Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2760

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
C/08/234005 / KG ZA 19-159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/234005 / KG ZA 19-159

Vonnis in kort geding van 17 juli 2019

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE AANKOOP VERENIGING '' DEN HAM '' U.A.,

gevestigd te Den Ham,

eiseres, verder te noemen CAV,

advocaat mr. W.B. Brusse te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, verder te noemen [gedaagde] ,

advocaat mr. J.T. Fuller te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 8;

  • -

    het faxbericht d.d. 3 juli 2019 van de zijde van [gedaagde] , waarin wordt verzocht om een andere datum dan 11 juli 2019 te bepalen voor de mondelinge behandeling, welk verzoek is afgewezen, hetgeen op 3 juli 2019 door de griffie aan (de advocaten van) partijen telefonisch is meegedeeld;

  • -

    de brief van d.d. 8 juli 2019 overgelegde productie 9 van de zijde van CAV;

  • -

    het faxbericht d.d. 8 juli 2019 van de zijde van [gedaagde] , waarin opnieuw is verzocht om de mondelinge behandeling van de zaak op 11 juli 2019 te verplaatsen, welk verzoek is afgewezen, hetgeen op 8 juli 2019 door de griffie aan (de advocaten van) partijen telefonisch is meegedeeld;

  • -

    het faxbericht van 10 juli 2019 van de zijde van [gedaagde] , waarbij de akte is overgelegd die [gedaagde] in de tussen partijen lopende bodemprocedure bij de rechtbank bij mailbericht van
    9 juli 2019 heeft ingediend;

  • -

    de bij faxbericht van 10 juli 2019 overgelegde productie 10 van de zijde van CAV;

  • -

    de mondelinge behandeling op 11 juli 2019, waar CAV, vertegenwoordigd door
    de heer [A] , bijgestaan door mr. Brusse, en [gedaagde] in persoon, vergezeld door zijn echtgenote, zijn verschenen;

  • -

    de pleitnota’s van partijen.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling aan partijen meegedeeld dat hij op 11 juli 2019 een mailbericht van de griffie van deze rechtbank heeft ontvangen, waarin hij ervan op de hoogte is gesteld dat de griffie van de rechtbank de advocaten van partijen op 11 juli 2019 (10.36 uur) namens de regierechter een mailbericht heeft gezonden met de - voor zover van belang zijnde - volgende inhoud:

“(…)

Namens de regierechter (…) bericht ik u dat de akte [die bij mailbericht van 9 juli 2019 ten behoeve van de rol van 17 juli 2019 in de bodemzaak is ingediend en bij faxbericht van 10 juli 2019 in de onderhavige procedure door de advocaat van [gedaagde] is overgelegd, toevoeging van de voorzieningenrechter] zal worden geweigerd, omdat het hof op grond van artikel 356 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering na vernietiging van de tussenvonnissen van de rechtbank de zaak aan zich heeft gehouden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen en dat inmiddels ook heeft gedaan. De zaak bij de rechtbank zal dan ook ambtshalve worden doorgehaald/geroyeerd.(…)”

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de pleitnota van [gedaagde] een eis in reconventie bevat en voorzien was van diverse producties. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] uitgelegd dat het niet mogelijk is om een eis in reconventie in te dienen, nu hij in persoon is verschenen en een eis in reconventie alleen door een advocaat kan worden ingediend. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] uitgelegd dat de door hem overgelegde producties niet (meer) kunnen worden ingediend en als zodanig dus niet zullen worden betrokken bij de beoordeling, aangezien het in strijd met de goede procesorde is om pas ter zitting nog (veel) producties in het geding te brengen. Gelet op de omvang van de pleitnota van [gedaagde] is in overleg met partijen besloten om de pleitnota niet door [gedaagde] te laten voordragen, maar een leespauze in te lassen om de voorzieningenrechter en (de advocaat van) CAV de gelegenheid te geven om de pleitnota van [gedaagde] te lezen.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald dat vandaag bij vervroeging wordt uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

Partijen procederen met elkaar sinds januari 2004.

2.2.

Na diverse (tussen)vonnissen van de (voorzieningenrechter) van de rechtbank en (tussen)arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) heeft het Hof, nadat zij in haar (tussen)arrest van 11 juli 2017 onder rechtsoverweging 2.19 heeft overwogen dat zij - kort gezegd - aanleiding ziet de zaak niet terug te wijzen, maar deze zelf af te doen - bij arrest van 29 januari 2019 de volgende beslissing genomen:

“Het hof recht doende in hoger beroep:

vernietigt de tussenvonnissen van de rechtbank Almelo van 26 oktober 2005 en 7 maart 2007, en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen in conventie van [gedaagde] en de vorderingen in reconventie van CAV af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van beide instanties in conventie, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van CAV wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.780,- voor verschotten en op
€ 3.258,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 15.800,72 voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties in reconventie draagt;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.”

3 Het geschil

3.1.

CAV vordert - kort samengevat - de opheffing van de door [gedaagde] op
30 maart 2007 gelegde, als nader onder punt 4 van de dagvaarding omschreven, conservatoire beslagen, met veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter, is hij op grond van het bepaalde in artikel 705 juncto 438 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de aard van het geschil (de vordering tot opheffing van het beslag) het vereiste spoedeisende belang gegeven.

4.3.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat met inachtneming van het vorenstaande (voldoende) vast dat het Hof op 29 januari 2019 een eindarrest heeft gewezen dat onherroepelijk is. Daarmee is de vordering van [gedaagde] waarvoor hij conservatoire beslagen ter zekerheid van verhaal heeft gelegd, definitief afgewezen. Gelet daarop moet worden geconcludeerd dat het door [gedaagde] ingeroepen recht ondeugdelijk is. Er bestaat geen grond (meer) voor de gelegde beslagen. Dat [gedaagde] het niet eens is met de (procedurele) beslissing(en) van het Hof kan niet tot een andere conclusie leiden. Het had in dat geval op zijn weg gelegen om cassatie in te (laten) stellen, maar hiervan is - kennelijk na advies - afgezien.

4.5.

Op grond van het vorenstaande zullen de gelegde beslagen op de onroerende zaken worden opgeheven.

4.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 722,52 aan verschotten (dagvaarding
€ 83,52 en griffierecht € 639,--) en € 980,-- aan salaris van de advocaat. De gevorderde nakosten zullen op na te melden wijze worden toegewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de door [gedaagde] bij exploot van 30 maart 2007 ten laste van CAV gelegde beslagen op de volgende onroerende zaken van CAV:

- het perceel bedrijvigheid (kantoor) erf - tuin, staande en gelegen te [plaats] ,

- het perceel parkeren, gelegen te [plaats] ,

- het perceel terrein (grasland), gelegen te [plaats]

- het perceel terrein (grasland), gelegen te [plaats]

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van CAV tot op heden begroot op € 1.702,52,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.1

1 type: coll: