Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2467

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
08/950638-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 35-jarige man tot een gevangenisstraf van 6 maanden voor het medeplegen van verduistering en het medeplegen van witwassen. Hij heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan verduistering. Op geraffineerde wijze heeft hij zodoende het slachtoffer voor een bedrag van in totaal ruim 172.040 euro benadeeld. De man heeft de ontvangen geldbedragen vervolgens witgewassen.

Zie ook:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/950638-13 (P)

Datum vonnis: 18 juli 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 maart 2019, 21 juni 2019 en 4 juli 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Haan en van hetgeen schriftelijk door verdachte en namens hem door zijn raadsman mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op 21 maart 2019, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander een geldbedrag van € 172.040,- van [slachtoffer] heeft verduisterd;

feit 2: samen met een ander voornoemd geldbedrag van € 172.040,- heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 te Heerenveen, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag (ongeveer 172.040 Euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [bedrijf 1 slachtoffer] en/of [bedrijf 2 slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als aanbetaling voor een (verzekering voor een) financiering, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 in de gemeente(n) Zwartewaterland en/of Assen en/of Tytsjerksteradiel en/of Heerenveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 172.040 euro, althans van enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) was of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- nadat dat/die geldbedrag(en) was/waren overgemaakt op een bankrekening van [bedrijf verdachten] en/of [bedrijf verdachte] , dat/die geldbedrag(en) (in gedeelten) overgeboekt/doorgeboekt naar een aantal andere bankrekeningen (op naam van anderen dan van verdachte of van [bedrijf verdachten] en/of [bedrijf verdachte] ), en/of

- ( vervolgens) die (deel)bedragen contant van die rekeningen opgenomen, althans die (deel)bedragen contant gemaakt;

en/of

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 in de gemeente(n) Zwartewaterland en/of Assen en/of Tytsjerksteradiel en/of Heerenveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 172.040 euro, althans enig geldbedrag, heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den)moeten vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

De raadsman van verdachte heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Daartoe is gesteld dat beginselen van een goede procesorde zijn geschonden op zodanige wijze dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Ter onderbouwing van die stelling is in de eerste plaats aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu – kort gezegd - tegen drie in het dossier voorkomende en bij naam genoemde personen geen vervolging is ingesteld, maar tegen verdachte wel.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek Koefuut, waarvan de strafzaak tegen verdachte deel uitmaakt, een betrekkelijk complex onderzoek betreft waarin meerdere personen in beeld zijn geweest in verband met mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 juni 2019 - onder meer onder verwijzing naar de inhoud van een ter terechtzitting overgelegde brief van 20 oktober 2016 aan de raadsman - uiteengezet dat en waarom het Openbaar Ministerie bepaalde keuzes heeft gemaakt gedurende het onderzoek en op welke wijze dit heeft geleid tot het instellen van vervolging tegen verdachte en zijn medeverdachten. De keuze om tegen vorenbedoelde andere personen geen vervolging is in te stellen, houdt volgens de officier van justitie verband met de resultaten van het onderzoek, waaruit - anders dan bij verdachte het geval is - geen of onvoldoende aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor hun betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten. In de naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijke visie van het Openbaar Ministerie is zodoende geen sprake van gelijke gevallen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is reeds daarom geen sprake.

In de tweede plaats is aangevoerd dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Daarbij is (met name) erop gewezen dat geen verder onderzoek is gedaan naar door verdachte aangedragen informatie en diens aangifte. De rechtbank constateert dat de officier van justitie - zoals hij heeft verwoord ter terechtzitting van 21 juni 2019 onder verwijzing naar een overgelegde brief van 24 oktober 2018 - gedurende het onderzoek bepaalde afbakeningskeuzes heeft gemaakt. Bij die keuzes heeft een rol gespeeld dat verdachte niet van meet af aan heeft verklaard dat hij zelf slachtoffer is in deze zaak en dat de door hem later aangedragen aanwijzingen onvoldoende hebben opgeleverd om daarnaar met redelijke kans op succes verder onderzoek te laten verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie in redelijkheid tot deze afwegingen in het opsporingsonderzoek kunnen komen. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is niet gebleken.

