Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2700

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
08/950097-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 25-jarige man tot een gevangenisstraf van 26 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor verkrachting en mishandeling van zijn toenmalige vriendin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/950097-17 (P)

Datum vonnis: 1 maart 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 februari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. C.Y. Huang, en van hetgeen door verdachte en de raadsman, mr. T. Geerdink, advocaat te Borne, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer] heeft verkracht;

feit 2: zijn partner, [slachtoffer] , heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 16 maart 2017 te Almelo

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, te weten door:

nader te noemen [slachtoffer] om/bij haar lichaam vast te pakken en/of (vervolgens) mee

te trekken en/of te voeren naar de slaapkamer en/of (vervolgens)

één of meermalen op een bed te leggen en/of te gooien en/of (daarbij)

(krachtig) aan de kleding en/of onderkleding van die [slachtoffer] te trekken en/of

(daarbij) voornoemde kleding (deels) naar beneden en/of uit te trekken en/of

(vervolgens)

aan de arm(en) en/of het lichaam vast te houden,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

te weten het duwen/drukken van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de

vagina van die [slachtoffer] ;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2016

tot en met 01 februari 2017 te Almelo

zijn levensgezel, [slachtoffer] ,

(telkens) heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] :

- één of meermalen krachtig aan diens haren vast te pakken en/of vast te

houden en/of (daarbij) krachtig diens hoofd (aan de haren) naar beneden te

trekken en/of

- één of meermalen krachtig op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen

en/of

- één of meermalen krachtig aan diens (boven)armen vast te pakken en/of vast

te houden en/of (vervolgens) op/tegen de grond te gooien en/of

- krachtig in het kruis, althans de schaamstreek vast te pakken en/of vast te

houden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat aangeefster duidelijk, uitgebreid en consistent heeft verklaard over hetgeen gebeurd is op 16 maart 2017. Wat zij die dag daarover aan derden heeft verteld, komt overeen met haar latere verklaringen. De ter plaatse gekomen verbalisanten en [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), de vriendin van aangeefster, zagen dat zij zichtbaar emotioneel en overstuur was. Op 16 maart 2017 was geen sprake meer van een relatie tussen aangeefster en verdachte. Een deel van het relaas van verdachte – namelijk dat inderdaad geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden, dat aangeefster emotioneel was en huilde toen hij weg ging – is eveneens steunbewijs voor de aangifte evenals de WhatsApp-berichten van 16 maart 2017 tussen verdachte en aangeefster.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is geweest van dwang. De verklaring van aangeefster staat regelrecht tegenover die van verdachte. Door zowel [getuige 1] als de verbalisanten is geconstateerd dat aangeefster emotioneel was, maar niet is vast te stellen dat de waargenomen emotie voortkwam uit de vermeende verkrachting, zodat dit niet als steunbewijs kan dienen.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten en omstandigheden

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

[slachtoffer] (hierna: aangeefster) had een relatie met verdachte. Samen kregen zij twee kinderen. Aangeefster heeft de relatie verbroken op 1 februari 2017. Verdachte had daarna omgang met de kinderen. Zo ook op 16 maart 2017. Omstreeks 18.30 uur die dag kwam verdachte de kinderen bij aangeefster thuisbrengen. Er ontstond een woordenwisseling. Verdachte werd boos. Vervolgens heeft verdachte in de keuken aangeefster gelikt en gekust, waarna aangeefster naar de woonkamer is gelopen. Verdachte heeft vervolgens aangeefster om haar middel vastgepakt en mee naar boven gesleurd. Aangeefster heeft zich verzet. Boven in de slaapkamer aangekomen gooide hij aangeefster op het bed en begon aan haar broek te trekken. Doordat aangeefster weerstand bood lukte het verdachte aanvankelijk niet haar broek uit te trekken. Op het moment dat verdachte aangeefster op haar buik op het bed legde, lukte het hem haar broek en zwarte string naar beneden te trekken en stak hij zijn vingers in haar vagina. Daarop deed verdachte zijn eigen broek los en begon hij – terwijl aangeefster inmiddels weer op haar rug op het bed lag en zij verdachte tegen zijn borstkas trapte – zijn penis in aangeefsters vagina te duwen. Nadat aangeefster verdachte een trap kon geven, kon zij onder hem uit komen en rende zij naar de gang. Verdachte ging achter haar aan, nam haar weer mee naar de slaapkamer waar aangeefster hard huilend op het bed ging zitten. Toen verdachte aangeefster wilde troosten, duwde zij hem aan de kant, trok alleen haar broek aan – zonder string –, liep naar beneden en ging huilend in de keuken op het aanrecht zitten. Op verzoek van aangeefster heeft verdachte de woning verlaten. Aangeefster belde daarop huilend haar vriendin en getuige [getuige 1] op en heeft haar verteld wat er was gebeurd. Laatstgenoemde is direct met haar vriend naar aangeefster toe gegaan. Daar aangekomen zagen zij dat aangeefster trillend op het aanrecht zat. Ze was bleek, haar mascara was uitgelopen en ze was zichtbaar bang. Zij vertelde geen aangifte te durven doen tegen verdachte. [getuige 1] heeft toen de politie gebeld.

De ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] zagen aangeefster in de keuken met opgetrokken benen op het aanrecht zitten. Zij had haar armen om haar benen geslagen. Zij was aan het trillen en huilen. Tegen een van de verbalisanten heeft zij haar verhaal gedaan waarna aangeefster samen met de verbalisanten naar de slaapkamer is gegaan. Daar troffen zij links voor het bed de zwarte string van aangeefster op de vloer aan.

Diezelfde avond heeft aangeefster nog via WhatsApp contact gehad met verdachte. In dat WhatsApp-gesprek heeft zij verdachte een berichtje gestuurd dat zij geen seks had gewild met hem en dat het voor haar erg voelde, maar dat ze het er niet meer over wilde hebben.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat hij op 16 maart 2017 inderdaad seks met aangeefster heeft gehad. Volgens hem kwam het initiatief daartoe van aangeefster. De seks was volgens hem vrijwillig en er was geen sprake van dwang van zijn kant. Verdachte heeft daar ter zitting nog aan toegevoegd dat aangeefster tijdens de seks op een gegeven moment inderdaad begon te huilen, maar dat was volgens verdachte omdat aangeefster besefte dat zij het niet kon maken tegenover haar nieuwe vriend dat zij seks had met verdachte.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat het seksuele contact met aangeefster met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden ongeloofwaardig, nu deze op geen enkele manier steun vindt in het dossier. Een contra-indicatie daar voor is bovendien dat aangeefster op 1 februari 2017 de relatie met verdachte had verbroken en externe partijen betrokken waren bij de omgangsregeling met de kinderen in verband met de problemen tussen aangeefster en verdachte, terwijl ook op 16 maart 2017 kort voor de seks onenigheid was ontstaan tussen hen.

Voor de verklaring van aangeefster kan wel steun worden gevonden, namelijk in de verklaring van getuige [getuige 1] en het relaas van de ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , aan wie aangeefster kort daarna over het gebeurde heeft verteld. Die steun bestaat voor wat betreft de getuige [getuige 1] in haar waarneming van de toestand waarin aangeefster de getuige heeft opgebeld, namelijk huilend en in paniek. Voor wat betreft de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] bestaat de steun voor aangeefsters verklaring in hun waarneming van de toestand waarin ze aangeefster aantroffen in haar woning, namelijk zittend op het aanrecht met opgetrokken benen waar zij haar armen omheen had geslagen, huilend, bleek, met uitgelopen mascara, en trillend. De rechtbank is van oordeel dat ook ondersteuning kan worden gevonden voor de verklaringen van aangeefster in het WhatsApp-contact tussen haar en verdachte later op de avond van 16 maart 2017, in welk verband aangeefster aan verdachte stuurde dat zij geen seks had gewild en dat het voor haar wel erg voelde. Naar het oordeel van de rechtbank sluiten deze berichten aan bij de verklaring van aangeefster dat de seksuele handelingen tegen haar zin in plaatsvonden.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het binnendringen van het lichaam van aangeefster onder dwang heeft plaatsgevonden en dat de tenlastegelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de aangifte, de verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) en de WhatsApp-berichten tussen verdachte en aangeefster van 3 februari 2017 wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangeefster meermalen heeft mishandeld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft bekend dat hij aangeefster op 1 februari 2017 bij de arm heeft gepakt en op de grond heeft gegooid, haar een slag op de billen heeft gegeven en in haar kruis heeft gegrepen. Verder heeft hij betoogd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om de gedraging ‘aan de haren trekken’ te bewijzen. De enkele verklaring van getuige [getuige 3] kan hier niet aan bijdragen en aangeefster geeft zelf niet aan wanneer een dergelijke situatie zich zou hebben voorgedaan. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 1 februari 2017 kregen verdachte en aangeefster, die op dat moment nog een relatie met elkaar hadden, ruzie in hun woning in Almelo. Verdachte heeft aangeefster toen aan haar haren getrokken en haar hoofd naar beneden geduwd, tegen haar lichaam gestompt, haar aan haar bovenarmen vastgepakt, haar tegen de grond gegooid en haar krachtig in het kruis vastgepakt.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs bevat voor het oordeel dat verdachte aangeefster – in de tenlastegelegde periode – op andere momenten dan op 1 februari 2017 heeft mishandeld. In het dossier komen weliswaar aanwijzingen naar voren dat verdachte aangeefster ook heeft mishandeld in het bijzijn van [getuige 3] , maar op grond van het onderhavige dossier en de behandeling ter terechtzitting heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat die mishandeling ook binnen de tenlastegelegde periode valt. De rechtbank zal verdachte om die reden veroordelen voor de mishandeling op 1 februari 2017 en overigens vrijspreken.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 16 maart 2017 te Almelo door geweld, te weten door:

