Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:257

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
08/770121-18 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:11284, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 54-jarige man tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 119 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden voor het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige jongen. Daarnaast legt de rechtbank de man een taakstraf op van 240 uren en moet hij een bedrag van ruim 1200 euro aan schadevergoeding aan zijn slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770121-18 (P)

Datum vonnis: 28 januari 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1964 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.Y. Huang en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte ontuchtige handelingen heeft verricht bij een jongen die jonger dan achttien jaar is.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2013 tot en met 30 augustus 2013

te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, door misbruik van uit feitelijke

verhoudingen voortvloeiend overwicht, een persoon, [slachtoffer] , geboren op

[geboortedatum 2] 1997 waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat

deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft

bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte

te dulden, bestaande die handelingen onder meer uit:

- het vastpakken en/of betasten en/of aanraken van en/of likken aan het blote

geslachtsdeel van die [slachtoffer] en/of

- het pijpen en/of aftrekken van, het geslachtsdeel van die [slachtoffer] en/of

- het zoenen op/tegen de mond van die [slachtoffer]

bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit:

- het (grote) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of het

(daarbij) aanwezige sociaal/emotionele verschil in ontwikkeling tussen beiden.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging kan niet worden vastgesteld dat de vermeende handelingen in de ten laste gelegde periode zijn gepleegd. Verdachte heeft aangever niet bewogen om seksuele handelingen te verrichten, aangezien het seksuele contact op initiatief van aangever is geweest. Volgens verdachte was er sprake van wederzijdse instemming. Van een beperking in het dagelijks functioneren van aangever is verdachte niet gebleken en deze kan zonder nadere onderbouwing evenmin bewezen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.

Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon jonger dan achttien jaar het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. Zoals uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt, heeft de wetgever bij de totstandkoming van onder meer artikel 248a Sr in dit opzicht als maatstaf voor ogen gestaan of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, in belangrijke mate aankomt op de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de in de tenlastelegging beschreven handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht. Verdachte heeft het blote geslachtsdeel van de toen zestienjarige [slachtoffer] vastgepakt, betast, aangeraakt en gelikt. Ook heeft hij [slachtoffer] gepijpt en zijn geslachtsdeel afgetrokken en heeft hij [slachtoffer] op de mond gezoend.

Verdachte was ten tijde van het plegen van de handelingen 49 jaar oud, terwijl [slachtoffer] zestien jaar oud was. Het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en aangever is daarmee gegeven. Reeds gezien dat grote leeftijdsverschil bestaat eveneens een aanzienlijk sociaal/emotioneel verschil in ontwikkeling tussen beiden. Dat wordt nog versterkt door het feit dat [slachtoffer] verstandelijk beperkt is en een stoornis heeft in het autistisch spectrum.

Gezien het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] en het aanwezige sociaal/emotionele verschil in beider ontwikkeling, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte met [slachtoffer] de ontuchtige handelingen heeft gepleegd zoals ten laste gelegd.

De rechtbank begrijpt het verweer van verdachte dat het [slachtoffer] is geweest die het initiatief heeft genomen op die manier dat verdachte zich op het standpunt stelt dat hij [slachtoffer] niet heeft bewogen tot de seksuele handelingen. Verdachte heeft gesteld dat [slachtoffer] hem op een bepaalde manier heeft aangekeken en dat hij daaruit heeft afgeleid dat [slachtoffer] met hem wilde experimenteren op het gebied van seksualiteit. Verdachte heeft desgevraagd ter zitting niet nader kunnen verklaren hoe deze blik er dan uit zag. Verdachte heeft op geen enkele wijze geverifieerd bij [slachtoffer] of hij de door hem genoemde blik op de juiste wijze interpreteerde. [slachtoffer] heeft daarentegen verklaard dat het initiatief van verdachte uitging en dat hij geen nee durfde te zeggen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] , ook op dit punt, betrouwbaar is, mede in het licht van de weinig concrete verklaring van verdachte. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer en acht bewezen dat [slachtoffer] is bewogen bovengenoemde ontuchtige handelingen van verdachte te dulden.