De raadsman heeft in de derde plaats aangevoerd dat geen redelijke en billijke belangenafweging is gemaakt. Daarbij is, zakelijk weergegeven, gesteld dat de benadeelde, [slachtoffer] , niet de intentie heeft gehad om aangifte tegen verdachte te doen, dat verdachte zelf een recherchebureau heeft ingeschakeld, dat hij de politie van informatie heeft voorzien, waar de politie vervolgens geen of onvoldoende onderzoek naar heeft verricht, dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte heeft geprofiteerd van de zaak en dat het tijdsverloop gedurende het onderzoek verdachte geld heeft gekost en zijn gezondheid heeft geschaad.

De rechtbank constateert dat verdachte wordt vervolgd op verdenking van - kort gezegd - de verduistering en het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. In het licht van deze verdenking van ernstige strafbare feiten kunnen de door de verdediging gestelde omstandigheden afzonderlijk noch in samenhang bezien - wat er verder inhoudelijk ook van die stellingen zij - leiden tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging van verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Gelet op het voorgaande is geen sprake van schending van beginselen van een goede procesorde. Nu er ook overigens geen beletselen zijn gebleken voor het instellen van strafvervolging tegen verdachte, oordeelt de rechtbank dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de hem ten laste gelegde feiten ontkend. De raadsman van verdachte heeft - dienovereenkomstig - vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Overwegingen met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 11 juni 2013 heeft [aangever] , als financieel manager werkzaam bij [bedrijf 1 slachtoffer] te Hasselt, namens deze onderneming aangifte van oplichting gedaan.2 Uit deze aangifte - en uit latere verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]3 - komt naar voren dat [slachtoffer]4, directeur groot aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming, [scheepswerf] te Harlingen wilde overnemen en daarvoor financiering probeerde te regelen. Omdat de financiering via banken niet rondkwam, is zij op de particuliere markt verder gaan zoeken en via een zakenrelatie in februari 2013 in contact gebracht met verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en [naam 1] , alle drie bestuurders van [bedrijf verdachten] (hierna: [bedrijf verdachten] ).5
Verdachte en [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer] voorgehouden dat [bedrijf verdachten] met een bedrijf in Hong Kong, genaamd [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), een lening had afgesloten van € 170.000.000,-. [bedrijf] werd vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Van dit bedrag kon [slachtoffer] van [bedrijf verdachten] € 5.830.000,- lenen voor de aankoop van de scheepswerf. Om deze financiering te verkrijgen, diende zij tien procent van het te lenen bedrag contant aan [bedrijf verdachten] te betalen die dat bedrag vervolgens zou doorbetalen aan [bedrijf] , bestemd voor een insolventieverzekering. Omdat het [slachtoffer] niet lukte om de volledige tien procent aan te betalen gingen verdachte en [medeverdachte 1] akkoord met een aanbetaling van

€ 400.000,-.6 [slachtoffer] heeft dat bedrag niet contant betaald, maar heeft dat op 21 maart 2013 giraal overgemaakt op ING-rekening [nummer] van [bedrijf verdachte] (hierna: [bedrijf verdachte] ), een bedrijf van verdachte.7 Dit bedrag is vervolgens door [bedrijf verdachte] overgeboekt naar verschillende rekeningen van verdachte en van derden teneinde het bedrag zo snel mogelijk alsnog contant te maken.8

De rechtbank gaat er verder van uit dat verdachte en [medeverdachte 1] op 22 maart 2013 naar Amsterdam zijn gereisd met een grote hoeveelheid contant geld om dit aan [naam 3] te doen toekomen. Zowel verdachte als [medeverdachte 1] hebben dit verklaard.9 De rechtbank gaat uit van de juistheid van hun verklaringen op dit punt nu het dossier daarvoor voldoende aanknopingspunten bevat, waaronder - naast verklaringen van getuigen - een sms-bericht van verdachte aan [naam 3] waaruit volgt dat zij die dag een contant geldbedrag van € 227.960,- voorhanden hadden.10 Dit bedrag komt bovendien vrijwel overeen met het bedrag dat blijkens transactieoverzichten in het dossier op 22 maart 2013 contant was gemaakt.11

