Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3102

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
C 08/16/597 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging op grond van niet voldoen aan sollicitatieplicht na eerdere verlenging looptijd door rechter-commissaris in verband met niet nakoming sollicitatieplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

insolventienummer: C 08/16/597 R

uitspraakdatum: 7 mei 2019

tussentijdse beëindiging schuldsanering

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer van voor burgerlijke zaken, in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:

[schuldenaar] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder [schuldenaar] te noemen.

In deze zaak is de heer I. Oude Middendorp, kantoorhoudende te Enschede, tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

Op 10 oktober 2016 is de schuldsaneringsregeling op [schuldenaar] van toepassing verklaard.

Bij beschikking van 28 juni 2017 is de looptijd van de schuldsaneringsregeling door de rechter-commissaris verlengd met negen maanden in verband met het het niet voldoen aan de sollicitatieplicht.

De schuldsaneringsregeling is op 17 april 2018 door de rechtbank tussentijds beëindigd op grond van het feit dat de vragenlijst ten behoeve van het medisch belastbaarheidsonderzoek niet (ingevuld) was geretourneerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 11 juni 2018 het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Op 30 juli 2018 is de looptijd van de schuldsaneringsregeling door de rechter-commissaris verlengd met een jaar in verband met het niet voldoen aan de sollicitatieplicht (dit is gebleken naar aanleiding van een alsnog plaatsgevonden medisch belastbaarheidsonderzoek).

Bij brief van 31 oktober 2018 heeft de rechter-commissaris opnieuw geconstateerd dat [schuldenaar] niet naar behoren aan zijn sollicitatieplicht voldoet door slechts reacties op sollicitaties aan de bewindvoerder toe te sturen en geen sollicitatiebrieven/-emails en vacatureteksten. [schuldenaar] is tot 30 november 2018 de gelegenheid gegeven om zijn leven te beteren.

Bij brief van 13 maart 2019 met bijlagen heeft de bewindvoerder een verzoek tot tussentijdse beëindiging bij de rechtbank ingediend.

Het verzoek van de bewindvoerder is behandeld ter zitting van 30 april 2019, waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting zijn [schuldenaar] , vergezeld door zijn advocaat,

de heer mr. T. Şeker, mevrouw [C] van de Vangnet Zorggroep B.V., mevrouw [D] (beschermingsbewindvoerder) en de bewindvoerder verschenen.

De beoordeling

De feiten

Het verzoek van de bewindvoerder wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Bij beschikking van 30 juli 2018 is de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] verlengd met een jaar, omdat uit het rapport d.d. 12 juli 2018 van het medisch belastbaarheidsonderzoek dat door Ausems & Kerkvliet is uitgevoerd is gebleken dat [schuldenaar] , met enige beperkingen, belastbaar is met betaalde arbeid en [schuldenaar] gedurende een jaar niet aan de sollicitatieverplichtingen heeft voldaan. In de beschikking van 30 juli 2018 is [schuldenaar] er uitdrukkelijk op gewezen dat hij vanaf dat moment alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling stipt en volledig moet nakomen om zijn schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. [schuldenaar] is er op gewezen dat dit wat betreft de sollicitatieplicht onder andere inhoudt dat [schuldenaar] minimaal vier keer per maand dient te solliciteren op een vacature en dat hij als bewijs hiervan, onder andere de sollicitaties en de reacties op de sollicitaties dient over te leggen aan de bewindvoerder.

Eind oktober 2018 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris bericht dat hij tot eind oktober 2018 betreffende de bewijzen van sollicitatie opnieuw slechts ontvangstbevestigingen van werkgevers en uitzendbureau’s heeft ontvangen, terwijl de bewindvoerder [schuldenaar] verschillende keren (schriftelijk) heeft verzocht om ook de sollicitatiebrieven cq motivatiebrieven en de vacatureteksten toe te sturen. Bij brief van

31 oktober 2018 heeft de rechter-commissaris er op gewezen dat [schuldenaar] hierdoor opnieuw de sollicitatieplicht en inlichtingenplicht niet naar behoren nakomt en dat dit kan leiden tot een voordracht tot tussentijdse beëindiging. De rechter-commissaris heeft [schuldenaar] vervolgens nog een kans gegeven om zijn leven te beteren, in die zin dat [schuldenaar] tot en met 30 november 2018 de gelegenheid is gegeven om betreffende de maand november 2018 bewijs van minimaal vier sollicitaties, waaronder de vacatureteksten en de sollicitatiebrieven, aan de bewindvoerder toe te zenden.

Op 11 februari 2019 heeft de bewindvoerder een email van [A] van [A] zorgmanagement ontvangen. Volgens [A] kan [schuldenaar] in verband met een crisissituatie in het gezin ( [schuldenaar] woont samen met mevrouw [B] en hun baby) in de eerste week van februari 2019 enige tijd niet solliciteren. De partner van [schuldenaar] en de baby zijn tijdelijk geplaatst op de ouder-kindafdeling van Ambiq. Aangezien [schuldenaar] intensief wordt betrokken bij de behandeling/begeleiding van het gezin kan hij enige tijd niet aan zijn sollicitatieplicht voldoen. Op de vraag van de bewindvoerder waaruit de crisissituatie heeft bestaan, heeft [schuldenaar] , ook na aanmaningen, geen antwoord gegeven, zodat aan het verzoek om [schuldenaar] enkele maanden vrij te stellen van de sollicitatieplicht niet is tegemoetgekomen.