De rechtbank acht bewezen dat deze handelingen in de periode van 1 april 2013 tot en met 30 augustus 2013 zijn gepleegd. De rechtbank baseert zich daarbij op de verklaring van zowel [slachtoffer] die heeft verklaard dat hij net zestien jaar was – hij is jarig op [geboortedatum 2] – als de verklaring van zijn moeder die heeft verklaard dat [slachtoffer] heeft gezegd dat het vijf jaren geleden in de zomervakantie was. Daarnaast heeft getuige [getuige] , partner van verdachte, verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] zestien jaar was. Het verweer van de verdediging wordt daarmee verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat, verdachte:

in de periode van 01 april 2013 tot en met 30 augustus 2013 te Nijverdal, door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1997, waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat

deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen van verdachte te dulden, bestaande die handelingen onder meer uit:

- het vastpakken en betasten en aanraken van en likken aan het blote geslachtsdeel van die [slachtoffer] en

- het pijpen en aftrekken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer] en

- het zoenen op de mond van die [slachtoffer]

bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit:

- het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en die [slachtoffer] en het daarbij aanwezige sociaal/emotionele verschil in ontwikkeling tussen beiden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan de dader moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 119 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, waarbij aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, meldplicht en ambulante behandeling gekoppeld moeten worden. De proeftijd moet worden bepaald op drie jaren.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het bewegen van een minderjarige jongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De minderjarige was destijds zestien jaar. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht en de kwetsbare positie van de jongen. Verdachte is daarbij alleen bezig geweest met het bevredigen van zijn eigen seksuele behoeftes.

Verdachte heeft hierdoor grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze kwetsbare minderjarige jongen, die nog altijd de gevolgen van het gebeurde ondervindt, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] , die door zijn moeder ter zitting is voorgelezen. [slachtoffer] lijdt tot op de dag van vandaag onder de impact van de gebeurtenis, die hij vijf jaar lang heeft weggestopt. Hij staat onder behandeling van een psycholoog en is recente doorverwezen naar een psychiater voor verdere behandeling.

Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen noch enige verantwoordelijkheid heeft genomen voor het gebeurde. Integendeel, hij legt - in zijn versie van de gebeurtenis - de verantwoordelijkheid geheel bij de jongen.

Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank neemt bij de oplegging van de straf in het bijzonder in aanmerking de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van het slachtoffer en de aard van de gedragingen.

De rechtbank neemt bij de oplegging van de straf verder in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 15 oktober 2018 en het door de reclassering gegeven strafadvies. Tenslotte neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het uittreksel justitiële documentatie van 23 november 2018 betreffende verdachte blijkt dat hij, met uitzondering van dit voorval, niet wegens soortgelijke delicten met justitie in aanraking geweest.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de maximale taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis passend en geboden is. Teneinde verdachte er van te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen, acht de rechtbank daarnaast het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur als door de officier van justitie geëist passend en geboden, waarbij de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden van reclasseringstoezicht, meldplicht en ambulante behandeling aan dat voorwaardelijk strafdeel zal koppelen. De proeftijd zal de rechtbank bepalen op drie jaren.

8 De schade van benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 1] heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [slachtoffer] gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.786,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- € 15.25 aan medicatie;

- € 271,26 aan reiskosten.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,-- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering daar waar het de gevorderde materiële schade betreft kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient volgens de officier van justitie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid door de rechtbank te worden geschat.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair moet niet-ontvankelijkheid volgen omdat de vordering zowel waar het de materiële als immateriële schade betreft, onvoldoende is onderbouwd.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De gevorderde materiële schadevergoeding van € 286,51 acht de rechtbank op grond van de overgelegde stukken in samenhang met hetgeen daarover ter zitting door de moeder van aangever is verklaard, voldoende onderbouwd en aannemelijk, zodat de rechtbank dit bedrag zal toewijzen.

Ten aanzien van de gevorderde en door de verdediging betwiste immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. De wet regelt in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade. Volgens het eerste lid sub b van het artikel komt onder meer bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze, vergoeding van ander nadeel in aanmerking. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon op andere wijze is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde zal vervolgens voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan. Evenwel kunnen op dit uitgangspunt volgens de Hoge Raad uitzonderingen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat seksueel misbruik doorgaans leidt tot ernstige psychische schade die kan worden aangemerkt als een persoonsaantasting op de grond ‘aantasting van de persoon op andere wijze’. Ook in deze zaak is de rechtbank van oordeel dat het strafbare feit een dusdanige ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijk integriteit vormt, dat dit op zichzelf als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd en dat reeds daarom immateriële schade toegewezen kan worden.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,-- gevorderd en heeft zich ter onderbouwing daarbij gebaseerd op een rechterlijke uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van verdachte niet volledig overeenkomt met de in die uitspraak weergegeven casus. De rechtbank, met inachtneming van het hiervoor overwogene, zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de door aangever geleden immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,--. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen.

