Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2727

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
C/08/235115 / KG ZA 19-197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kort gedingrechter oordeelt dat een Twentse zakenman dwangsommen moet betalen omdat hij een verbod uit een eerder kort geding heeft overtreden. Ondanks het opgelegde verbod heeft hij op de site van één van zijn bedrijven en via Quote zijn ex-vriendin en oud-bestuurder van enkele BV’s en holdings opnieuw ten onrechte beschuldigd dat haar communicatie met de AIVD de aanleiding is geweest voor de inval van de FIOD bij een groot bouwbedrijf. Daar is –volgens het eerdere kort geding - geen bewijs voor.

Daarnaast oordeelt de rechter dat de hij niet alle opgeëiste dwangsommen hoeft te betalen. Niet alle uitlatingen die hij na het vonnis in het eerdere kort geding deed zijn overtredingen van het verbod.

De rechter heeft de hoogte van de dwangsommen voor eventuele toekomstige overtredingen van het verbod verhoogd omdat de man zich hier dus eerder niet aan heeft gehouden. Een krachtiger prikkel in de vorm van een hogere dwangsom acht de rechter in dit geval dan ook noodzakelijk.

Zie ECLI:NL:RBOVE:2019:2141 voor de uitspraak in het eerdere kort geding. De zakenman is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0990
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/235115 / KG ZA 19-197 (pm)

Vonnis in kort geding van 2 augustus 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. Boogaard te Middelburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.L. Tjiam te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, betekend op 17 juli 2019, met 9 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met 10 producties;

  • -

    de afzonderlijk ingebrachte producties 13a tot en met 20 van [eiser] ;

  • -

    de eiswijziging van [eiser] d.d. 24 juli 2019;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 25 juli 2019;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve en zakelijke relatie met elkaar gehad.

2.2.

[eiser] is aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] N.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Begin 2019 heeft de FIOD een inval gedaan bij [bedrijf 1] .

2.3.

In een eerdere door [gedaagde] ingeleide procedure tussen partijen heeft de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 25 juni 2019 (hierna: het vonnis) aan [eiser] het volgende verbod opgelegd:

“5.3. verbiedt [eiser] om op enigerlei wijze, in woord of geschrift, direct of indirect, middellijk of onmiddellijk, waaronder tevens te verstaan via email, internet, intranet, websites of weblogs, uit te spreken dat de communicatie tussen [gedaagde] en de AIVD op enigerlei wijze te maken heeft met de inval van de FIOD bij en/of het onderzoek van de FIOD naar [bedrijf 1] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per keer en/of dag dat [eiser] niet aan deze veroordeling voldoet, zulks tot een maximum van

€ 200.000,-.”

2.4.

Voormeld vonnis is op 26 juni 2019 aan [eiser] betekend.

2.5.

[eiser] kan zich niet verenigen met het vonnis en is daarvan in hoger beroep gekomen. [gedaagde] is op 15 juli 2019 gedagvaard om op 20 augustus 2019 ter zitting te verschijnen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

2.6.

Op 1 juli 2019 heeft [eiser] een verklaring (hierna: de verklaring) van vier pagina’s naar aanleiding van het vonnis gepubliceerd op de website van [bedrijf 1] in de categorie “nieuws”. De verklaring luidt, voor zover hier relevant:

25 juni 2019 heeft mr. K.J. Haarhuis in het openbaar uitgesproken het vonnis waarbij ik de

uitlatingen over de contacten van [gedaagde] met de AIVD en de FIOD zou moeten

rectificeren en over dit thema mij verboden wordt te communiceren. Dit kan uitwerken tot een vergaande vorm van censuur. Het vonnis is naar mijn mening onbegrijpelijk. Dat de

communicatie van mevrouw [gedaagde] met de AIVD de aanleiding is geweest voor de inval van de FIOD bij [bedrijf 1] is naar mijn mening niet te kwalificeren als een beschuldiging aan het adres van mevrouw [gedaagde] maar als een visie mijnerzijds op het initiatief van de FIOD bij [bedrijf 1] een inval te doen. Die visie kan toch moeilijk worden gezien als een onrechtmatige publicatie van mij.

(…)

Deze ‘tekst’ en andere teksten in de transcripts en overige informatie (voor de AIVD feiten) aangeleverd door [gedaagde] zijn voor de AIVD aanleiding de zaak door te zetten naar de FIOD omdat het om een vermeend economische delict, valsheid in geschrifte dan wel ambtelijke corruptie gaat, zie onderstaand mandaatbesluit Wet Politiegegevens FIOD-ECD.

