Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3218

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-08-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
08/235251 / KG RK 19-411
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer van de rechtbank Overijssel wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 08/235251 / KG RK 19-411

Beslissing van 26 augustus 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster tot wraking,

gemachtigde: ing. [naam 1] .

1 De procedure

1.1.

Op 18 juli 2019 heeft verzoekster het verzoek tot wraking gedaan van mr. R.J. van Lochem, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaken die zijn geregistreerd onder de zaaknummers AWB 19/1203, 19/1204, 19/1205 en 19/1206.

1.2.

Mr. van Lochem heeft niet berust in de wraking. Zij heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3.

Het wrakingsverzoek is op 15 augustus 2019 in het openbaar behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de heer [naam 1] voornoemd (hierna te noemen [naam 1] );

- mr. Van Lochem.

2 De feiten

2.1.

Verzoekster exploiteert sinds omstreeks januari 2017 in een gehuurde schuur/loods op het perceel [adres] een cateringbedrijf onder de naam [naam 2] .

2.2.

Op 9 augustus 2017 heeft verzoekster bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] (hierna te noemen het college) een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bereiden en leveren van maaltijden (cateringservice) aan groepen vanaf twee personen. Bij besluit van 6 december 2017 heeft het college geweigerd deze vergunning te verlenen.

2.3.

Bij besluit van 6 juli 2018 heeft het college verzoekster een last onder dwangsom opgelegd om uiterlijk twee weken na dagtekening van dat besluit het handelen in strijd met het bestemmingsplan te (laten) staken en gestaakt te houden, door de bedrijfsactiviteiten van [naam 2] te beëindigen en beëindigd te houden. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.4.

Op 6 juli 2018 heeft de verhuurder bij de voorzieningenrechter een vordering ingesteld tot ontruiming van de schuur/loods. Deze vordering is bij vonnis van 19 juli 2018 toegewezen.

2.5.

Bij besluit van 25 juni 2019 heeft het college het bezwaar van verzoekster tegen voornoemd besluit van 6 juli 2018 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van

25 juni 2019 heeft het college een hernieuwde last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster heeft tegen deze beide besluiten beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek ter zitting van 18 juli 2019 zou worden behandeld. De betreffende procedures zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de zaaknummers AWB 19/1203 tot en met 19/1206.

2.6.

Op 5 juli 2019 heeft de verhuurder de executie van het hiervoor onder 2.4 genoemde vonnis van 19 juli 2018 ingezet en op 8 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter een door verzoekster in kort geding gevorderd verbod tot executie van dat vonnis afgewezen. Op 10 juli 2019 is de verhuurder overgegaan tot ontruiming van de schuur/loods.

2.7.

Op 15 juli 2019 om 12.13 uur heeft de rechtbank [naam 1] een fax gestuurd met de volgende inhoud:

“Met betrekking tot de bovengenoemde procedures vraag ik uw aandacht voor het volgende. Gebleken is dat:

- de voorzieningenrechter de vordering(en) van verzoekster, gericht op voorkoming van ontruiming van de schuur/loods op het perceel [adres] , in kort geding op 9 juli 2019 heeft afgewezen;

- de verhuurder van de schuur/loods op 10 juli 2019 is overgegaan tot ontruiming daarvan en dat het perceel feitelijk in zijn bezit is gesteld.

Nu daarmee aan de bij de besluiten van 25 juni 2019 opgelegde last onder dwangsom feitelijk gevolg is gegeven en verzoekster als gevolg geen dwangsommen meer zal verbeuren, verzoek ik u mij gemotiveerd aan te geven of er nog, en zo ja welk, een procesbelang resteert bij het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de lastgeving.

Uw reactie zie ik gaarne per omgaande tegemoet.”

2.8.

Op 15 juli 2019 om 12.51 uur is een correctie op deze fax gestuurd, in die zin dat er is verzocht gemotiveerd aan te geven “of er nog, en zo ja welk, een spoedeisend procesbelang resteert bij het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de lastgeving.”

2.9.

Aangezien geen bericht van [naam 1] werd ontvangen, heeft de griffier op 16 juli 2019 getracht hem telefonisch te bereiken. De griffier werd hierbij geconfronteerd met de voicemail van [naam 1] waarop hij meedeelde wegens vakantie afwezig te zijn.

2.10.

Op 16 juli 2019 heeft mr. Van Lochem vervolgens uitspraak gedaan in de zaken met zaaknummers AWB 19/1203 tot en met 19/1206. In die uitspraak zijn de beroepen van verzoekster en haar verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft diezelfde dag hoger beroep ingesteld tegen de betreffende uitspraak.

2.11.

De advocaat van de gemeente [gemeente] heeft op 17 juli 2019 telefonisch contact opgenomen met de rechtbank met de mededeling dat in de uitspraak van 16 juli 2019 een fout was gemaakt.

2.12.

Bij uitspraak van 17 juli 2019 heeft mr. Van Lochem de uitspraak van 16 juli 2019 als vervallen verklaard, voor zover de beroepen met zaaknummers AWB 19/204 en 19/206 daarin niet-ontvankelijk zijn verklaard.

2.13.

Naast de hiervoor genoemde procedures, is sprake geweest van verschillende andere bezwaar- en beroepsprocedures tussen verzoekster en het college.

3
3. Het wrakingsverzoek

3.1.

Verzoekster heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Mr. Van Lochem heeft zich niet als een onpartijdige rechter opgesteld en zal dit in de toekomst ook niet doen. Gelet op het vreemde en ongewenste optreden en procesverloop veroorzaakt door mr. Van Lochem, is sprake van schijn van partijdigheid en vooringenomenheid. Mr. Van Lochem heeft op 16 juli 2019 onverwacht uitspraak gedaan zonder te wachten op het antwoord op de faxberichten van 15 juli 2019, dit terwijl zij verzoekster geen eenduidige termijn had gesteld waarbinnen dit antwoord moest zijn gegeven en er reeds een zitting gepland was. Verzoekster is hierdoor ernstig benadeeld. In de faxberichten staan bovendien ongetoetste en onjuiste aannames en ook in de uitspraak van 16 juli 2019 staan feitelijke onjuistheden, die verzoekster niet heeft kunnen weerleggen.

Mr. Van Lochem heeft zich daarnaast na de einduitspraak van 16 juli 2019 opnieuw met het dossier bemoeid, terwijl verzoekster er op mocht vertrouwen dat dit niet zou gebeuren. De hersteluitspraak van 17 juli 2019 was op grond van de wet niet mogelijk en is gedaan terwijl er al hoger beroep was ingediend. Hiermee heeft mr. Van Lochem een aanhangig hoger beroep willen beïnvloeden door de zaak weer naar zich terug te halen.

Verzoekster ervaart het optreden en handelen van mr. Van Lochem als grievend, onheus en partijdig. Zij constateert dat er over haar wordt geregeerd door deze rechter, terwijl zij niet eenmaal in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Er is sprake van schending van fundamentele procedurevoorschriften en van fundamentele beginselen van procesrecht.

4 Het standpunt van mr. Van Lochem

4.1.

Mr. Van Lochem stelt zich op het standpunt dat het niet haar intentie is geweest om vooringenomen en niet onpartijdig te handelen. Volgens mr. Van Lochem heeft zij op basis van de informatie dat [naam 1] wegens vakantie afwezig was en omdat haar juridische inschatting was dat een behandeling ter zitting geen ander oordeel over het procesbelang zou kunnen opleveren, besloten om op 16 juli 2019 zonder zitting uitspraak te doen.

Voor het gedeeltelijk vervallen verklaren van de uitspraak van 16 juli 2019 geeft mr. Van Lochem als reden dat zij tot de conclusie was gekomen dat zij een evidente fout had gemaakt en dat die fout rechtgezet moest worden. Mr. Van Lochem stelt dat zij zich ervan bewust is dat dit niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat de vervallenverklaring op geen enkele wijze is ingegeven door vooringenomenheid ten opzichte van verzoekster en dat verzoekster hierdoor ook niet werd benadeeld. Integendeel, volgens mr. Van Lochem was de vervallenverklaring juist in het belang van verzoekster.

Mr. Van Lochem wijst er verder nog op dat bij het team bestuursrecht de beleidsregel bestaat dat een andere rechter dan degene die als voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, het beroep behandelt. Niet zij, maar een andere bestuursrechter zal dus de beroepen behandelen.

5 De beoordeling

5.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

5.2.

Verzoekster meent dat door de werkwijze van mr. Van Lochem de onpartijdigheid in het geding is, nu mr. Van Lochem op 16 juli 2019 zonder het antwoord op de faxberichten van 15 juli 2019 en zonder de geplande zitting af te wachten uitspraak heeft gedaan en zij bovendien die uitspraak op 17 juli 2019 deels vervallen heeft verklaard, zulks terwijl dit laatste op grond van de wet niet mogelijk was en er al hoger beroep was ingesteld. Ter zitting heeft [naam 1] deze stellingen nader toegelicht door aan te voeren dat de intentie van mr. Van Lochem was om zo snel mogelijk van de zaak af te komen, dit terwijl al sprake was van een zaak van een zwakke burger tegenover een almachtige overheid en dat de cumulatie van slordigheden maakt dat mr. Van Lochem als vooringenomen moet worden beschouwd. Ook heeft [naam 1] er op gewezen dat de vervallenverklaring heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een telefoontje van de advocaat van de gemeente [gemeente] .

5.3.

Het lijdt naar het oordeel van de wrakingskamer geen twijfel dat de procedure in de zaken met zaaknummers AWB 19/1203 tot en met 19/1206 anders is gelopen dan in het kader van een zorgvuldige rechtspleging verwacht had mogen worden. Verzoekster heeft zich op 16 juli 2019 geconfronteerd gezien met een uitspraak, terwijl op 18 juli 2019 een zitting gepland stond en in de faxberichten van 15 juli 2019 – die voor verzoekster ook verwarrend moeten zijn geweest – geen uiterste reactietermijn is gegeven, althans niet duidelijk is gemaakt dat bij het uitblijven van een snelle reactie nog voor de geplande zitting uitspraak zou worden gedaan. De uitspraak van 16 juli 2019 is bovendien een dag later deels vervallen verklaard, zulks na een telefoontje van de advocaat van de gemeente [gemeente] en nadat, zoals mr. Van Lochem bekend was, hoger beroep was ingesteld tegen die uitspraak. Mr. Van Lochem heeft ter zitting erkend dat deze gang van zaken zeer ongelukkig is geweest en heeft daarvoor haar excuses aangeboden.

5.4.

Anders dan verzoekster betoogt, levert de betreffende gang van zaken naar het oordeel van de wrakingskamer echter geen grond op voor het oordeel dat de rechter in deze zaak blijk heeft gegeven van vooringenomenheid of partijdigheid. Weliswaar is sprake geweest van een aantal slordigheden, maar niet kan worden volgehouden dat in dit onzorgvuldig handelen partijdigheid van mr. Van Lochem jegens verzoekster besloten ligt of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. [naam 1] heeft dit desgevraagd ook niet voldoende weten toe te lichten. Hier komt nog bij dat mr. Van Lochem – gelet op de bestaande afspraak binnen het team bestuursrecht dat een beroep door een andere rechter wordt behandeld dan degene die als voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan – de beroepen van verzoekster niet zal behandelen, zodat verzoekster in feite geen belang heeft bij haar verzoek. De wrakingskamer wijst verzoekster er in dit kader op dat met een wrakingsverzoek niet bereikt kan worden dat een rechter ook toekomstige zaken van een verzoeker tot wraking niet behandelt.

5.5.

[naam 1] heeft ter zitting nog aangevoerd dat verzoekster vanwege de gang van zaken een schadevergoeding wenst te ontvangen, maar voor het beoordelen van een verzoek om een dergelijke vergoeding biedt de wrakingsprocedure geen ruimte.

5.6.

De conclusie is dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer

6.1.

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, W.J.B. Cornelissen en H.T. Pos in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C. Drijver en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.