nader te noemen [slachtoffer] om haar lichaam vast te pakken en mee te trekken naar de slaapkamer en op een bed te gooien en krachtig aan de kleding en onderkleding van die [slachtoffer] te trekken en voornoemde kleding deels naar beneden en uit te trekken en het lichaam vast te houden,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het duwen/drukken van zijn, verdachtes, vingers en penis in de vagina van die [slachtoffer] ;

2.

hij op 1 februari 2017 te Almelo zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] :

- krachtig aan haar hoofd naar beneden te trekken en

- krachtig tegen het lichaam te stompen en

- krachtig aan haar bovenarmen vast te pakken en vervolgens op de grond te gooien en

- krachtig in het kruis vast te pakken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 242, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

verkrachting;

feit 2

het misdrijf:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling bij Transfore of een soortgelijke instelling.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Primair

Als de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder 1 tenlastegelegde dan verzoekt de raadsman de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met justitie in aanraking gekomen is en dat de kans op recidive als laag ingeschat wordt indien verdachte de hulp krijgt die hij nodig heeft. Gelet op de oriëntatiepunten voor de straftoemeting en de omstandigheden van het geval zou een (deels) voorwaardelijke boete het meest voor de hand liggen.

Subsidiair

Indien de rechtbank wel tot bewezenverklaring komt van feit 1 dan moet bij het opleggen van een straf volgens de raadsman een rol spelen dat het gezinsleven belangrijk is voor verdachte. Hij wil betrokken zijn bij de opvoeding van beide dochters en het contact tussen aangeefster en verdachte is nu goed. Verdachte is momenteel ZZP’er. Een langdurige gevangenisstraf heeft desastreuze gevolgen voor de (financiële) bijdrage die hij kan leveren in het leven van zijn dochters. Verdachte is een first-offender en sinds het tenlastegelegde zijn inmiddels twee jaren verstreken waarin verdachte niet nogmaals is veroordeeld. Gelet op het reclasseringsadvies en het feit dat aangeefster in haar slachtofferverklaring heeft aangegeven dat zij niet wenst dat verdachte een gevangenisstraf krijgt, lijkt een (deels) voorwaardelijke straf het meest toepasselijk.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld en heeft haar, toen hun relatie inmiddels voorbij was, op grove wijze gedwongen tot het hebben van seks met hem. Ondanks het worstelen en trappen door het slachtoffer om verdachte te doen stoppen, is hij doorgegaan met het bevredigen van zijn lustgevoelens en heeft hij haar verkracht, terwijl hun 3-jarige dochtertje zich alleen beneden in de woonkamer bevond. Hij heeft door het plegen van die feiten een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft bij haar angstgevoelens teweeg gebracht. Het slachtoffer durfde aanvankelijk geen aangifte tegen verdachte te doen. In beginsel kan op dit alles niet anders op worden gereageerd dan met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor wat betreft de hoogte daarvan houdt de rechtbank allereerst rekening met het door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunt voor verkrachting, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en neemt dat als uitgangspunt. Voor mishandeling die, zoals in onderhavig geval, bestaat in huiselijk geweld, geeft het LOVS geen concreet oriëntatiepunt, anders dan dat het suggereert om geen geldboetes op te leggen.

Wat betreft de persoon van de verdachte houdt de rechtbank allereerst rekening met het strafblad van verdachte van 22 januari 2019. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 13 februari 2019. Daaruit komt naar voren dat de reclassering het huiselijk geweld zorgelijk acht en daarmee samenhangend verdachtes emotionele instabiliteit, zijn denkpatronen, gedrag en vaardigheden. Ook het gedrag van de oudste dochter van verdachte (vermoeden van seksueel misbruik) baart de reclassering zorgen en roept vragen op. Dat geldt ook voor het mogelijk seksueel misbruik van verdachte door zijn broer in hun jeugd. De mogelijke gevolgen daarvan op verdachtes eigen leven en de ontwikkeling van zijn eigen seksualiteit is gelet daarop een onderwerp waar in de behandeling aandacht voor moet zijn. Positief is dat verdachte stabiele huisvesting heeft, dat hij een opleiding heeft behaald met een diploma en dat hij arbeidsethos heeft. Verdachte heeft geen financiële problemen of schulden en is niet verslaafd aan middelen. Het contact tussen hem en het slachtoffer verloopt momenteel stabiel en rustig, evenals de omgangsregeling met de kinderen. Verdachte staat open voor toezicht en wil graag behandeling volgen om zijn emoties te reguleren en ze te uiten op een sociaal aanvaardbare wijze. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.

Tot slot houdt de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr bij het opleggen van de gevangenisstraf rekening met de straf die aan verdachte door de politierechter van deze rechtbank bij vonnis van 8 februari 2019 is opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal een gedeelte van twaalf maanden van die gevangenisstraf voorwaardelijk doen zijn met een proeftijd van drie jaren om verdachte er mede van te weerhouden zich in de toekomst andermaal aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal tevens de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbinden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf:

verkrachting;

feit 2 het misdrijf:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht door Reclassering Nederland , bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij de polikliniek Transfore of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

- draagt de reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. M.A.M. Essed, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2019.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2017121223. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1 en feit 2

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 18 april 2017, pagina’s 26, 27, 28 en 35, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster.

V: We willen nu graag van je weten wat er is gebeurd op 16 maart 2017. Wat kun je daarover vertellen?

A: [verdachte] kwam de kinderen ophalen. Hij gaf mij 50 euro om kleertjes te halen voor de kinderen. Ik ben toen naar de stad gegaan. Toen ben ik van mijn eigen geld onder de zonnebank geweest. Daarna heb ik bij de Zeeman kleertjes gehaald voor de kinderen.

Toen was ik om 18.30 uur in huis. Ik had de klippen achter op de deur. Ik had mijn

fiets achter gezet. Ik moest dus omlopen via de gang om via de voorkant mijn huis in

te kunnen. Toen stond hij al met zijn auto voor de deur op mij te wachten. Toen begon

hij gelijk op mij te mopperen. Hij zei ik geef je geld en je gaat meteen naar de

zonnebank. Ik ging mij meteen verdedigen. Hij vroeg aan mij hoeveel ik had uitgegeven.

Ik zei 48 Euro.

Ik liep door het huis naar achteren om de bonnetjes te halen. [verdachte] had een van de kinderen in zijn arm en de ander zat nog in de auto. Ik ben heel snel naar binnen gelopen door het huis heen om uit mijn fiets de bonnetjes te pakken. Hij had de oudste al uit de auto en de jongste moest er nog uit. Dit heeft hij heel snel gedaan want voordat ik met de bonnetjes weer bij de voordeur was, was hij al met de kinderen al door het huis heen gelopen en stond in de keuken. (…) We waren wat aan het mopperen. Ik zei tegen [verdachte] hier is mijn bon en de 2 euro terug. Ik was ook aan het huilen. (…) Toen gingen we naar de keuken en ging ons gekibbel nog verder. In de keuken begon [verdachte] al in mijn nek te likken en probeerde hij me te kussen. (…)

In de keuken begon [verdachte] mij in het gezicht en in mijn nek te zoenen. Ik heb hem daarop weggeduwd. Ik ben er bij weggelopen ook omdat [naam 1] zei "kom, kom, televisie kijken". Hij liep achter mij aan naar de woonkamer. In de woonkamer zit een deur naar boven toe. Hij deed die deur open en pakte mij vast en wilde dat ik meeging naar boven.

