar] enige tijd is uitgevallen, is de omzet lager.

De bewindvoerder heeft ter zitting een printscreen van de facebookpagina van [schuldenaar] overgelegd, waarop [schuldenaar] op 11 mei 2019 wordt bedankt voor het organiseren van een golftoernooi met 64 deelnemers op golfbaan [B] . [schuldenaar] heeft verklaard slechts de namen van de deelnemers te hebben ingevoerd in het computersysteem.

De motivering van de beslissing

De rechtbank is van oordeel dat de schuldsaneringsregelingen tussentijds moeten worden beëindigd en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank concludeert dat [schuldenaar] en [schuldenares] zich al jarenlang gedragen alsof er geen schuldsaneringsregeling op hen van toepassing is. Afgezien van voldoening aan de inspanningsplicht, in de zin van (bijna) fulltime werken, schenden zij reeds langdurig elke verplichting in de schuldsaneringsregeling. [schuldenaar] en [schuldenares] lopen immers voortdurend maandenlang achter met afdracht aan de boedel, veroorzaken bovenmatige nieuwe schulden en informeren de bewindvoerder zowel op verzoek van de bewindvoerder of uit zichzelf niet of nauwelijks.

De rechtbank concludeert dat [schuldenaar] en [schuldenares] feitelijk hun eigen onderneming exploiteren, nu zij volledig zelf verantwoordelijk zijn voor het genereren van omzet, hun loon daarvan afhankelijk is, zij dit loon aan henzelf moeten uitkeren, en zij zelf op zoek moeten naar nieuwe opslagruimte als zij de bestaande gehuurde huurruimte moeten verlaten. Ook is er kennelijk door de formele eigenaar van de onderneming niets geregeld voor de situatie dat een werknemer ziek wordt, zoals bijvoorbeeld een verzekering voor het verstrekken van een Ziektewetuitkering en een contract met een Arbodienst. De rechtbank concludeert dat [schuldenaar] en [schuldenares] dit de bewindvoerder en de rechter-commissaris anders hebben voorgespiegeld en hun informatieplicht daardoor hebben geschonden. Voor de daadwerkelijke constructie ( [schuldenaar] en [schuldenares] drijven feitelijk de onderneming), had bij aanvang van de schuldsaneringsregeling toestemming voor voortzetting van de ondernemingsactiviteiten aan de rechter-commissaris moeten worden verzocht. Doordat [schuldenaar] en [schuldenares] de feitelijke ondernemers zijn, zijn de schuldeisers benadeeld. Er is immers reeds maandenlang geen loon op de boedelrekening gestort en het vakantiegeld over drie jaren is niet uitgekeerd. Indien er sprake was geweest van een normale werkgevers-werknemersverhouding zou de werkgever normaliter elke maand het loon tijdig hebben uitbetaald, zou er vakantiegeld zijn uitgekeerd en zou [schuldenaar] een beroep kunnen doen op een (door de werkgever betaalde) Ziektewetuitkering. Doordat [schuldenaar] en [schuldenares] feitelijk de onderneming voeren, is het ondernemersrisico volledig bij hen komen te liggen, voor welke situatie in een schuldsaneringsregeling toestemming van de rechter-commissaris nodig is, welke toestemming niet is verzocht.

Onder andere in verband met het feit dat [schuldenaar] en [schuldenares] de feitelijke ondernemers zijn, hadden zij ook inzage dienen te geven in de (contante) inkomsten- en uitgavenstromen in de onderneming, zoals bijvoorbeeld de administratie betreffende de contante betalingen op de facturen en de declaratie van de benzinekosten. Betreffende de declaratie van benzinekosten hadden [schuldenaar] en [schuldenares] ook los van het feit dat zij de feitelijke ondernemers zijn informatie dienen te verstrekken. Ondanks diverse verzoeken van de bewindvoerder zijn zij hiertoe nog steeds niet overgegaan. De rechtbank overweegt ten overvloede over de inlichtingenplicht dat er naast de plicht om op verzoek informatie te verstrekken ook een meer actieve inlichtingenplicht bestaat om uit zichzelf alle informatie te verstrekken die voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling noodzakelijk is.

Gelet op het feit dat er zeer weinig kosten worden gemaakt voor boodschappen en de lidmaatschappen van de tennis- en golfclub acht de rechtbank niet onaannemelijk dat er naast de inkomsten die op papier zijn vermeld, sprake is van een contante inkomstenstroom, die buiten zicht van de bewindvoerder en dus de boedel wordt gehouden. De verklaringen van [schuldenaar] dat hun kinderen het merendeel van de boodschappen betalen door inkomsten uit bijbaantjes en de lidmaatschappen van de tennis- en golfclub niets of nauwelijks iets kosten, hebben [schuldenaar] en [schuldenares] niet door onderbouwing met stukken aannemelijk gemaakt. Gelet op het feit dat [schuldenaar] en [schuldenares] de feitelijke ondernemers blijken te zijn en er, naast hen, geen personeel in dienst is, acht de rechtbank voorts niet aannemelijk dat de beloning van [schuldenaar] en [schuldenares] , zoals die volgens de loonstroken lijkt te zijn, marktconform is. Hierdoor zijn de schuldeisers eveneens benadeeld.

Ten aanzien van de verklaring van [schuldenaar] dat hij door ziekte niet in staat is geweest om informatie te verstrekken, overweegt de rechtbank dat van de schending van de inlichtingenplicht reeds ver voor de ziekte van [schuldenaar] sprake was en dat ook op [schuldenares] een inlichtingenplicht rust, die zij evenmin is nagekomen. [schuldenares] stelt dat zij de bewindvoerder heeft geïnformeerd dat zij tijdens de ziekte van [schuldenaar] aanspreekpunt was betreffende informatievoorziening, maar heeft hierop niet geacteerd door de informatie ook daadwerkelijk te verstrekken. De rechtbank zet bovendien vraagtekens bij de verklaring van [schuldenaar] dat hij eerst vanaf de week van de zitting van 4 juni 2019 in staat is de informatieverstrekking weer op zich te nemen, nu hij kennelijk rond 11 mei 2019 voldoende hersteld was om werkzaamheden zoals het invoeren in een computersysteem van deelnemers aan een golftoernooi te verrichten. Indien hij daartoe in staat was, was hij naar het oordeel van de rechtbank ook in staat om (emails met) informatie naar de bewindvoerder te sturen. Bovendien acht de rechtbank, gelet op de mededeling op de facebookpagina van 11 mei 2019 niet aannemelijk geworden dat de werkzaamheden die [schuldenaar] ten behoeve van het golftoernooi heeft verricht, zich hebben beperkt tot het invoeren van deelnemers in een computersysteem.

Tenslotte concludeert de rechtbank dat er sprake is van een totale nieuwe schuldenlast die bovenmatig is, nu niet valt in te zien hoe deze voor het reguliere einde van de schuldsaneringsregelingen in september 2019 zou kunnen worden afgelost, nog afgezien van het feit dat [schuldenaar] en [schuldenares] hiervoor geen voorstel hebben gedaan. Verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregelingen, nog los van het feit dat [schuldenaar] en [schuldenares] hierom niet hebben verzocht, acht de rechtbank gelet op de omvang van en de mate van verwijtbaarheid van de schending van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet aan de orde.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat de schuldsaneringsregelingen tussentijds moet worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, d en e Faillissementswet.

Gebleken is dat er in beide schuldsaneringsregelingen baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden verkeren [schuldenaar] en [schuldenares] op grond van artikel 350 vijfde lid Faillissementswet in staat van faillissement zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en haar salaris vaststellen als hiernavolgend te bepalen.

De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregelingen;

- bepaalt dat [schuldenaar] en [schuldenares] in staat van faillissement zullen verkeren zodra dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en benoemt in de faillissementen tot rechter-commissaris

mr. M.C. Bosch,

en tot curator mevrouw I.M. IJsseldijk,

Postbus 619

7550 AP Hengelo (O) ;

- geeft last aan de curator tot het openen van aan [schuldenaar] en [schuldenares] gerichte brieven en telegrammen;

- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] op € 3.070,64 (inclusief onkosten en omzetbelasting);

- stelt het salaris van de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] vast op het bedrag van de vergoeding en brengt dit bedrag ten laste van de boedel, onder aftrek van de door de bewindvoerder reeds opgenomen voorschotten;

- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van [schuldenares] op € 3.070,64 (inclusief onkosten en omzetbelasting);

- stelt het salaris van de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van [schuldenares] vast op het bedrag van de vergoeding en brengt dit bedrag ten laste van de boedel, onder aftrek van de door de bewindvoerder reeds opgenomen voorschotten;

Gewezen door mr. A.H. Margadant, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak moet kennisnemen. (Art. 351 jo 361 Fw)