Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2600

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
08-955028-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 58-jarige vrouw tot een geldboete van 1000 euro en een voorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. De vrouw heeft als verkeersdeelnemer gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer gehinderd waarbij een verkeersongeluk is ontstaan, waarbij het slachtoffer, rijdend op een bromfiets, ernstig gewond raakte. De rechtbank acht niet bewezen dat de door de vrouw gemaakte verkeersfout een misdrijf oplevert, zodat in de strafmaat er rekening mee moet worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-955028-17 (P)

Datum vonnis: 26 juli 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 juli 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Agelink en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.P. Drosten, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: als bestuurder van een personenauto, een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor aan een ander (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, of

subsidiair: als bestuurder van een personenauto zich zodanig op de weg heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Primair

zij op of omstreeks 28 februari 2017 te Enschede in de gemeente Enschede,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), komende uit de richting Broekheurne-Ring, daarmede rijdende

over de weg, de Usselerrondweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, het kruispunt, gevormd door de wegen de Usselerrondweg en de Haaksbergerstraat is opgereden, terwijl het zicht op het links van die Usselerrondweg gelegen fiets/bromfietspad werd belemmerd of beperkt door een over die Usselerrondweg rijdende en/of tegemoetkomende vrachtauto, welke vrachtauto doende was dat kruispunt op te rijden, zich niet heeft overtuigd dat uit tegenovergestelde richting geen verkeer over het gezien, haar, verdachtes rijrichting links van die Usselerrondweg gelegen fiets/bromfietspad naderde en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op dat fiets/bromfietspad en/of op dat kruispunt rijdende en tegemoetkomende verkeer en/of op dat kruispunt naar links in de richting van die Haaksbergerstraat is afgeslagen en/of in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dat fiets/bromfietspad

van dezelfde weg (de Usselrrondweg) rijdende en/of haar, verdachte tegemoetkomende en dicht genaderd zijnde bestuurder van een bromfiets, niet voor heeft laten gaan en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bestuurder van die

bromfiets en/of die bromfiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die

bromfiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

zij op of omstreeks 28 februari 2017 te Enschede in de gemeente Enschede, als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting

Broekheurne-Ring, daarmede heeft gereden over de weg, de Usselerrondweg en terwijl het zicht op het links van die Usselerrondweg gelegen fiets/bromfietspad werd belemmerd of beperkt door een over die Usselerrondweg rijdende en/of tegemoetkomende vrachtauto, welke vrachtauto doende was dat kruispunt op te rijden, zich niet heeft overtuigd dat uit tegenovergestelde richting geen verkeer

over het gezien, haar, verdachtes rijrichting links van die Usselerrondweg

gelegen fiets/bromfietspad naderde en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op dat fiets/bromfietspad en/of op dat kruispunt rijdende en tegemoetkomende verkeer en/of op dat kruispunt naar links in de richting van die Haaksbergerstraat is afgeslagen en/of in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het

Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dat fiets/bromfietspad

van dezelfde weg (de Usselerrondweg) rijdende en/of haar, verdachte

tegemoetkomende en dicht genaderd zijnde bestuurder van een bromfiets, niet

voor heeft laten gaan en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bestuurder van die bromfiets en/of die bromfiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die bromfiets ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, als gevolg waarvan sprake is van een ernstige mate van schuld aan de aanrijding. Redengevend acht de officier van justitie dat verdachte met haar auto op de kruising met groen licht linksaf sloeg, daarbij gebruikmakend van de voorrang die zij kreeg van een haar tegemoetkomende vrachtwagen die ook groen licht had en die afsloeg in dezelfde richting, terwijl zij daarbij het pad kruiste van een haar aanvankelijk buiten haar zicht achter de stilstaande vrachtwagen over het (brom)fietspad tegemoetkomende bromfiets, en dit terwijl zij ten onrechte aannam dat het verkeerslicht voor tegemoetkomende brom(fietsers) rood licht uitstraalde Aldus heeft zij geen voorrang verleend aan de langs een groen licht uitstralend verkeerslicht overstekende bromfietser aan wie zij die voorrang wel had moeten verlenen en die zij vervolgens aanreed. Zij heeft aan die aanrijding schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Als gevolg van deze aanrijding heeft de bromfietser [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het onder 1 primair tenlastegelegde kan volgens de officier van justitie dan ook bewezen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij is van mening dat de bestuurder van de bromfiets met een veel te hoge snelheid de kruising kwam oprijden, terwijl verdachte met lage snelheid door een groen verkeerslicht reed. Verdachte reageerde bovendien op een signaal van de vrachtwagenchauffeur, een professionele chauffeur, die een goed overzicht had over de verkeerssituatie. Hij wenkte haar om voor hem langs te rijden. Verdachte heeft de bromfietser niet zien aankomen rijden, ten eerste omdat hij lang achter de vrachtwagen verkeerde, maar verder ook omdat het zicht beperkt was doordat het donker was en er sprake was van zware regenval. Bovendien mocht zij denken dat het verkeerslicht waar de bromfietser vervolgens langsreed voordat hij tegen haar auto aanreed, rood licht uitstraalde, want voor dat licht stonden twee fietsers te wachten. Daarom kan niet worden gesproken van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Evenmin kan tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde worden gekomen. Verdachte was voldoende oplettend. Zelfs de vrachtwagenchauffeur zag de scooter pas op het laatste moment.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Uit de verklaring van verdachte2, de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer]3, de bevindingen van de politie4, en het technisch rapport5 blijkt dat verdachte op 28 februari 2017 in Enschede op de Usselerrondweg voor een rood licht uitstralend verkeerslicht tot stilstand was gekomen, komende vanuit de richting van de Broekheurne Ring. Het was donker en het regende hevig. Op het kruispunt, gevormd door de wegen de Usselerrondweg en de Haaksbergerstraat, trok zij met haar auto – nadat het verkeerslicht tegelijkertijd met het tegenovergestelde verkeer groen was geworden – de kruising op en ging linksaf in de richting de Haaksbergerstraat. Op dat moment reed er, komende vanaf de tegenovergestelde kant, een vrachtwagen. Deze draaide de bocht in om ook de Haaksbergerstraat in te rijden in dezelfde richting als verdachte. Deze vrachtwagen kwam op het kruispunt tot stilstand en volgens verdachte en de bestuurder van deze vrachtwagen gebaarde deze chauffeur verdachte dat zij door mocht rijden.6 Door de vrachtwagen werd voor verdachte een deel van de linkerkant van het zicht op het fiets/bromfietspad ontnomen, terwijl op dat moment ook het verkeerslicht voor (brom)fietsers groen uitstraalde. Verdachte reed door voor de vrachtwagen langs en reed vervolgens tegen de op zijn bromfiets gezeten [slachtoffer] aan, die op dat moment met ongeveer 40 km/uur overstak.

Ten gevolge van deze aanrijding heeft [slachtoffer] zijn linker scheenbeen en kuitbeen gebroken en een gekneusde pols opgelopen.7 Er zal mogelijk sprake zijn van een blijvende lichte beperking aan zijn been. Vanwege het ongeval heeft [slachtoffer] langere tijd niet kunnen werken.

- het primair en subsidiair tenlastegelegde

Voor bewezen verklaring van artikel 6 WVW moet sprake zijn van schuld met betrekking tot het verkeersongeval. Of er sprake is van schuld in de zin van dit artikel hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.8 Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een tenminste aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijden.

Verdachte vertrouwde erop dat de vrachtwagenchauffeur overzicht had toen hij wenkte dat zij door kon rijden. Dit vertrouwen was echter ongefundeerd. Verder heeft verdachte gesteld dat zij aan de andere kant van het fietspad, dus tegenover de kant van waaruit [slachtoffer] kwam aanrijden, twee fietsers voor het verkeerslicht stil zag staan, waaruit zij afleidde dat het verkeerslicht voor deze fietsers op rood stond. Verdachte heeft echter ter terechtzitting verklaard dat zij wel eens heeft meegemaakt dat gebruikers van het fietspad haar tegemoet reden zoals nu de bromfietser, een gegeven dat haar reeds tot voorzichtigheid had moeten manen. Dat er ten slotte sprake was van (hevige) regenval en duisternis had verdachte juist moeten aansporen extra voorzichtig de kruising op te rijden. Wat ook zij van de beweerdelijke snelheid van [slachtoffer] , hij had groen licht en voorrang en betrokkene had hem die moeten verlenen.

Verdachte had er niet van mogen uitgaan dat het verkeerslicht op het (brom)fietspad tegenover haar wel op rood zou staan en had ermee rekening moeten houden dat achter de vrachtwagen over het (brom)fietspad voor haar onzichtbaar tegemoetkomende fietsers of bromfietsers zouden naderen aan wie zij voorrang had moeten verlenen. Zij had daarom niet zonder meer mogen afgaan op het gebaar en de voorrang die zij kreeg van de vrachtwagenchauffeur en op haar vertrouwen dat deze chauffeur goed om zich heen had gekeken en wist dat er geen (brom)fietsers op haar weg zouden komen. Iedere verkeersdeelnemer heeft naar het oordeel van de rechtbank een eigen zorgplicht om zich te vergewissen van de aanwezigheid van ander verkeer dat voorrang heeft. Verdachte heeft aan die plicht onvoldoende invulling gegeven. De vastgestelde omstandigheden en haar ten onrechte aannames en vertrouwen verontschuldigen haar niet.

Deze overwegingen van de rechtbank brengen de rechtbank tot de conclusie dat aan verdachte wel verwijten gemaakt kunnen worden en dat zij in zekere mate schuld heeft aan het ontstaan van de aanrijding en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] en zijn bromfiets. De vastgestelde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank echter niet van een dusdanig gewicht dat gesproken kan worden van een aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijden. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Dezelfde overwegingen brengen de rechtbank wel tot de conclusie dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

zij op 28 februari 2017 te Enschede in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Broekheurne-Ring, daarmede heeft gereden over de weg, de Usselerrondweg en terwijl het zicht op het links van die Usselerrondweg gelegen fiets/bromfietspad werd belemmerd door een over die Usselerrondweg rijdende en tegemoetkomende vrachtauto, welke vrachtauto doende was dat kruispunt op te rijden, zich niet heeft overtuigd dat uit tegenovergestelde richting geen verkeer over het gezien, haar, verdachtes, rijrichting links van die Usselerrondweg

gelegen fiets/bromfietspad naderde en in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op dat fiets/bromfietspad en op dat kruispunt rijdende en tegemoetkomende verkeer en op dat kruispunt naar links in de richting van die Haaksbergerstraat is afgeslagen en in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dat fiets/bromfietspad van dezelfde weg (de Usselerrondweg) rijdende en haar, verdachte

tegemoetkomende en dicht genaderd zijnde bestuurder van een bromfiets, niet

voor heeft laten gaan en in aanrijding is gekomen met die bestuurder van die bromfiets en die bromfiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die bromfiets ten val is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 5 en 177 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair:

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en vordert een taakstraf van 120 uren, subsidiair te vervangen door 4 maanden hechtenis, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman kan, indien het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is, volstaan worden met een geldboete.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft als verkeersdeelnemer gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer gehinderd waarbij een verkeersongeluk is ontstaan waarbij de op een bromfiets rijdende [slachtoffer] ernstig gewond en mogelijk blijvend beperkt aan zijn been is geraakt. Dit leed zal ook door strafoplegging niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Strafoplegging dient bovendien niet alleen met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout te geschieden, maar dient ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de door verdachte gemaakte verkeersfout een misdrijf oplevert, zodat in de strafmaat er rekening mee moet worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met wat in soortgelijke zaken als straf wordt opgelegd. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover blijkend uit het strafdossier en uit wat verdachte daarover ter terechtzitting heeft verklaard, acht de rechtbank een geldboete van € 1.000,00, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, alsmede bij wijze van waarschuwing een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro);

  • -

    beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen;

  • -

    ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 2 (twee) maanden;

  • -

    bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Essed, voorzitter, mr. F.C. Berg en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, met proces-verbaalnummer PL0600-201709436-1. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juli 2019.

3 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] (pagina’s 18 en 19).

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2017 (pagina’s 2 tot en met 5) en de bijlage (pagina 6).

5 Het technisch rapport van 14 maart 2017 (pagina’s 21 tot en met 25).

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] (pagina 16).

7 Een geneeskundige verklaring d.d. 20 maart 2017 (pagina 8) en een verklaring van A.D.P. van Walsum van het Medisch Spectrum Twente (pagina 9).

8 HR 5 april 2011, NJ 2011/172.