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van totaal € 1.286,51, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 augustus 2013.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c en 22d Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan de dader moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 119 (honderdnegentien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Molenstraat 50 in

(7514 DK) Enschede op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij de polikliniek De Tender of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels en aanwijzingen die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van

€ 1.286,51 (eenduizendtweehonderdzesentachtig euro en eenenvijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 augustus 2013;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.286,51 (eenduizendtweehonderdzesentachtig euro en eenenvijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 augustus 2013 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 22 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. S.K. Huisman en

mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2019.

Mr. Schaap is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, regionale recherche, team zeden, met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 januari 2019 onder meer inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Desgevraagd zeg ik u dat de handelingen zoals die beschreven staan op de tenlastelegging door mij bij [slachtoffer] zijn verricht. Die handelingen kloppen. Ik heb [slachtoffer] meegenomen naar de slaapkamer en daar heb ik seks met hem gehad. Ik dacht dat hij zeventien jaar was.

2.

Een proces-verbaal van aangifte van 12 februari 2018 (blz. 23 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van [naam 1] , zakelijk weergegeven:

Ik kom aangifte doen van seksueel misbruik van mijn zoon [slachtoffer] . [slachtoffer] is nu 20 jaar oud en is verstandelijk beperkt. Zijn IQ ligt tussen 61 en 67. [slachtoffer] is autistisch, bij hem is de diagnose MCDD gesteld.

Het was naar aanleiding van een televisieprogramma van [naam 3] op 11 of 18 januari 2018. Dat programma ging over het ontmaskeren van diverse mannen, die contact zochten met een jongere, met de bedoeling om daar seksuele contacten mee te hebben. Door zijn beperking zit [slachtoffer] nu pas in de puberteit.

Op 12 of 19 januari 2018 werd ik gebeld door [naam 2] van de [organisatie] . Ze vroeg of het goed was of ze even kwam praten die middag. Ze kwam met [slachtoffer] bij ons thuis die middag.

[naam 2] zei dat [slachtoffer] mij iets wilde vertellen naar aanleiding van het televisieprogramma dat we hadden gekeken. [slachtoffer] vertelde mij, dat hem ook was overkomen wat wij op televisie hadden gezien. [slachtoffer] zei “Dat is mij ook gebeurd mama”. Ik vroeg wanneer het gebeurd was en [slachtoffer] antwoordde daarop dat het geweest in de vakantie, ongeveer 5 jaar geleden, in de zomervakantieperiode.

3.

Een proces-verbaal van bevindingen “verhoor getuige in een kindvriendelijke studio” van

14 maart 2018 (blz. 38 van het dossier) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het is 5 jaar geleden gebeurd.

Ik denk dat ik nog net 15 was of net 16

Volgens mij was het wel redelijk mooi weer.

Het is 1 keer gebeurd bij hem.

Hij ging voelen aan mijn plasser over mijn broek heen.

Hij vroeg of ik het fijn vond.

Toen vroeg hij mag je broek uit. Ik durfde geen nee te zeggen. Ik deed mijn broek uit. Hij deed ook gelijk zijn broek uit.

Alle kleren gingen uit. Eerst de broek, toen de rest. [verdachte] deed dat ook.

Toen ging hij likken. Aan mijn plasser.

V: Deed hij nog wat anders aan jou piemel?

A: Ja, op en neer zeg maar.

Aftrekken zeg maar.

Met zijn hand.

Mijn plasser werd stijf. Dan kom je klaar.

V: Hij is jou aan het aftrekken en dan kom je klaar. En waar kom je dan klaar op of in?

A: Dat deed die in zijn mond.

V: En hoe vaak is dat gebeurd?

A: 1 Keer.

4.

Een proces-verbaal van verhoor getuige van 11 april 2018 (blz. 52 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van [getuige] , zakelijk weergegeven:

Ik wist dat hij toen zestien jaar oud was.