(…)

Hieruit blijkt dat niet alleen de AIVD maar ook de FIOD en zelfs het parket contact hebben gehad met [gedaagde] dan wel haar advocaat [advocaat 1] met als resultaat de FIOD inval.

(…)

De FIOD kiest bij het binnen vallen van een bedrijf, in dit geval [bedrijf 1] , altijd een andere invalshoek om de tipgever ( [gedaagde] ) te beschermen.

(…)

Uit de hiervoor opgenoemde feiten volgt een stevig bewijs dat de stappen die

mevr. [gedaagde] gezet heeft richting de AIVD/ FIOD geleid hebben tot de inval van de FIOD bij [bedrijf 1] . De komende weken gaan wij werken aan een nog steviger bewijs. Deze inval heeft veel schade aangericht. [bedrijf 1] houdt vast aan het standpunt dat [gedaagde] en de FIOD aansprakelijk zijn voor deze schade.”

2.7.

De verklaring heeft twaalf dagen op de website van [bedrijf 1] gestaan.

2.8.

Op 1 juli 2019 heeft zakenblad Quote een artikel over [eiser] met een link naar de verklaring op haar website gepubliceerd onder de kop:

Quote 500-lid [eiser] : uitspraak rechter kan leiden tot 'censuur'”.

De verklaring is door [eiser] aan Quote gestuurd met het verzoek om deze te publiceren. [eiser] heeft ook een interview aan Quote gegeven, waarop het artikel (mede) is gebaseerd. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:

De succesvolle Twentse ondernemer, met een geschat vermogen van €620 miljoen goed voor plek 57 (https://www.quotenet.nl/ [eiser] /) in Nederland's rijkenlijst, laat zich de mond niet snoeren. In een vier pagina's tellende verklaring neemt hij niet alleen de Almelose rechter, maar ook de AIVD, de FIOD, zijn ex en haar raadsman op de korrel. Hij onderbouwt zijn betoog met 'stevig bewijs' en gaat de komende weken werken aan 'nog steviger bewijs.'

(…)

Benieuwd naar de hele verklaring van [eiser] ? Lees hem hier, wederom exclusief bij Quote, en oordeel zelf.”

2.9.

Op 9 juli 2019 is in de Tubantia een interview met [eiser] verschenen, met onder meer de volgende passage:

Gewiste emails terughalen

[eiser] heeft wel gerectificeerd, maar blijft overtuigd van zijn gelijk. Om dat aan te tonen, zegt hij verder te gaan met zijn interne onderzoek. ,,We hebben software gekocht in India waarmee gewiste e-mails weer kunnen worden teruggehaald. Daar zijn we nu volop mee bezig. Dit hele verhaal krijgt nog wel een staartje.”

2.10.

Bij brief aan de advocaat van [eiser] van 10 juli 2019 is namens [gedaagde] aanspraak gemaakt op betaling van € 105.000,- aan verbeurde dwangsommen, omdat [eiser] in strijd zou hebben gehandeld met het hiervoor geciteerde verbod in het vonnis van 25 juni 2019.

2.11.

Op 12 juli 2019 heeft een zitting plaatsgevonden in een kort geding procedure tussen [gedaagde] en [bedrijf 2] B.V., [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] B.V., bij welke vennootschappen [eiser] betrokken is. In de procedure heeft [gedaagde] wedertewerkstelling in haar functie als directeur/bedrijfsleider en doorbetaling van loon gevorderd. Een journalist van RTV Oost is bij de zitting aanwezig geweest en heeft hierover een artikel geschreven, met onder meer de volgende passage:

[eiser] herhaalt: “FIOD inval schuld [gedaagde]

Volgens hem zijn er inbraken geweest, is er informatie gedeletet en is hij om onverklaarbare reden in een slechte film terechtgekomen. En het treft hem ook zakelijk. "Mijn bedrijven zijn door deze dingen in de problemen gekomen." In de rechtszaal herhaalt hij wat de rechter hem vorige week verboden heeft, namelijk zeggen dat de inval van de FIOD de schuld is van [gedaagde] .”

2.12.

Op 12 juli 2019 heeft [eiser] Quote verzocht de verklaring van haar website te verwijderen, hetgeen Quote heeft geweigerd.

