Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2920

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
ak_18 _ 1888
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering planschadevergoeding; verweerder heeft besluitvorming kunnen baseren op advies ingeschakelde deskundige; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1888

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. J.T. Fuller,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om planschadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 29 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2019.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, vergezeld door mr. S.G. van Hoogmoed, deskundige, werkzaam bij Van Hoogmoed Taxatie- en Adviesbureau o.z. B.V.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Kruit en mr. E.J. Diepenmaaat, vergezeld door mr. P. Scharenborg, deskundige, werkzaam bij Thorbecke B.V.

Overwegingen

Vaststaande feiten

1. Eisers zijn sedert 1 maart 1999 eigenaars van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te Borne en kadastraal bekend als gemeente Borne, sectie [nummer] (hierna: het perceel). Het perceel betreft een winkel met bovenwoning.

Wettelijk kader

2. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) bepaalt dat burgemeester en wethouders degene, die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Het tweede lid van dit artikel, onder a, bepaalt dat een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid, een oorzaak is als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6.2, eerste lid, van de Wro bepaalt dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. Het tweede lid, onder b, van dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak, een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft.

Artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro bepaalt dat met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade, burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak betrekken.

Aanvraag en besluitvorming hierover

3. Met een aanvraagformulier d.d. 31 maart 2017, ontvangen op 31 maart 2017, hebben eisers verweerder verzocht om een tegemoetkoming in geleden planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro toe te kennen in verband met waardevermindering van het perceel en inkomensschade. Als schadeoorzaak verwijzen eisers naar de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Centrum” op 27 juli 2013. Dit plan is op 7 mei 2014 onherroepelijk geworden. Verder betreft de aanvraag het bestemmingsplan “Veegplan kom Borne”, inwerking getreden op 4 maart 2017 en op 29 maart 2017 onherroepelijk geworden.

Eisers hebben – kort weergegeven – gesteld dat hun wooncomfort is verminderd, dat de waarde van het perceel en de omzet van de winkel is gedaald als gevolg van wijzigingen ten gunste van naburige horeca.

4. Verweerder heeft de aanvraag ter advisering voorgelegd aan Thorbecke B.V. als onpartijdige en onafhankelijke deskundige. Thorbecke heeft op 18 januari 2018 advies uitgebracht. In dit advies heeft zij het navolgende geconcludeerd.

4.1.

Thorbecke heeft het ‘oude’ en ‘nieuwe’ planologische regime geïdentificeerd voor de voor de aanvraag relevante gronden, in het bijzonder de naburige locaties [adres 2] en [adres 3] .

Het ‘oude’ regime betreft in de eerste plaats het vroegere bestemmingsplan “Centrum”, vastgesteld door de gemeenteraad van Borne op 19 december 1977 en gedeeltelijk goed-gekeurd door gedeputeerde staten van Overijssel op 19 januari 1979. De gronden nabij het perceel zijn in dit plan aangewezen tot “Winkels met daarboven eengezinswoningen” en “Verkeersdoeleinden”. In de tweede plaats zijn vrijstellingen artikel 19 WRO verleend voor het pand [adres 2] , te weten in 1981 voor het veranderen van het winkelpand op de begane grond tot café-restaurant en in 1991 voor het veranderen van de bovenverdieping tot vergader-/receptieruimte. Ten derde is in 2010 voor een gedeelte van het pand [adres 3] ontheffing ex artikel 3.23 Wro verleend voor het uitoefenen van horeca-activiteiten op de begane grond en de verdieping.

Het ‘nieuwe’ planregime omvat de als schadeoorzaak aangeduide bestemmingsplannen “Centrum” en “Veegplan kom Borne”. De gronden van en nabij de locaties [adres 2] en [adres 3] zijn daarin bestemd voor ‘Centrum-1’ en voor ‘Verkeer- en verblijfs-gebied’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie-1’. De bestemming ‘Centrum-1’ laat onder andere onderscheiden vormen van horeca-activiteiten toe. De bestemming ‘Verkeers- en verblijfsdoeleinden’ vermeldt de mogelijkheid van overdekte terrassen aan de voorzijde van deze locaties.

Thorbecke heeft de planologische regimes vergeleken en vermeldt dat als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Centrum” een beperkt planologisch nadeel is ontstaan, te weten een geringe toename van geluidsoverlast en een geringe verslechtering van de situeringswaarde.

Het bestemmingsplan “Veegplan kom Borne” heeft volgens Thorbecke geen planologisch nadeel veroorzaakt.

Volgens Thorbecke heeft het nieuwe planregime niet geleid tot inkomensschade, omdat het causale verband hiervoor ontbreekt.

4.2.

Thorbecke heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van voorzien-baarheid en dat de planschade in beginsel voor tegemoetkoming in aanmerking komt.

4.3.

De aan Thorbecke gelieerde taxateur heeft de waarde van het perceel voor de in aanmerking te nemen peildatum (27 juli 2013) vastgesteld op € 475.000 en na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Centrum” op € 467.500. De planschade/ waardevermindering van het perceel bedraagt volgens de taxateur € 7.500.

4.4.

Thorbecke heeft geadviseerd de aanvraag om tegemoetkoming in geleden planschade af te wijzen, omdat het wettelijk minimum forfait van 2% voor het normaal maatschappelijk risico (€ 9.500) hoger is dan het gewaardeerde planschadebedrag.

5. In het primaire besluit van 22 maart 2018 heeft verweerder besloten conform het advies van Thorbecke.

6. In het bestreden besluit van 29 augustus 2018 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Deze besluitvorming is gebaseerd op het advies d.d. 30 juli 2018 van de bezwarencommissie.

Beroepsgronden en beoordeling daarvan

7. Eisers stellen met verwijzing naar het rapport contra-expertise d.d. 3 december 2018 van Van Hoogmoed Taxatie- en Adviesbureau o.z. B.V. (hierna: Van Hoogmoed) in essentie dat de advisering van de bezwarencommissie en Thorbecke zodanige gebreken bevat dat verweerder deze adviezen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen.

Eisers voeren vijf gebreken aan. Ten eerste is onvoldoende rekening gehouden met de blokkering van de zichtbaarheid van de winkel door de overdekte terrassen op de locaties [adres 2] en [adres 3] ; de winkel is volledig ingebouwd komen te liggen. Ten tweede wordt als gevolg van de uitbreiding van de horecamogelijkheden meer geluids-overlast ondervonden. Ten derde is sprake van verminderde bereikbaarheid van de winkel wegens het autoluw maken van de Grotestraat. Ten vierde is inkomensschade opgetreden, waarmee geen rekening is gehouden. Ten vijfde wordt verwezen naar de overwegingen van Van Hoogmoed die leiden tot de conclusie dat de waarde van het perceel is verminderd van € 603.000 naar € 572.000 met € 31.000, wat na aftrek van 3% normaal maatschappelijk risico uitkomt op een bedrag van € 12.910 aan planschade.

8. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat, indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopings-punten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. Als voorbeeld verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.

Dit brengt met zich dat het aan eisers is om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van Thorbecke naar voren te brengen. De rechtbank zal hierna beoordelen of eisers daarin zijn geslaagd.

De rechtbank constateert daarbij dat eisers – al is dat eerst in beroep bij de rechtbank – het andersluidende advies van Van Hoogmoed hebben ingebracht. Anders dan Thorbecke wordt Van Hoogmoed in dit geval niet als onpartijdige maar als partijdeskundige aangemerkt.

9. De aangevoerde gebreken stellen in wezen de waardering van het planologisch nadeel bij de vergelijking van de onderscheiden planologische regimes door Thorbecke ter discussie. Niet althans onvoldoende is betwist dat Thorbecke de juiste bestemmingsplanbepalingen, gemaximaliseerd, heeft toegepast voor de planvergelijking. Het komt de rechtbank voor dat Van Hoogmoed in de door eisers bedoelde overwegingen enige kanttekeningen op dit vlak maakt, maar die zijn voor de rechtbank onvoldoende specifiek om daaruit de gevolgtrekking te maken dat verweerder het advies van Thorbecke niet mocht volgen.

Voor wat betreft de zichtbaarheid van het perceel heeft Thorbecke geadviseerd dat sprake is van een geringe verslechtering van de situeringswaarde. De door eisers geciteerde r.o. 6.3 in de uitspraak van de Afdeling inzake het bestemmingsplan “Veegplan kom Borne” betreft het voorziene winterterras voor [adres 3] De overweging heeft geen betrekking op het voorziene overdekte terras voor [adres 2] Tussen het perceel en [adres 3] is het pand [adres 4] gelegen, zodat van volledig inbouwen geen sprake is. Uitgaande van de planologische mogelijkheden – waarbij de reeds geruime tijd bestaande zomerterrassen – heeft verweerder in redelijkheid de waardering van Thorbecke van dit planologisch nadeel kunnen overnemen. De ter zitting door eisers getoonde foto’s leiden niet tot een ander oordeel. Deze foto’s zijn vanuit de minst voordelige zichthoek genomen. Zij passen ook niet bij de overweging van de Afdeling: “niet is uitgesloten dat de zichtlijn vanuit de Grotestraat en de zichtbaarheid van de winkel van [appellanten] als gevolg van het winterterras waarin het plan voorziet, enigszins zullen worden aangetast”.

Thorbecke heeft als planologisch nadeel een geringe toename van geluidsoverlast beschreven als gevolg van het toelaten van ruimere horeca-activiteiten in het nieuwe planologische regime. Eisers hebben met het rapport van Van Hoogmoed niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de vergelijking en waardering met het oude regime volgens Thorbecke niet mocht volgen. De toename van geluid kan alleen worden toegeschreven aan enigszins verruimde horecamogelijkheden op de verdieping van [adres 2] en in de overdekte terrassen voor [adres 3] en [adres 3] waarbij op de bedoelde verdieping al enige horeca-activiteiten en voor de locaties al zomerterrassen waren toegestaan.

De verminderde bereikbaarheid van de winkel wegens het autoluw maken van de Grotestraat heeft Thorbecke niet aangemerkt als een planologisch nadeel. Ook Van Hoogmoed stelt dat wat dit betreft geen direct causaal verband bestaat met de planologische wijziging, aldus haar rapport (blz. 21, onder 9.4). Verweerders standpunt komt hiermee overeen.

Wat betreft inkomensschade als gevolg van planologisch nadeel wordt in beroep niet meer of anders gesteld dan dat er wel sprake is van dergelijke schade. Ook het rapport van Van Hoogmoed beschrijft geen inkomensschade als gevolg van de planologische wijziging. Er is voor de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder Thorbecke niet mocht volgen.

De taxatie van de planschade volgens Van Hoogmoed volgt de rechtbank niet. Uit het rapport van Van Hoogmoed blijkt niet welk gewicht in samenhang wordt toegekend aan het planologische nadeel. Bovendien gaat Van Hoogmoed – anders dan Thorbecke – niet uit van de juiste planologische vergelijking. Verweerder mocht de taxatie van de aan Thorbecke gelieerde taxateur volgen. De taxateur heeft daarbij terecht het perceel als geheel gewaardeerd, overeenkomstig de aanvraag van eisers.

10. Gelet op het vorenstaande hebben eisers geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het advies van Thorbecke naar voren gebracht. Verweerder heeft dan ook zijn besluitvorming kunnen baseren op dit advies.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

G. Kootstra, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.