In zijn verzoek tussentijdse beëindiging van 19 maart 2019 heeft de bewindvoerder medegedeeld dat hij betreffende de maanden augustus 2018 tot en met december 2018, met uitzondering van de maand november 2018, als bewijzen van sollicitatie slechts ontvangstbevestigingen/afwijzigingen heeft ontvangen. Betreffende de maanden januari en februari 2019 heeft de bewindvoerder geen bewijzen van sollicitatie ontvangen. De bewindvoerder heeft verzocht de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen op grond van het niet naar behoren voldoen aan de sollicitatieplicht en de inlichtingenplicht.

Bij verweerschrift van 25 april 2019 heeft [schuldenaar] het volgende aangevoerd. Volgens [schuldenaar] heeft hij in januari en februari 2019 wel gesolliciteerd, maar kan hij dat niet aantonen omdat zijn computer is vastgelopen. [schuldenaar] heeft verklaard in de maand maart 2019 vier sollicitaties te hebben verricht, die hij heeft toegestuurd aan de bewindvoerder. [schuldenaar] stelt in april 2019 vijf keer te hebben gesolliciteerd en te hebben geprobeerd de sollicitaties, die hij via het Werkplein heeft verricht, via een printscreen op te slaan, maar dat dit is mislukt. Volgens [schuldenaar] heeft hij de bewindvoerder hierover geïnformeerd.

De crisissituatie heeft er onder andere uit bestaan dat [schuldenaar] zijn wijkcoach heeft bedreigd, nadat [schuldenaar] te horen heeft gekregen dat zijn partner en zijn baby bij Ambiq zouden worden geplaatst, omdat anders de uithuisplaatsing van de baby dreigde. De crisissituatie heeft tot veel stress en spanning geleid bij [schuldenaar] , waardoor hij niet zijn volle aandacht bij zijn sollicitatieplicht heeft gehad, althans heeft ertoe geleid dat de aandacht van [schuldenaar] om op de juiste wijze aan de sollicitatieplicht te voldoen, is verslapt, hetgeen [schuldenaar] naar zijn mening, onder de gegeven omstandigheden, niet kan worden verweten.

De behandeling ter zitting

De bewindvoerder heeft verklaard betreffende de maanden januari tot en met april 2019 geen bewijzen van sollicitatie en evenmin een email met uitleg over het ontbreken van de bewijzen te hebben ontvangen.

[schuldenaar] heeft verklaard dat zijn computer begin 2019 is gecrasht. Ten aanzien van de ontbrekende sollicitaties en onvolledige bewijsstukken van de sollicitaties in de maanden vóór de crash van de computer heeft [schuldenaar] verklaard dat er misschien iets niet goed is gegaan met het doorsturen ervan. [schuldenaar] heeft verklaard dat hij teveel aan zijn hoofd heeft om naar behoren aan de sollicitatieplicht te voldoen en dat hij veel dingen vergeet.

De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat ze in het hele traject ondersteuning, onder andere door de rechtbank (rechter-commissaris) en de bewindvoerder, bij het solliciteren heeft gemist. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard voor zichzelf geen rol in de ondersteuning hierbij te zien. [C] heeft verklaard dat de situatie wellicht anders was geweest als er een email was verstuurd door de bewindvoerder met de vereisten waaraan de sollicitaties en de bewijzen ervan moeten voldoen.

Desgevraagd heeft [C] verklaard [schuldenaar] te kunnen ondersteunen bij het doen van sollicitaties.

Ten aanzien van de bedreiging van de wijkcoach heeft [schuldenaar] verklaard dat er geen aangifte tegen hem is gedaan, maar dat hem wel een aantal maanden de toegang tot het gemeentehuis is ontzegd.

De motivering van de beslissing

De rechtbank is van oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank concludeert dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling inmiddels twee keer in totaal met 21 maanden is verlengd wegens het niet of niet naar behoren nakomen van de sollicitatieplicht en dat de sollicitatieplicht nog steeds niet (naar behoren) wordt nagekomen. Ook een brief van de rechter-commissaris van 31 oktober 2018 heeft niet of nauwelijks tot verbetering geleid. De rechtbank concludeert dat [schuldenaar] diverse kansen heeft gehad heeft gehad om zijn leven op dit vlak te beteren, maar deze kansen niet heeft gegrepen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [schuldenaar] niet nogmaals een kans moet worden geboden en dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd. De verklaring van [schuldenaar] dat zijn computer is gecrasht en hij daardoor niet naar behoren aan de verplichting om bewijzen van sollicitatie toe te sturen, heeft kunnen voldoen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu [schuldenaar] ook vóór de gestelde crash van zijn computer, begin 2019, onvoldoende bewijsstukken van sollicitatie heeft toegestuurd. Bovendien had [schuldenaar] ook de computer van de bibliotheek of van het Werkplein (hetgeen hij betreffende maart en april 2019 wel stelt te hebben gedaan) kunnen gebruiken en [schuldenaar] had met zijn mobiele telefoon foto’s van het computerscherm van zijn sollicitaties en van de vacatureteksten kunnen maken, indien het niet mogelijk was deze op te slaan. Dit laatste geldt ook voor de maanden vóór de computercrash. De verklaring van [schuldenaar] betreffende deze maanden, inhoudende dat hij de bewijzen wel heeft verstuurd, maar dat deze ‘wellicht niet goed zijn overgekomen’, acht de rechtbank gelet op de voorgeschiedenis ten aanzien van het aanleveren van onvoldoende bewijsstukken van sollicitatie niet aannemelijk. Bovendien mocht van [schuldenaar] , gelet op de beschikking van 30 juli 2018 en de brief van 31 oktober 2018 van de rechter-commissaris worden verwacht dat hij alles op alles zou zetten om de benodigde bewijsstukken aan de bewindvoerder toe te sturen.

Ook de crisissituatie die zich begin februari 2019 heeft voorgedaan, mocht naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan optimimale inspanning door [schuldenaar] om bewijsbaar aan zijn sollicitatieplicht te voldoen, nu [schuldenaar] voor een deel zelf de hand heeft gehad in het ontstaan van de crisissituatie door het bedreigen van de wijkcoach en de rechtbank onaanemelijk acht dat er ondanks deze situatie onvoldoende tijd heeft geresteerd om zorgvuldig bewijsbaar aan de sollicitatieplicht te voldoen. Door geen of onvoldoende bewijzen van sollicitatie aan de bewindvoerder toe te sturen, door de bewindvoerder niet te informeren over de problemen met het versturen van de bewijzen van sollicitatie via de computer van het Werkplein en door niet te reageren op vragen van de bewindvoerder over de aard van de crisissituatie die zich begin februari 2019 heeft voorgedaan, heeft [schuldenaar] ook zijn inlichtingenplicht in ernstige mate geschonden.

Vorenstaande doet de rechtbank concluderen dat [schuldenaar] nog immer onvoldoende doordrongen is van het belang om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen en dat het [schuldenaar] dus ontbreekt aan een saneringsgezinde houding.

De verklaringen van de beschermingsbewindvoerder, inhoudende dat [schuldenaar] onvoldoende zou zijn geïnformeerd door de rechtbank, rechter-commissaris en de bewindvoerder over de vereisten waaraan de sollicitaties en het bewijs ervan moeten voldoen en dat [schuldenaar] door de rechtbank, rechter-commissaris en de bewindvoerder onvoldoende zou zijn ondersteund bij het daadwerkelijk solliciteren, treffen naar het oordeel van de rechtbank geen doel. [schuldenaar] is immers in de aanloop naar de toepassing van de schuldsaneringsregeling, tijdens de zitting waarop het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is behandeld en tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling diverse malen uitgebreid geïnformeerd door de rechtbank, de rechter-commissaris (beschikking 30 juli 2018 en brief van 31 oktober 2018) en de bewindvoerder (diverse emails en telefoongesprekken) over onder andere hetgeen naar behoren bewijsbaar solliciteren inhoudt. Ondersteuning bij het solliciteren behoort niet tot de taken van de bewindvoerder en de rechtbank (rechter-commissaris). De bewindvoerder en rechter-commissaris zijn toezichthouders op de nakoming van de verplichtingen door de saniet. Indien [schuldenaar] niet zelfstandig in staat is te solliciteren, dient hij hiervoor ondersteuning door hulpverlening, zoals wellicht [C] , in te roepen. [schuldenaar] blijft zelf te allen tijde verantwoordelijk voor het naar behoren nakomen van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. De toezegging van [C] dat ondersteuning bij solliciteren mogelijk is, komt naar het oordeel van de rechtbank (veel) te laat. De kwestie van onvoldoende (bewijsbaar) solliciteren speelt immers reeds, in ieder geval, sinds eind juli 2018.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c Faillissementswet.

Gebleken is dat er geen baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden is artikel 350 vijfde lid Faillissementswet niet van toepassing en zal deze schuldsaneringsregeling eindigen op de dag dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en het salaris van de bewindvoerder vaststellen als hiernavolgend te bepalen.

Met betrekking tot het na betaling van de boedelkosten en –schulden resterende boedelactief, overweegt de rechtbank dat dit actief, indien aanwezig, door de bewindvoerder informeel onder de bekende schuldeisers zal worden verdeeld.

De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 4.219,34 (inclusief onkosten en omzetbelasting);

- stelt het salaris (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op het voor salaris beschikbare saldo van € 1.100,91 en brengt dit bedrag ten laste van de boedel, onder aftrek van de reeds opgenomen voorschotten;

- bepaalt dat de bewindvoerder het restant-actief, indien aanwezig, informeel onder de bekende schuldeisers zal verdelen.

Gewezen door mr. M.L.J. Koopmans, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak moet kennisnemen. (Art. 351 jo 361 Fw)