2.13.

[eiser] heeft medio juli 2019 e-mail- en/of WhatsApp-correspondentie met informatie over [gedaagde] , naar de Telegraaf, het Financieel Dagblad (hierna: het FD), Follow the Money en Tubantia gestuurd, met als begeleidende tekst:

Uit onderstaande correspondentie, de afspraak van de AIVD met [gedaagde] op donderdag 31 januari 2019, het gespreksverslag van 7 februari 2019 van mevr. Mr. [advocaat 2] en overige correspondentie is op te maken dat dit blijkbaar aanleiding is geweest de zaak over te dragen aan de FIOD met de FIOD inval op 15 februari 2019 als resultaat. (…)”

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert, na zijn eis te hebben gewijzigd, - samengevat - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de in het vonnis in kort geding van 25 juni 2019 aan hem opgelegde dwangsom met ingang van 26 juni 2019 wordt opgeheven, althans de looptijd daarvan wordt opgeschort met ingang van 26 juni 2019, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

II. [gedaagde] zal worden veroordeeld de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis en de opeising van dwangsommen ter zake van de op de website van [bedrijf 1] en Quote geplaatste verklaring, het gesprek met de journalist van Tubantia en de mededeling ter zitting van

12 juli 2019 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank en andere rechtszittingen, de berichten aan de Telegraaf, het FD, Tubantia en Follow the Money te staken en gestaakt te houden, op straffe van een door [gedaagde] aan [eiser] te verbeuren dwangsom van

€ 5.000,- per overtreding en/of dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 200.000,-;

III. een zodanige voorziening wordt getroffen als in goede justitie juist wordt geacht,

IV. [gedaagde] in de kosten van het geding zal worden veroordeeld.

3.2.

[eiser] stelt - samengevat - dat door hem geen dwangsommen zijn verbeurd, omdat hij het verbod in r.o. 5.3. van het vonnis van 25 juni 2019 niet heeft overtreden. Voor het geval de voorzieningenrechter zal oordelen dat er wel dwangsommen zijn verbeurd, stelt [eiser] zich op het standpunt dat het verbod in voormeld vonnis tot stand is gekomen naar aanleiding van een te laat, via eiswijziging ingestelde vordering, waartegen [eiser] zich niet heeft kunnen verweren. Het verbod is bovendien te breed geformuleerd, waardoor [eiser] monddood wordt gemaakt en het voor hem onmogelijk is om aan het verbod te voldoen. Volgens [gedaagde] zou [eiser] het verbod diverse malen hebben overtreden. [eiser] betwist dit. De verklaring die op de website van [bedrijf 1] en Quote is geplaatst, betreft een weergave van het vonnis en de mening van [eiser] daarover. Hiermee overtreedt [eiser] het vonnis niet.

Voor zover er wel sprake is van een overtreding van het vonnis, dan betreft het slechts één verklaring en is [eiser] ten hoogste een dwangsom van € 5.000,- verschuldigd. Voor het geval publicatie op de website van Quote ook heeft te gelden als overtreding, dan is hooguit twee keer een dwangsom van € 5.000,- verbeurd en is verdere executie jegens [eiser] onrechtmatig. [eiser] heeft zich voldoende ingespannen om de verklaring van de website van Quote verwijderd te krijgen. De publicatie in Tubantia van 9 juli 2019, met daarin de mededeling dat door [eiser] onderzoek wordt gedaan, betreft geen uitspraak waarmee het verbod in het vonnis is overtreden. Het verbod strekt er bovendien niet toe om [eiser] te verbieden in rechte zijn standpunt te verwoorden, zoals hij tijdens de kort geding zitting op 12 juli 2019 heeft gedaan, aldus steeds [eiser] .

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert samengevat – de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de dwangsom van r.o. 5.3 van het vonnis van 25 juni 2019 te verhogen naar € 50.000,- per keer en/of dag dat [eiser] niet aan die veroordeling voldoet, tot een maximum van

€ 2.000.000,-;

II. te bepalen dat het opeisen van de vanaf het executievonnis verbeurde dwangsommen als gevolg van de door [eiser] gepubliceerde verklaring op de website van Quote zal worden gestaakt, onder de voorwaarden dat [eiser] binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de verbeurde dwangsommen van € 200.000,- aan [gedaagde] heeft overgemaakt en een kort geding procedure tegen Quote aanhangig heeft gemaakt om de verklaring van de website te laten verwijderen.

4.2.

[gedaagde] legt - samengevat - aan haar vorderingen ten grondslag dat [eiser] het vonnis negeert en doorgaat met zijn beschuldigingen dat [gedaagde] achter de FIOD-inval bij [bedrijf 1] zou zitten. Daarmee schaadt hij haar reputatie en goede naam. De dwangsom, zoals opgelegd in het vonnis van 25 juni 2019, vormt duidelijk geen prikkel voor [eiser] om het vonnis na te komen. Het maximum aan dwangsommen is inmiddels verbeurd en [eiser] gaat onverstoord door. Verhoging van de dwangsom is noodzakelijk om [eiser] te bewegen zich aan het vonnis te houden. De verhoging is bovendien redelijk en past binnen de context van andere uitspraken van lagere rechters in soortgelijke gevallen. Naleving van het vonnis is niet alleen in het individuele belang van [gedaagde] , maar ook in het algemeen belang dat in de verzekering van naleving van rechterlijke vonnissen gelegen is. Als [eiser] het maximum aan verbeurde dwangsommen van € 200.000,- betaalt aan [gedaagde] en een kort geding procedure tegen Quote aanhangig maakt om de verklaring van de website te laten verwijderen, is [gedaagde] bereid af te zien van het opeisen van nieuwe dwangsommen ten aanzien van de verklaring die op de website van Quote staat, aldus steeds [gedaagde] .

4.3.

[eiser] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

[eiser] stoelt zijn vordering onder I. (opheffing, subsidiair opschorting van de hem opgelegde dwangsom) op het bepaalde in artikel 611d lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en zijn vordering onder II. (staking van de executie) op het bepaalde in artikel 438 Rv. De voorzieningenrechter treedt in deze dan ook op als dwangsomrechter én als executierechter. Ter beoordeling ligt in de eerste plaats de vraag voor of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd doordat hij, zoals [gedaagde] stelt, het verbod in r.o. 5.3. van het vonnis van 25 juni 2019 heeft overtreden.

dwangsommen verbeurd?

5.2.

Uitgangspunt in deze zaak is dat het [eiser] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, verboden is om op enigerlei wijze, in woord of geschrift, direct of indirect, middellijk of onmiddellijk, waaronder tevens te verstaan via e-mail, internet, intranet, websites of weblogs, uit te spreken dat de communicatie tussen [gedaagde] en de AIVD op enigerlei wijze te maken heeft met de inval van de FIOD bij en/of het onderzoek van de FIOD bij [bedrijf 1] . Dit volgt uit het verbod in r.o. 5.3. van het vonnis. De onderhavige zaak kan niet worden aangegrepen als verkapt hoger beroep. Als [eiser] meent dat er (thans) voldoende bewijs is voor zijn standpunt, kan hij dat in hoger beroep aanvoeren en onder-bouwen. Mocht het vonnis van 25 juni 2019 wat betreft het dictum onder 5.3. vernietigd worden in hoger beroep, dan kan [eiser] betaalde dwangsommen als onverschuldigd betaald terugvorderen.

5.3.

[gedaagde] stelt zes verschillende overtredingen van dit verbod door [eiser] te hebben geconstateerd. Verkort weergegeven betreft dit -volgens [gedaagde] - de volgende schendingen:

1) de verklaring die [eiser] op de website van [bedrijf 1] heeft geplaatst en die gedurende twaalf dagen op die website is blijven staan;

2) de opdracht van [eiser] aan Quote om de verklaring op de website van Quote te plaatsen, die daar tot op heden op staat;

3) het interview dat [eiser] aan Quote heeft gegeven waarin hij zijn beschuldigingen aan [gedaagde] heeft herhaald;

4) het interview dat [eiser] aan Tubantia heeft gegeven waarin hij zijn beschuldigingen aan [gedaagde] heeft herhaald;

5) de beschuldigingen die [eiser] in de arbeidsrechtszaak tegen [gedaagde] heeft geuit, terwijl daarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestond;

6) de informatie over de vermeende betrokkenheid van [gedaagde] bij de FIOD-inval die [eiser] aan De Telegraaf, het FD, Follow the Money en Tubantia heeft gestuurd.

5.4.

[eiser] heeft niet weersproken dat hetgeen hiervoor onder 1) tot en met 6) aan feiten is vermeld klopt. Volgens [eiser] leveren deze feiten echter geen overtreding van het verbod in het vonnis van 25 juni 2019 op, omdat hij slechts zijn mening zou hebben gegeven over het vonnis en kenbaar zou hebben gemaakt hoe naar zijn mening c.q. analyse de FIOD tot een inval bij [bedrijf 1] is gekomen.

5.5.

De voorzieningenrechter overweegt dat het [eiser] uiteraard vrij staat om te verkondigen dat hij het oneens is met het vonnis, hetgeen al volgt uit het feit dat [eiser] van het vonnis in hoger beroep is gekomen. Het staat [eiser] eveneens vrij om tekst en uitleg te geven over de inval van de FIOD bij en het onderzoek van de FIOD naar [bedrijf 1] aan medewerkers, klanten, relaties etcetera. [eiser] mag ook onderzoek (laten) doen, zaken reconstrueren en bewijs verzamelen. Het enige dat hem verboden is, is op enigerlei wijze uit te spreken dat de communicatie tussen [gedaagde] en de AIVD op enigerlei wijze te maken heeft (gehad) met de inval van de FIOD bij en/of het onderzoek van de FIOD naar [bedrijf 1] , zulks zolang in hoger beroep niet anders is beslist. [eiser] is dus geenszins monddood gemaakt.

5.6.

In de verklaring van [eiser] die vanaf 1 juli 2019 gedurende twaalf dagen op de website van [bedrijf 1] heeft gestaan, vermeldt hij herhaaldelijk dat [gedaagde] met de AIVD zou hebben gesproken, wat tot de FIOD-inval bij [bedrijf 1] zou hebben geleid (zie hiervoor onder 2.6.). Dit levert een evidente schending op van het verbod. Als onweersproken staat vast dat de verklaring twaalf dagen op de website van [bedrijf 1] heeft gestaan, zodat twaalf maal € 5.000,-, dus in totaal € 60.000,- (de dwangsom wordt immers verbeurd per dag) aan dwangsommen is verbeurd.

5.7.

Toezending van de verklaring aan Quote met het verzoek deze op de website van Quote te publiceren, levert ook een (afzonderlijke) schending van het verbod in het vonnis op, ondanks dat het dezelfde verklaring betreft als die op de website van [bedrijf 1] geplaatst is. De website van Quote wordt immers, naar mag worden aangenomen, door een ander en met name breder publiek bezocht dan de website van [bedrijf 1] , welke website naar zeggen van [eiser] slechts de interesse van infrabouwers heeft. Voor iedere dag dat de verklaring op de website van Quote staat, verbeurt [eiser] een dwangsom van € 5.000,-. Er vanuit gaande dat de verklaring tot op heden op de website van Quote staat, nu Quote deze niet wil verwijderen, is, indien in aanmerking wordt genomen dat al € 60.000,- aan dwangsommen is verbeurd vanwege de verklaring die twaalf dagen op de website van [bedrijf 1] heeft gestaan, het maximum aan verbeurde dwangsommen van € 200.000,- bereikt. Het feit dat Quote de verklaring niet van de website wil halen, komt voor rekening en risico van [eiser] . Hij heeft immers Quote verzocht de verklaring te plaatsen zonder daarbij afspraken te maken over eventuele verwijdering daarvan op zijn verzoek.

5.8.

Het interview dat [eiser] aan Quote heeft gegeven, moet naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter als toelichting worden gezien op de verklaring die [eiser] aan Quote heeft toegezonden en die als link bij het interview is opgenomen. Dit interview levert dan ook geen (afzonderlijke) schending van het verbod op.

5.9.

Ook het interview dat [eiser] aan Tubantia heeft gegeven levert geen schending van het verbod. [eiser] heeft weliswaar aan de journalist van Tubantia verklaard dat hij verder gaat met zijn interne onderzoek en dat “het verhaal nog wel een staartje krijgt”, maar hij heeft niet (opnieuw) verklaard dat de communicatie tussen [gedaagde] en de AIVD tot de FIOD-inval bij [bedrijf 1] zou hebben geleid.

5.10.

De uitlatingen van [eiser] tijdens de kort geding zitting op 12 juli 2019 leveren naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook geen schending van het verbod op.

De voorzieningenrechter is met [eiser] van oordeel dat hij in rechte, ook tijdens een openbare zitting waarbij pers aanwezig is, alle volgens hem van belang zijnde standpunten en verweren naar voren moet kunnen brengen en dat het verbod niet zover strekt dat hij daarin wordt beperkt. Dat het hier om een arbeidsrechtelijke zaak ging doet daar niet aan af, temeer niet omdat [eiser] heeft betoogd dat in die procedure het functioneren van [gedaagde] in diverse ondernemingen van [eiser] centraal stond en dat in dat kader haar mogelijke contacten met de AIVD, die tot de FIOD-inval bij [bedrijf 1] zouden hebben geleid, van belang waren.

5.11.

[eiser] heeft niet weersproken dat hij informatie over [gedaagde] in relatie tot de FIOD-inval naar de Telegraaf, het FD, Follow the Money en Tubantia heeft gestuurd. Nu niet is gebleken op welke wijze deze informatie aan genoemde vier partijen is gestuurd (per adressant afzonderlijk of in één keer), zal een en ander als een eenmalige schending van het verbod worden aangemerkt, waardoor eenmalig een dwangsom van € 5.000,- is verbeurd.

t.a.v. de vordering ex artikel 611d Rv

5.12.

Ingevolge artikel 611d lid 1 Rv kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen, ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling (in dit geval het verbod om uit te spreken dat de communicatie tussen [gedaagde] en de AIVD te maken heeft met de inval van de FIOD bij en/of het onderzoek van de FIOD naar [bedrijf 1] ) te voldoen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, de rechter haar niet kan opheffen of verminderen.

Ratio van dit artikel is dat er alleen dan plaats is voor een dwangsom, indien het voor de veroordeelde redelijkerwijs mogelijk is om aan de veroordeling te voldoen en daarmee de verbeurte van dwangsommen te voorkomen. Een dwangsom dient een prikkel tot nakoming te zijn en geen straf voor niet-nakoming in de situatie waarin het voor de veroordeelde niet mogelijk was om te voldoen aan hetgeen waartoe hij was veroordeeld. Van onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen, is sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel zijn zin verliest (Benelux Gerechtshof 25 mei 1999, NJ 2000, 14). Van onmogelijkheid is ook sprake indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht (Hoge Raad 13 juni 2003, NJ 2003, 521).

5.13.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk is aan het verbod te voldoen. Hij heeft in dat kader enkel aangevoerd i) dat de hoofdveroordeling tot stand is gekomen naar aanleiding van een bij eiswijziging ingestelde vordering, waartegen hij zich niet heeft kunnen verweren en ii) dat deze veroordeling dermate breed is geformuleerd, dat [eiser] hierdoor algeheel monddood wordt gemaakt.

5.14.

[eiser] heeft niet toegelicht waarom de vraag of de voorzieningenrechter al dan niet terecht de eiswijziging van [gedaagde] heeft toegestaan, relevant is bij de beantwoording van de vraag of het voor hem mogelijk was de veroordeling na te komen en deze relevantie is evenmin evident, zodat aan deze stelling van [eiser] in het kader van het beroep op artikel 611d lid 1 Rv verder voorbij gegaan wordt.

5.15.

[eiser] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de hoofdveroordeling op zodanige wijze is geformuleerd, dat hij daarmee monddood wordt gemaakt. Zoals [gedaagde] terecht heeft betoogd, is deze formulering van het verbod een standaardformulering. Het grootste bezwaar van [eiser] tegen deze formulering is, dat hij beperkt wordt in het kenbaar maken van zijn standpunt in en buiten rechte. Zoals hiervoor is overwogen, strekt het verbod zich niet uit tot standpunten en verweren die [eiser] in rechte naar voren wil brengen. Ook buiten rechte staat het [eiser] nog steeds vrij om zijn standpunt omtrent de FIOD-inval bij [bedrijf 1] te verkondigen, mits hij maar niet uitspreekt dat de communicatie tussen [gedaagde] en de AIVD te maken heeft met de inval van de FIOD bij en/of het onderzoek van de FIOD naar [bedrijf 1] . Dat dit voor [eiser] redelijkerwijs onmogelijk is, is niet gebleken.

5.16.

Uit het bovenstaande volgt dat het gevorderde onder I. niet toewijsbaar is.

t.a.v. de vordering ex artikel 438 Rv

5.17.

Vooropgesteld moet worden dat [gedaagde] in beginsel gerechtigd is het vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, jegens [eiser] ten uitvoer te leggen. In een execu-tiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis enkel schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant ( [gedaagde] ) mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde ( [eiser] ) die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van de bevoegdheid tot tenuit-voerlegging. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde executie niet kan worden aanvaard.

5.18.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat [eiser] naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter met het geven van de interviews aan Quote en Tubantia en zijn uitingen tijdens het kort geding van 12 juni 2019 (zie hiervoor onder 5.3., sub 3), 4) en 5)) het verbod in het vonnis van 25 juni 2019 niet geschonden heeft. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat executie van het vonnis op die onderdelen dient te worden gestaakt, op straffe van verbeurte van een dwangsom, die zal worden gemaximeerd als na te melden.

5.19.

Voor het overige zal het gevorderde onder II. worden afgewezen. [eiser] heeft aan deze vordering dezelfde stellingen ten grondslag gelegd als aan zijn vordering onder I. Over het toestaan van de eiswijziging van [gedaagde] (op 7 juni 2019, bij een zittingsdatum 11 juni 2019) en de formulering van het verbod in het vonnis kan wellicht verschillend gedacht worden, maar de genomen beslissingen ter zake leveren, mede in het licht van wat hiervoor is overwogen, geen klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag op. Inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis dienen in hoger beroep aan de orde te worden gesteld. Daarvoor is een executiegeschil niet bedoeld. Verder is gesteld noch gebleken dat er sprake is van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, die aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zullen doen ontstaan indien het vonnis geëxecuteerd wordt.

proceskosten

5.20.

Aangezien in conventie elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De eis in reconventie strekt tot het verbinden van een zwaardere sanctie aan

schending van het verbod onder 5.3. in het vonnis van 25 juni 2019. In de rechtspraak is de mogelijkheid aanvaard tot verhoging van de opgelegde dwangsom ingeval van gewijzigde omstandigheden, waaronder mede wordt verstaan het feit dat inmiddels is gebleken dat de eerder opgelegde dwangsom een onvoldoende prikkel heeft gevormd tot nakoming.

6.2.

De voorzieningenrechter ziet gelet op hetgeen in conventie is overwogen reden om tot verhoging van de dwangsom over te gaan. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] het verbod herhaaldelijk heeft geschonden, ondanks de opgelegde dwangsom, waardoor het in het vonnis van 25 juni 2019 bepaalde maximumbedrag aan verbeurde dwangsommen reeds is bereikt. Een krachtiger prikkel in de vorm van een hogere dwangsom wordt in dit geval dan ook noodzakelijk geacht.

6.3.

De gevorderde dwangsom zal worden verhoogd tot € 10.000,- per keer en/of dag dat [eiser] niet aan het verbod in r.o. 5.3. van het vonnis van 25 juni 2019 voldoet, zulks tot een maximum van € 500.000,-, onder welk maximumbedrag dienen te worden begrepen de met ingang van 26 juni 2019 reeds verbeurde dwangsommen. De verhoging vangt aan op de dag na de betekening van dit vonnis.

6.4.

Het gevorderde onder II. zal worden afgewezen, nu [gedaagde] aan de vordering voorwaarden heeft verbonden ten aanzien waarvan [eiser] ter zitting heeft verklaard dat hij daaraan niet zal voldoen.

proceskosten

6.5.

Nu de eis in reconventie voortvloeit uit het debat van partijen in conventie, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ook de proceskosten in reconventie tussen partijen te compenseren.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

gebiedt [gedaagde] per heden de tenuitvoerlegging van het vonnis van 25 juni 2019 met zaaknummer C/08/229963 / KG ZA 19-66 te staken en gestaakt te houden als het gaat om de interviews van [eiser] met de Tubantia en Quote als bedoeld onder 5.3, 3) en 4) van dit vonnis, en de uitingen van [eiser] ter zitting van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel van 12 juli 2019 als bedoeld onder 5.3., 5) van dit vonnis, en bepaalt dat [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per keer en/of dag dat [gedaagde] niet aan dit gebod voldoet, tot een maximum van € 50.000,-;

7.2.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

7.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

7.5.

veroordeelt [eiser] tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- aan

[gedaagde] per keer en/of dag dat hij na de betekening van dit vonnis niet voldoet aan de onder 5.3. van het vonnis van 25 juni 2019 in de zaak met zaaknummer C/08/229963 / KG ZA 19-66 uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 500.000,-, de met ingang van 26 juni 2019 reeds verbeurde dwangsommen daaronder begrepen;

7.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

7.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2019.1

1type: coll: