Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3215

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
08/960010-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 20-jarige man is veroordeeld tot 2 jaar cel en tbs met dwangverpleging voor het seksueel misbruik van jonge meisjes en het maken, bezitten en verspreiden van kinderporno. Bij twee van de slachtoffers was hij hun begeleider bij de scouting. Het andere slachtoffer beschouwde hem als een soort broer. Verder fotografeerde hij stiekem twee meisjes in een kleed- en douchehokje. Bij het verspreiden van kinderporno op het darkweb had hij een actieve en prominente rol. Hij moet in deze zaak schadevergoedingen betalen van in totaal iets meer dan 10.000 euro. Zie ECLI:NL:RBOVE:2019:3214

Als minderjarige heeft hij zich schuldig gemaakt aan jarenlang seksueel misbruik van zijn zusje. Omdat hij in de andere zaak veroordeeld is tot tbs met dwangverpleging legt de rechtbank hem in deze zaak een jeugddetentie op van 1 jaar. De man moet in deze zaak een schadevergoeding betalen van ruim 42.500 euro. Zie ECLI:NL:RBOVE:2019:3215

De man lijdt aan meerdere stoornissen zoals pedofilie, autisme en aanhoudende depressiviteit. De kans op herhaling is groot en gezien de ernstige problematiek is een intensieve en langdurige behandeling noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/960010-19 (P)

Datum vonnis: 10 september 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

thans verblijvend in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 27 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. drs. B. Lijnse en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M. Rosema, advocaat te Leeuwarden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen jegens iemand jonger dan zestien jaren, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij in de periode van 24 juni 2012 tot en met 23 juni 2016 te Feanwâlden,

gemeente Dantumadiel, en/of te Rotterdam en/of te Leeuwarden, althans in

Nederland,

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft de verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gestopt en/of

- ( meermalen) zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gedaan;

- ( meermalen) in/aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt met zijn tong (gebeft);

- ( meermalen) de (blote) borsten van die [slachtoffer] betast;

- die [slachtoffer] aanwijzingen en/of opdrachten gegeven hem af te trekken waarna

die [slachtoffer] met haar handen zijn penis vast heeft gepakt en haar handen op

en neer heeft bewogen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het feit, met dien verstande dat de pleegperiode moet worden ingekort, omdat het strafbare feit stopte op het moment dat het slachtoffer 14 jaar was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering , zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 24 juni 2012 tot en met 23 juni 2016 te Feanwâlden,

gemeente Dantumadiel en te Rotterdam en te Leeuwarden,

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft de verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gestopt en

- ( meermalen) zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gedaan;

- ( meermalen) in/aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt met zijn tong (gebeft);

- ( meermalen) de (blote) borsten van die [slachtoffer] betast;

- die [slachtoffer] aanwijzingen en/of opdrachten gegeven hem af te trekken waarna

die [slachtoffer] met haar handen zijn penis vast heeft gepakt en haar handen op

en neer heeft bewogen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het ten laste gelegde te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van één jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan het bepaalde in artikel 9a Sr toepassing te geven, nu het in de verwachting ligt dat in de strafzaak met het parketnummer 08/0960007-18 de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer, zijn minderjarig zus, toen zij de leeftijd van 11 tot 14 jaar had. Verdachte heeft zich gedurende enkele jaren schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen die deels ook bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer. Verdachte heeft hierdoor op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn zusje. Hij heeft haar seksuele handelingen laten ondergaan waar zij gezien haar leeftijd en ontwikkeling nog lang niet aan toe was. Daar komt bij dat het slachtoffer zich bij haar broer en in haar eigen woonomgeving veilig had moeten weten. Verdachte heeft echter zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren en heeft niet stil gestaan bij de gevoelens van het slachtoffer en de gevolgen die dit handelen voor haar zou kunnen hebben.

Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik een normale seksuele ontwikkeling doorkruist en dat dit misbruik voor minderjarigen ernstige gevolgen kan hebben die zij nog lange tijd met zich dragen. Dat daarvan in dit geval ook sprake is, valt af te leiden uit de slachtofferverklaring. Blijkens de slachtofferverklaring heeft het slachtoffer last van herbelevingen (zowel ’s nachts als overdag), heeft ze last van schuldgevoelens, van schaamte, leeft zij voortdurend in angst en heeft zij een negatief zelfbeeld. Uit het huisartsenjournaal (als bijlage bij de vordering benadeelde partij gevoegd) blijkt dat het slachtoffer suïcidale neigingen heeft, diverse keren aan automutilatie heeft gedaan, verschillende traumabehandelingen heeft moeten volgen en nog steeds volgt.

De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    een de verdachte betreffend multidisciplinair onderzoeksrapport van 21 februari 2019, uitgebracht door drs. M. Hulshof, GZ- psycholoog, en drs. D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater;

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 3 april 2019;

  • -

    een de verdachte betreffende Reclasseringsadvies van 1 augustus 2019, uitgebracht door Reclassering Nederland.

De deskundigen adviseren in deze rapporten oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Nu de rechtbank deze maatregel zal opleggen in de zaak met parketnummer 08/960007-18 zal de rechtbank in onderhavige zaak volstaan met de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van één jaar met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft verzocht in deze zaak toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr, maar gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank dit niet passend en geboden.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende ( [benadeelde] ) gelasten van de aan haar toebehorende op de beslaglijst van 22 augustus 2019 vermelde mobiele telefoon (nummer 18 op de beslaglijst), aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 54.100,00 (vierenvijftigduizend honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- één jaar studievertraging à € 17.175,00;

- vergoeding van kosten ter beperking van de schade ex artikel 6:96 BW, zijnde de aanschaf van een hulphond à € 10.000,00;

- het eigen risico van de zorgverzekering voor 5 jaren à € 1.925,00.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor het jaar studievertraging voor toewijzing vatbaar zijn. De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering ten aanzien van de kosten voor een hulphond, nu deze kosten nog niet zijn gemaakt, het onzeker is of die nog gemaakt zullen worden en het effect van een hulphond onduidelijk is. De verdediging verzoekt slechts één jaar eigen risico van de zorgverzekering toe te wijzen en de benadeelde partij voor de overige jaren niet ontvankelijk te verklaren nu deze kosten nog niet gemaakt zijn.

De verdediging verzoekt voorts de gevorderde immateriële kosten te matigen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost van de studievertraging is niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal deze post daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.175,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De opgevoerde schadepost van het eigen risico is ten aanzien van één jaar voldoende onderbouwd en aannemelijk, nu deze schade reeds is geleden. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schadevergoeding voor de vier toekomstige jaren onvoldoende is komen vast te staan, omdat onvoldoende is onderbouwd dat behandelingen in de toekomst nodig zijn, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure. De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank zal deze post daarom toewijzen tot een bedrag van € 385,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De onder de post “hulphond” opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De opgevoerde immateriële schade is voldoende onderbouwd en billijk. De rechtbank zal deze post daarom toewijzen tot een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36f, 77a, 77g en 77i Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 1 (één) jaar;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van een bedrag van € 42.560,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 42.560,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van 247 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [benadeelde] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van de in beslag genomen mobiele telefoon aan de rechthebbende ( [benadeelde] ).

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. H.R. Schimmel en mr. B.T.C. Jordaans, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.