De rechtbank stelt vast dat verdachte en [medeverdachte 1] van elkaar afwijkende verklaringen hebben afgelegd over de omstandigheden waaronder dit geldbedrag is overgedragen aan [naam 3] , dan wel personen die zich voordeden als [naam 3] . De rechtbank is echter van oordeel dat aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] ernstig moet worden getwijfeld nu hij bij zijn verhoren bij de politie telkens wisselende en aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Zo verklaart hij op 3 juli 2013 dat een aantal dingen niet klopt en dat hij open naar de politie zal zijn,12 op 11 juli 2013 dat hij het gewoon niet meer weet,13 op 16 juli 2013 'ik zit zo in de shit met die handel, wat als ik nu gewoon alles op tafel leg? Ik wil openheid van zaken geven, ik verdraai steeds alles. Ik wil opnieuw beginnen en alles eerlijk vertellen',14 en op 15 januari 2014 dat hij naar eer en geweten wil verklaren en zijn verhaal wil doen over wat er bij het hotel gebeurd is en dat 'het hele Engeland en Londen verhaal' niet waar is.15 Daarentegen zijn de verklaringen van verdachte bij de politie en de rechter-commissaris over de overdracht van het contante geld aan [naam 3] , die er in zijn eigen woorden op neerkomt dat [medeverdachte 1] is overvallen, gedetailleerd en consistent en vinden die steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft getuige [getuige 1] , die op 22 maart 2013 mee is gereisd naar Amsterdam en verdachte en [medeverdachte 1] kort voor en kort na de overdracht heeft gezien, verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] met z'n tweeën het hotel binnen zijn gegaan, dat er daarna paniek was en dat ze vertelden dat het niet goed gegaan was.16 Verder heeft de getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris verklaard, kort samengevat, dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat het geldbedrag van € 400.000,- dat op de rekening van [bedrijf verdachte] was gestort en dat vervolgens contant was gemaakt, bij een overval was gestolen.17 Ook bevat het dossier een bericht van verdachte aan [medeverdachte 1] van 23 maart 2013, onder meer inhoudende dat [medeverdachte 1] 'beroofd' is, dat het 'een brute straatroof' c.q. 'diefstal of straatroof met voorbedachten rade' was.18 Wat er van de in dit bericht genoemde kwalificaties ook zij, de rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte en [medeverdachte 1] het contante geldbedrag van

€ 227.960,- op enige onvoorziene en onrechtmatige wijze - in ieder geval anders dan gepland - afhandig is gemaakt.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte samen met [medeverdachte 1] , beiden verbonden aan [bedrijf verdachten] , een overeenkomst tot stand hebben gebracht tussen [bedrijf verdachten] en [slachtoffer] op grond waarvan zij op 21 maart 2013 een aanbetaling van € 400.000,- heeft overgeboekt die bestemd was voor [bedrijf] ter verkrijging van financiering voor de scheepswerf. Nadat dit bedrag op de rekening van [bedrijf verdachte] was overgeboekt, bleef [medeverdachte 1] onverminderd nauw betrokken bij de uitvoering van deze overeenkomst; dit blijkt niet alleen uit de omstandigheid dat verdachte samen met [medeverdachte 1] op 22 maart 2013 met dit geldbedrag, voor zover dit toen al contant gemaakt was, naar Amsterdam is gereisd om dit aan (vertegenwoordigers van) [bedrijf] te overhandigen, maar ook uit de vele contacten die [medeverdachte 1] nadien nog met [slachtoffer] onderhield.19 De rechtbank concludeert verder dat verdachte en [medeverdachte 1] na de overboeking op 21 maart 2013 gezamenlijk de beschikking hadden over

€ 400.000,-, welk geldbedrag op grond van de overeenkomst met [slachtoffer] moest worden aangewend voor het verkrijgen van financiering voor de scheepswerf. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de officier van justitie en de raadsman dat verdachte en [medeverdachte 1] dit bedrag op 21 maart 2013 rechtmatig hadden verkregen en dat zij hebben getracht het daarvan op 22 maart 2013 contant gemaakte geldbedrag van € 227.960,- conform de overeenkomst met [slachtoffer] aan te wenden om financiering voor de aankoop van de scheepswerf te verkrijgen. In zoverre treft hen dan ook geen strafrechtelijk relevant verwijt.20

De rechtbank leidt uit het voorgaande verder af dat verdachte en [medeverdachte 1] na het voorval op 22 maart 2013 een resterend geldbedrag van € 172.040,- van de oorspronkelijk rechtmatig verkregen € 400.000,- onder zich hadden, eerst op de rekening van [bedrijf verdachte] en daags daarna contant gemaakt door overboeking van dat restant op rekeningen van andere(n) dan [bedrijf verdachte] en door opnames van de respectieve bedragen en afgifte daarvan aan [medeverdachte 1] en verdachte.21 Maar door het voorval in Amsterdam moesten zij weten dat aan de gestelde voorwaarde voor het verkrijgen van de financiering – aanbetaling van € 400.000,- - onmogelijk nog kon worden voldaan. Immers, € 227.960,- was in rook opgegaan, verdwenen. Het had vanaf dat moment dan ook op de weg van verdachte en [medeverdachte 1] gelegen om deze gebeurtenis te melden aan [slachtoffer] en het resterende geldbedrag aan haar te retourneren. Beide verdachten hebben dit echter nagelaten en er in haar richting met geen woord over gerept. Integendeel, het dossier bevat sms- en e-mailberichten van [medeverdachte 1] aan [slachtoffer] waaruit blijkt dat hij jegens [slachtoffer] juist deed alsof de financiering rond zou komen.22

[slachtoffer] heeft het resterende geldbedrag dus niet teruggekregen en evenmin is gebleken dat dit geldbedrag op enig moment is aangewend voor het verkrijgen van financiering voor de scheepswerf, terwijl uit het onderzoek evenmin duidelijk is geworden waar het geldbedrag van € 172.040,- dan wél terecht is gekomen.

Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte en [medeverdachte 1] in bewuste en nauwe samenwerking zich dit geldbedrag wederrechtelijk hebben toegeëigend. Zij acht daarom het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Overweging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overwogen dat zij bewezen acht dat verdachte samen met [medeverdachte 1] een geldbedrag van € 172.040,- heeft verduisterd. Uit die overwegingen vloeit voort dat verdachte samen met [medeverdachte 1] dit geldbedrag voorhanden heeft gehad, dat dit van eigen misdrijf afkomstig was en dat verdachte dit dus ook wist. Hoewel dit bedrag door [slachtoffer] op een rekening van [bedrijf verdachte] was gestort, blijkt uit de stukken dat niet alleen verdachte, maar ook [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij het contant maken ervan. Zo heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] namen heeft aangedragen van derden waar delen van het geldbedrag naar toe kon worden geboekt23 en heeft één van die derden, getuige [medeverdachte 2] , verklaard dat hij zowel met [medeverdachte 1] als met verdachte contact heeft gehad over het contant maken van een geldbedrag.24

Door een groot deel van het verduisterde geldbedrag, namelijk € 147.120,-, om te zetten van giraal naar contant geld heeft verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 1] de herkomst ervan verhuld en verhuld wie dit geldbedrag vervolgens voorhanden had. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een geldbedrag (ongeveer 172.040 euro), toebehorende een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geldbedrag verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf, te weten als aanbetaling voor een verzekering voor een financiering, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in de periode van 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 172.040 euro, de herkomst heeft verhuld, en heeft verhuld wie dat geldbedrag voorhanden had, terwijl hij en zijn mededader wisten, dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader

- nadat dat geldbedrag was overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf verdachte] , dat geldbedrag in gedeelten overgeboekt naar een aantal andere bankrekeningen op naam van anderen dan van [bedrijf verdachte] en

- vervolgens die bedragen contant gemaakt

en

hij in de periode van 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag van in totaal ongeveer 172.040 euro, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

In de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 321 juncto 47 en 420bis juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van verduistering.

feit 2

het misdrijf: medeplegen van witwassen.25

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met het aantal feiten dat hij ten laste van verdachte bewezen acht, met het benadelingsbedrag dat met die feiten gemoeid is en met de oriëntatiepunten van het LOVS. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn die aan het openbaar ministerie te verwijten is.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, zakelijk weergegeven, bepleit dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte niet opportuun is. Daarbij is (onder meer) gewezen op het tijdsverloop en op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich met een medeverdachte schuldig gemaakt aan verduistering. Op geraffineerde wijze heeft hij zodoende [slachtoffer] voor een bedrag van in totaal ruim

€ 170.000,- benadeeld. Verdachte heeft de ontvangen gelbedragen vervolgens witgewassen. Het betreffen ernstige strafbare feiten, waaruit een beeld naar voren komt van een verdachte die uitsluitend geldelijk gewin voor ogen heeft gehad en daarbij niet heeft geschroomd het vertrouwen van [slachtoffer] - en meer in het algemeen het vertrouwen dat in het handelsverkeer uitgangspunt zou moeten zijn - ernstig te schaden. De rechtbank rekent het hem aan dat hij op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraudezaken. Bij een benadelingsbedrag als bewezenverklaard en een first offender, zoals verdachte blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 februari 2019 is, wordt in beginsel een gevangenisstraf de duur van negen tot twaalf maanden passend geacht.

Uit een over verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 12 maart 2019 komt naar voren dat verdachte in de periode na zijn aanhouding - naast fysieke klachten, die zicht thans niet meer voordoen - te maken heeft gekregen met psychische klachten, waar hij ondanks behandeling bij een psycholoog nog altijd hinder van ondervindt. Verdachte kan naar eigen zeggen met behulp van medicatie voldoende functioneren. Hij heeft geen problemen op het gebied van huisvesting, heeft werk in zijn eigen bedrijf, wil gaan starten met een masteropleiding en kent geen financiële problemen. Verdachte woont samen met zijn vriendin en twee kinderen en is eenverdiener in het gezin.

De rechtbank constateert dat in eerste aanleg ruim zes jaren zijn verstreken tussen de aanhouding van verdachte en de datum waarop vonnis wordt gewezen. Dit tijdsverloop kan worden verklaard door de complexiteit van de zaak, waarbij onder meer met het onderzoek naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging de nodige tijd gemoeid is geweest. Het dossier is ingezonden op 18 april 2014 en daarna hebben - onder meer - getuigenverhoren plaatsgevonden bij de rechter-commissaris tussen mei en september 2015, in juni 2016, op 13 oktober 2017 en op 7 maart 2018. Tussendoor hebben regiezittingen plaatsgevonden en heeft de officier van justitie de omvang van de vervolging beperkt in zijn brief van 20 oktober 2016. Alles overziend kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat het onderzoek niet voortvarend genoeg heeft plaatsgevonden, noch dat de zaak onnodig heeft stilgelegen. Van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is daarom geen sprake.

De rechtbank heeft zich bij het bepalen van de straf rekenschap gegeven van voornoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder van de (mogelijke) gevolgen die het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met zich brengen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag, de keuze voor een andere strafmodaliteit dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf onvoldoende recht zou doen aan de ernst van de feiten. Het zou naar de maatschappij toe niet uit te leggen zijn indien in een geval als het onderhavige geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden opgelegd. De rechtbank zal - naast de reeds besproken persoonlijke omstandigheden - rekening houden met de omstandigheid dat de feiten lang, zij het niet onredelijk lang, geleden hebben plaatsgevonden en verdachte sindsdien niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 57 Sr. Alle artikelen zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van verduistering.

feit 2

het misdrijf: medeplegen van witwassen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mrs. H. Vegter, voorzitter, M.J.C.M. Manders en

V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.

Buiten staat

Mr. Vegter voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, onderzoek 04FIN13002 KOEFUUT. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p.821-828.

3 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p.1315-1316; Proces-verbaal verhoor [verdachte] , p.1137.

4 Met [slachtoffer] wordt hierna telkens bedoeld: [slachtoffer] , [bedrijf 1 slachtoffer] en/of [bedrijf 2 slachtoffer] .

5 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p.1133 en p.1136, proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p.1314-4 en proces-verbaal verhoor [naam 1] , p.1557, alsook schriftelijk bescheid m.b.t. tot de oprichting van [bedrijf verdachten] , p.1613.

6 Zie over de hiervoor beschreven gang van zaken ook het proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] , p.1082-1088.

7 Schriftelijk stuk, zijnde een transactieoverzicht, p.508.

8 Schriftelijk stuk, te weten een overzicht van geldstromen, p.2042.

9 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p.1167 en proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p.1431, waarbij de rechtbank aan laatstgenoemde verklaring waarde hecht voor zover die inhoudt dat 'een geldbedrag' is overhandigd.

10 Schriftelijke stukken, te weten een weergave van sms-verkeer van [medeverdachte 1] aan ' [naam 4] ', p.158 en met name p.161. Zie verder de verklaringen van getuigen [getuige 1] , p.1483 en [medeverdachte 2] , p.1522, waarin gesproken wordt over een afspraak in een hotel.

11 Zie de door de officier van justitie ter terechtzitting van 21 juni 2019 overgelegde bijlage 1 bij het requisitoir waaruit blijkt dat op 22 maart 2013 € 227.950,- contant was gemaakt.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte, p.1326.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte, p.1392.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte, p.1419.

15 Proces-verbaal verhoor verdachte, p.1428-1430.

16 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p.1482-1484.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de r-c d.d. ????

18 Schriftelijk stuk, te weten een weergave van een telefonisch bericht, p.114.

19 Zie onder voetnoot 13 voor contacten met [slachtoffer] binnen de ten laste gelegde periode. Ook na de ten laste gelegde periode bleef verdachte contacten met [slachtoffer] onderhouden, zie onder voetnoten 19-24.

20 Opmerking verdient dat ' [naam 3] ' gedurende het onderzoek niet konden worden getraceerd, hetgeen opmerkelijk kan worden genoemd. Nu echter niet kan worden uitgesloten dat verdachte en medeverdachte ervan uitgingen dat zij daadwerkelijk een lening van € 170.000.000,- konden verkrijgen, moet het ervoor worden gehouden dat zij tot 22 maart 2013 te goeder trouw handelden.

21 Schriftelijk stuk, te weten een overzicht van geldstromen, p.2042, zie ook de door de officier van justitie ter terechtzitting van 21 juni 2019 overgelegde bijlage 1 bij het requisitoir. Dat ook verdachte hierbij betrokken was, volgt uit de verklaring van [medeverdachte 2] , p.1520-1.

22 Schriftelijke bescheiden, te weten weergaven van e-mailberichten van resp. 26 maart 2013, met als bijlage een 'draft' van een zogenoemde Loan-Agreement tussen [bedrijf] en [bedrijf verdachten] , p.959 en p.952-958, alsook weergaven van sms-berichten, p.1071-1076.

23 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p.1137.

24 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p.1520-1.

25 Het onder 2, tweede cumulatief bewezenverklaarde 'aanwezig hebben' (als bedoeld in artikel 420 bis, onder b Sr) kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als witwassen, nu deze geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Vgl. HR:17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001. De onder feit 2 weergegeven kwalificatie ziet derhalve uitsluitend op de overige bewezenverklaarde gedragingen, waarvoor geldt dat de in de jurisprudentie ontwikkelde kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is.