(…)

A; [verdachte] pakte mij om zijn middel en sleurde mij mee naar de gang. Ik wist niet meteen wat hij wilde. Hij sleurde mij dat gangetje waar de trap en de wc is, in. Ik wist niet direct wat mij overkwam. Toen we bij de trap kwamen, had ik pas in de gaten wat hij wilde gaan doen. Ik ging mij toen verzetten. [verdachte] stond achter mij en had mij om mijn middel vast. Hij sleurde en beurde mij naar boven. (…) Ik verzette mij. (…)

Boven gooide hij mij op bed. Hij begon te worstelen aan mijn broek. Dat ging hem niet lukken, want ik had een legging aan en ik deed mijn benen wijd. Toen begon hij achter mij aan mijn broek te trekken. Dat lukte ook niet, omdat ik een koprol maakte. Daarna heeft hij mij weer op bed gelegd en toen kwam ik op mijn buik terecht en toen lukte

het hem om mijn legging naar beneden te trekken.

(…)

V; En toen?

A: (…) Toen had hij zijn vingers in mij gestopt en toen had hij ineens mijn broek wel

uit getrokken. Hij stopte zijn vingers in mijn vagina.

(…)

A: Mijn broek was wel uit en ik had ook geen ondergoed meer aan. Het lag op de grond.

V; wat voor ondergoed had je aan?

A; Als ik het goed heb, droeg ik een zwarte string.

V: Je ligt op je rug, je broek en string is uit en wat gebeurt er dan?

A: Hij begon zelf zijn broek los te doen. Ik begon hem te trappen op zijn borstkas. Hij had mijn benen hoog gedaan ter hoogte van mijn nek en hij begon aan zichzelf.

V: Wat bedoel je daarmee, hij begon aan zichzelf?

A: Hij begon bewegingen te maken.

O: Aangeefster maakte masturberende bewegingen

A: Met zijn hand over zijn penis.

V: En toen?

A. Toen probeerde hij hem erin te krijgen en ik zat met mijn benen te trappen tegen zijn borstkas. (…) Hij kwam er wel in met zijn penis maar doordat ik aan het trappen was ging hij er ook snel weer uit. (…)

Hij hield mij op een andere manier vast, dusdanig dat zijn bovenarm dicht bij mijn hoofd kwam. Hij hield mijn benen vast. De elleboog zat op mijn benen. Ik heb hem toen

gebeten in zijn bovenarm, dat was zijn linker arm. Na het bijten heb ik hem ook een

trap gegeven. Hij was nog steeds aan het proberen om bij mij naar binnen te gaan. (…) Nadat ik hem een trap kon geven, kon ik onder hem uit komen en ben ik naar de gang toe gerend.

Ik kwam bij de deur, vlak voor de trap naar beneden. Ik voelde dat hij mij weer beetpakte om mijn buik heen met zijn arm. (…) Hij had mij weer mee teruggenomen naar de slaapkamer en daar zakte ik keihard huilend op bed. Hij wilde toen bovenop mij gaan zitten om mij te troosten. Ik heb hem toen opzij geduwd en heb ik mijn broek aangetrokken. Ik heb ook geen onderbroek meer aangetrokken en toen ben ik naar beneden gegaan naar de keuken en daar ben ik gaan zitten huilen. Ik zat dus in het hoekje op het aanrecht. Hij kwam toen bij mij. Hij

zei "sorry, sorry, sorry". Ik zei tegen hem "ik wil dat je gaat", hij zei nog "ik kan je zo niet achterlaten". Toen is hij dus gegaan.

(…)

V: En toen?

A: Hij ging dus weg. Ik was helemaal overstuur. Ik heb ook mijn vriendin gebeld. (…)

Mijn vriendin heet [getuige 1] en [naam 2] haar vriend kwamen gelijk.

V: Hoe laat was het toen ongeveer?

A: Ik denk dat het rond 19.30 uur was. Met [verdachte] gebeurde tegen 18.45/19.00 uur. Ik

weet dat omdat [verdachte] om 18.30 uur de kinderen terug zou brengen.

(…)

V: Wat zei je tegen [getuige 1] ?

A: Dat [verdachte] kwam en dat hij mij verkracht had.

(…)

V; Wie besluit dan dat de politie gebeld wordt?

A; [getuige 1] heeft de politie gebeld.

(…)

Op 1 februari 2017 is het helemaal uit de hand gelopen met [verdachte] . (…) Dit was het einde van onze relatie. (..) Ik moest meekomen naar de trap. Hij wilde dat ik hem pijpte. Hierna heeft hij zich afgerukt en zijn sperma uitgesmeerd in mijn gezicht. Hij zei tegen mij dat ik een hier was. Na een half uur mocht ik douchen. In die tijd kwam [getuige 2] aan de deur. Tegen [getuige 2] had hij gezegd dat hij klaar was gekomen in mijn gezicht en dat hij het nog in mijn gezicht had uitgesmeerd omdat als ik een hoer was, ik mij ook maar als een hoer moest gedragen.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 februari 2019 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte.

Op 16 maart 2017 bracht ik ’s avonds de kinderen weer terug naar [slachtoffer] . Ik zag dat ze onder de zonnebank was geweest. Daar werd ik boos over, omdat ik dacht dat ze dit betaald had van het geld dat ik haar had gegeven voor kleding voor onze kinderen. [slachtoffer] zei dat dit niet zo was en stond erop dat ik het bonnetje van de kleding zag die zij voor de kinderen had gekocht. Ik ben toen naar binnen gegaan. Op een gegeven moment zoenden we en zijn we naar boven gegaan. Voordat ik mijn piemel helemaal in haar stak, zijn we gestopt, omdat [slachtoffer] begon te huilen. Toen zijn we weer naar beneden gegaan en ging zij op het aanrecht zitten huilen. Op een gegeven moment ben ik op haar verzoek weggegaan.

Op 1 februari 2017 heb ik [slachtoffer] op/tegen haar lichaam gestompt, heb haar bij de bovenarmen gegrepen, haar op de grond gegooid en in haar kruis vastgepakt.

Feit 1

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 3 mei 2017, pagina’s 58 en 59, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige.

V: Wanneer is die verkrachting geweest?

A: Een paar weken geleden. Ik heb haar gezegd dat ze de politie moest bellen. Als jullie zeggen dat het 16 maart was, dan zou dat kunnen. Het was in de avond.

V: Hoe ging dat?

A: Ik was thuis en ik had telefonisch contact met [slachtoffer] . Ze huilde aan de telefoon en was in paniek. Mijn vriend en ik zijn met onze dochter van 1,5 jaar naar haar toe gegaan. Ze vertelde ons dat [verdachte] haar had opgetild en haar had meegenomen naar boven. Zij wilde dit niet, maar [verdachte] had haar toch meegenomen naar boven. Ze had de broek tot halverwege haar bovenbenen gehad en haar benen zodanig wijd gedaan, dat hij haar broek niet verder naar beneden kon doen. Ze hadden niet echt seks gehad, maar het was [verdachte] wel gelukt dat hij in haar was geweest.

V: hoe bedoel je dat precies?

A: Dat [verdachte] met zijn geslachtsdeel in die van haar is geweest.

V: [slachtoffer] heeft verteld over die verkrachting. Wat maakt dat jij gelooft wat [slachtoffer] jou daarover heeft verteld?

A: Als [slachtoffer] bij [verdachte] was, was ze ondergeschikt aan hem. Ze was echt in paniek en is geen type dat liegt. Op 16 maart 2017 toen [naam 2] en ik bij [slachtoffer] in de woning kwamen, was ze aan het trillen en was ze zichtbaar bang. Ze zat op het aanrecht en wij zijn echt van haar geschrokken. Ze was helemaal bleek en haar mascara was uitgelopen. [slachtoffer] gaf aan dat ze echt bang was voor [verdachte] en geen aangifte durfde te doen.

De als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van aangeefster van 7 februari 2018 gevoegde Extraction Report, pagina’s 55 en 56.

[afbeelding 1]

[afbeelding 2]

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 17 maart 2017, pagina’s 78 en 79, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 18 maart 2017, pagina’s 80 en 81, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] van 2 juni 2017, pagina’s 66 en 67, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige.