Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2456

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
08-952921-18 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5449
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 17-jarige jongen uit Wierden is veroordeeld voor het vermoorden van zijn opa. De rechtbank legt hem de maximale jeugddetentie van 2 jaren en jeugd-tbs op. De jongen bracht op 8 november 2018 in Wierden zijn opa met 38 messteken om het leven. Hiermee dacht hij het financiële conflict tussen zijn ouders en zijn opa op te lossen. De jongen is verminderd toerekeningsvatbaar. Aan de nabestaanden moet hij een schadevergoeding betalen van ruim 6.400 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-952921-18 (P)

Datum vonnis: 18 juli 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen de minderjarige verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

nu verblijvende in Juvaid locatie Veenhuizen te Veenhuizen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de met gesloten deuren gehouden terechtzitting van 27 juni 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. C.P. Dronkers en mr. A.L. Postma en van hetgeen door verdachte en de raadsman

mr. T. Geerdink, advocaat te Borne, naar voren is gebracht.

Ter zitting zijn gehoord drs. T. Smits , psycholoog en dr. J. Vreugdenhil, kinder- en jeugdpsychiater, beiden verbonden aan Forensisch Centrum Teylingereind in Sassenheim. Daarnaast zijn ter zitting gehoord N. Rhemrev en M. van Harten, beiden raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming en C. Honcoop, jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Overijssel.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: samen met een ander of alleen, al dan niet met voorbedachten rade, zijn opa heeft gedood.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 8 november 2018 tot en met

9 november 2018, te Wierden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meermalen met een mes,

althans met een scherp en puntig voorwerp, in het hoofd en/of de hals en/of

het (boven)lichaam en/of ledematen heeft gestoken en/of gestoten.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

De redengevende feiten en omstandigheden

Op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 8 november 2018 heeft verdachte in Wierden zijn opa, [slachtoffer] , opzettelijk van het leven beroofd. Verdachte heeft meermalen met een mes in het lichaam van [slachtoffer] gestoken en heeft [slachtoffer] geraakt in het hoofd, de hals, het bovenlichaam en de ledematen. In het lichaam van [slachtoffer] zijn 38 snij- en/of steekletsels toegebracht.

4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben het standpunt ingenomen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, als ook dat sprake is van voorbedachten rade, met dien verstande dat het bestanddeel medeplegen niet kan worden bewezen.

De officieren van justitie hebben hiertoe aangevoerd dat wanneer iemand op de wijze wordt gedood zoals dat bij het slachtoffer [slachtoffer] is gebeurd, het opzet op de dood naar de uiterlijke verschijningsvorm een gegeven is. Het opzet op de dood blijkt ook uit de verklaringen van verdachte waaruit volgt dat hij zijn opa wilde doden. Tevens is volgens de officieren van justitie sprake van voorbedachten rade, nu verdachte het vooropgezette plan had om zijn opa te doden. Als redengevend voor het vooropgezette plan hebben de officieren van justitie aangevoerd dat verdachte eerder met anderen, zoals zijn moeder en zijn vriend [vriend] , heeft gesproken over het doden van zijn opa. Ook verwijzen de officieren van justitie in dit kader naar het Facebook Messenger bericht van verdachte aan zijn moeder met de tekst: ‘dat er ‘s avonds iets zou gaan gebeuren’, naar een chat met [vriend] op 8 november 2018 waarin verdachte zegt dat [vriend] goed voor verdachtes familie moet zorgen en naar de aanschaf van een aantal zaken in de namiddag van 8 november 2018, te weten terpentine bij [bouwmarkt] , blauwe nitril/latex handschoenen bij de [winkel 1] en een mes bij de [winkel 2] . Voorts hebben de officieren van justitie verwezen naar taps/OVC gesprekken tussen verdachte en zijn moeder over voorbedachten rade en verdachtes eigen verklaring bij de politie waarin hij zegt dat hij het mes vanuit huis heeft meegenomen, tweemaal langs de woning van opa is gereden, in twijfel zat of hij het moest doen of niet en een half uur in het gras heeft gezeten en zichzelf heeft afgevraagd of het goed was waar hij mee bezig was. Ook in het motief voor de moord, het financieel conflict tussen verdachtes vader en opa, zien de officieren van justitie de voorbedachten rade terug, nu verdachte in een heimelijk opgenomen gesprek heeft verklaard dat: ‘de intentie was dat het jou (lees: de vader van verdachte) een half miljoen zou schelen’. De officieren van justitie hechten geen waarde aan het door verdachte zelf opgevoerde motief van seksueel misbruik door opa.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat kan worden bewezen dat verdachte zijn opa opzettelijk heeft gedood, maar dat de te bewijzen handelingen niet kunnen leiden tot de kwalificatie moord, omdat uit de door het Openbaar Ministerie opgesomde en ten laste gelegde aanwijzingen zowel afzonderlijk als tezamen geen voorbedachten rade kan worden afgeleid. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er sterke aanwijzingen zijn die erop duiden dat het delict is begaan in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, dan wel dat zodanige contra-indicaties aanwezig zijn dat zij aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan, zijnde de ForCa-rapportage, het middelengebruik van verdachte, het feit dat verdachte een mes bij zich stak met andere intentie namelijk voor zijn veiligheid, het feit dat pas in de woning van opa een confrontatie heeft plaatsgevonden en het feit dat opa meer dan dertig steekletsels heeft.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor is uiteengezet staat vast dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een mes meermalen in het hoofd, de hals, het bovenlichaam en de ledematen van die [slachtoffer] te steken.

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van dit ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

- Het proces-verbaal van de zitting van 27 juni 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

- Het deskundigenverslag, te weten een schouwverslag van 10 november 2018, opgemaakt door drs. Th. T. Loef, forensisch arts KNMG/FMG, pagina 1078;

- Het proces-verbaal bepaling tijdstip overlijden, bijlage 16, pagina 5259;

- Het deskundigenverslag, te weten het rapport ‘pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, van 20 november 2018, opgemaakt door

dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut.

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vragen of verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade en of sprake is van medeplegen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De voorbedachten rade

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Op grond van de in bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte heeft enige tijd voorafgaand aan 8 november 2018 met zijn ouders gesproken over de mogelijke gevolgen voor de rechtszaak, die zijn opa, [slachtoffer] , tegen de vader van verdachte heeft aangespannen - vanwege een financieel geschil van bijna € 500.000,-, als opa dood zou zijn.

Verdachte heeft enige tijd voor 8 november 2018 zijn vriend [vriend] verteld dat hij zijn opa dood wilde hebben en heeft [vriend] om advies gevraagd over wat [vriend] zou doen als hij van iemand af zou willen komen.

Verdachte heeft op 8 november 2018 rond de middag een Facebook Messenger bericht gezonden aan zijn moeder waarin stond dat er ’s avonds iets ging gebeuren.

Verdachte heeft in het begin van de middag op 8 november 2018 bij [bouwmarkt] wasbenzine c.q. terpentine gekocht. Verdachte heeft dit gekocht met als doel na het delict zijn kleding te kunnen verbranden.

Verdachte is in de namiddag van 8 november 2018 met zijn moeder naar [winkel 1] geweest en zij hebben daar blauwe nitril/latex handschoenen gekocht. Verdachte is daarna met zijn moeder naar [winkel 2] geweest, waar zij een vleesmes hebben gekocht. Verdachte heeft de handschoenen gekocht met de gedachte om ze te gebruiken voor zijn brommer en om het delict te plegen. Bij de aanschaf van het mes heeft verdachte zijn moeder beïnvloed om dit betreffende mes te kopen, waarbij verdachte de gedachte had om het te gebruiken voor het delict.

Verdachte heeft op 8 november 2018 om 18:08 uur en om 18:20 uur aan zijn vriend [vriend] Whatsapp-berichten gezonden. De tekst van de berichten zijn als volgt. “ [vriend] , als je vanavond niks weer hoort: zorg voor me familie oke”. En: “Ik ga het nou doen”.

Verdachte doelde met het laatste tekstbericht: “Ik ga het nou doen” op het delict, op het doden van zijn opa.

Na vertrek per brommer - het die middag bij de [winkel 2] gekochte mes bij zich gestoken - vanuit zijn ouderlijk huis in de avond van 8 november 2018, is verdachte twee maal langs de woning van zijn opa gereden, omdat hij naar eigen zeggen twijfelde of het goed was wat hij deed en of hij het wel moest doen. Verdachte heeft vervolgens een half uur in het gras gezeten vlak bij de woning van zijn opa en zich afgevraagd of het goed was waar hij mee bezig was. Toen verdachte nog bij zijn geparkeerde brommer was, heeft hij de blauwe nitril/latex handschoenen aangetrokken, dus nog voordat hij zich daadwerkelijk naar de woning van zijn opa begaf. In de periode rondom het delict heeft verdachte zijn telefoon uitgezet.

Verdachte heeft tijdens een heimelijk opgenomen gesprek met zijn ouders in de jeugdinrichting op 24 november 2018 het volgende gezegd: “Dat krijgen ze ook absoluut niet te weten, dat het gepland is, want dan krijg ik voorbedachte rade en dan zit ik wel op levenslang. Ik en mijn advocaat gooien het gewoon op agressie uit impuls.”

De rechtbank overweegt als volgt.

Nog los van eerdere momenten waarop tussen verdachte en zijn ouders is gesproken over de mogelijke gevolgen voor het financieel conflict als opa dood zou zijn, is vanaf het moment dat verdachte met zijn moeder in de namiddag van 8 november 2018 het mes en de handschoenen aanschaft, tot het moment waarop verdachte daadwerkelijk met het mes zijn opa heeft gestoken, sprake geweest van een reeks momenten waarop beslissingen zijn genomen die gericht waren op de uitvoering van een plan. Een plan dat door verdachte aan anderen, te weten zijn moeder en [vriend] , vooraf is aangekondigd. Niet alleen het moment dat verdachte het mes bij zich steekt en vanuit zijn ouderlijk huis op zijn brommer naar de woning van opa rijdt of het moment waarop verdachte zegt te hebben getwijfeld en gedurende de tijd dat hij op zijn brommer tweemaal langs de woning van zijn opa is gereden, maar ook het gegeven dat hij naar eigen zeggen een half uur in het gras heeft gezeten zich afvragend of het goed was waar hij mee bezig was, zijn momenten waarop verdachte zich had kunnen beraden op het te nemen of voorgenomen besluit. Verdachte heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dit heeft verdachte naar eigen zeggen ook gedaan.

Op grond van het vorenstaande is voor de rechtbank komen vast te staan dat er sprake is geweest van een aanzienlijke tijdspanne tussen besluit en uitvoering, als ook van een rustige en weloverwogen besluitvorming en uitvoering en meerdere momenten waarop verdachte de gelegenheid heeft gehad tot beraad voorafgaand aan de uitvoering. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan te nemen dat sprake is geweest van een plotselinge hevige drift. Van bepaalde contra-indicaties waaraan een zwaarder gewicht moet worden toegekend zoals door de raadsman gesteld, is de rechtbank aldus niet gebleken.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn opa, [slachtoffer] , met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

Het medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek niet is gebleken dat verdachte van iemand de opdracht heeft gekregen of het specifieke verzoek heeft gehad om zijn opa, [slachtoffer] , van het leven te beroven. Hoewel onderhavig dossier diverse aanwijzingen bevat voor betrokkenheid van de moeder van verdachte bij het gebeuren, zowel voorafgaand aan als na afloop van het delict, kan op grond van dit dossier het bestanddeel medeplegen niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

De conclusie

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hierboven, als ook de in de bijlage genoemde, bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 8 november 2018 te Wierden, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meermalen met een mes in het hoofd en de hals en het bovenlichaam en ledematen te steken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffout, is in de bewezen verklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 289 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: moord.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben toepassing van het strafrechtsstelsel voor volwassenen bepleit. De officieren van justitie stellen dat verdachte heeft voldaan aan alle drie van de formele niet cumulatieve vereisten voor toepassing van het volwassenen strafrecht op 16- en 17-jarigen zoals neergelegd in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Volgens de officieren van justitie heeft verdachte zijn opa vermoord en heeft hij om zijn rol zo klein mogelijk te houden een uitgekiende strategie opgezet waarbij hij na het feit zelfs afstemming heeft gezocht met zijn ouders. Verdachte heeft zijn opa na diens gruwelijke dood nog eens extra belasterd door zijn opa nietsontziend te betichten van seksueel misbruik.

Ten aanzien van de strafmaat hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat de daad in verminderde mate aan verdachte toegerekend kan worden en dat verdachte moet worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaren met aftrek van het voorarrest en dat daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (ongemaximeerd) moet worden opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, in overeenstemming met het advies van de jeugdreclassering en de geraadpleegde deskundigen, toepassing van het jeugdstrafrecht de voorkeur verdient. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte binnen het jeugdstrafrecht de mogelijkheid moet krijgen om te leren, te worden behandeld en zich te ontwikkelen.

Met betrekking tot de strafmaat heeft de raadsman bepleit dat de daad in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend, dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft, als ook dat van belang is dat de behandeling van verdachte zo snel mogelijk van start gaat. De raadsman heeft voorts verzocht de behandeling van verdachte binnen het kader van een PIJ-maatregel te laten plaatsvinden. Volgens de raadsman heeft verdachte een positieve behandelmotivatie en is hij behandelbaar. Daarnaast heeft de raadsman bepleit om niet de maximale 24 maanden jeugddetentie onvoorwaardelijk op te leggen maar om, gezien het belang van een spoedige behandeling een deel van deze straf voorwaardelijk te doen zijn.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zijn opa vermoord. Met een vooropgezet plan en met excessief geweld heeft verdachte door middel van messteken een einde gemaakt aan het leven van [slachtoffer] . Het vermoorden van een ander mens is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het meest fundamentele recht dat een mens bezit, namelijk het recht op leven. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen dat recht aan [slachtoffer] ontnomen, ook heeft hij onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] . Dit is ook door de achternicht van [slachtoffer] in de door haar opgestelde en ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring duidelijk verwoord. Dat [slachtoffer] de opa van verdachte was en dat verdachte het leven van zijn opa welbewust heeft opgeofferd vanwege een familiair financieel conflict, maakt de daad van verdachte des te schokkender. Verdachte heeft bovendien, voor het eerst na het delict, beschuldigingen geuit richting zijn opa over seksueel misbruik dat door zijn opa met hem gepleegd zou zijn gedurende zijn jeugd. Uit de OVC-gesprekken valt af te leiden dat verdachte deze beschuldigingen uitsluitend heeft geuit met het doel hiermee strafvermindering te krijgen. De rechtbank merkt op dat op geen enkele wijze, ook niet in het multidisciplinaire onderzoek, enige aanwijzing is gevonden die de beschuldiging, die verdachte op zitting opnieuw heeft geuit, zou kunnen onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn ongefundeerde aanklacht de nagedachtenis van zijn opa beschadigd, hetgeen ook door de nabestaanden als extra leedtoevoeging is ervaren.

Moord behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor moord als maximumstraf - in het volwassenen strafrecht - een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Binnen de rechtspraak is voor moord geen landelijk oriëntatiepunt vastgesteld. De rechtbank heeft bij haar strafmaatoverwegingen uitspraken in soortgelijke zaken onderzocht. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat een feit als het onderhavige zich moeilijk laat vergelijken met andere moordzaken, nu iedere zaak verschillende specifieke elementen en omstandigheden met zich brengt, zeker in het geval van een minderjarige verdachte. Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit volgt in ieder geval dat niet kan worden volstaan met een andere of een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Dit weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee.

De rapportages en verklaringen van deskundigen ter terechtzitting

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte deskundigenrapporten.

Door drs. T. Smits , GZ-psycholoog en dr. J. Vreugdenhil, kinder- en jeugdpsychiater, beiden verbonden aan de Observatieafdeling van Forensisch Centrum Teylingereind, is op 17 april 2019 een klinisch multidisciplinair onderzoek – Pro Justitia-rapportage opgemaakt.

De deskundigen hebben vastgesteld dat bij verdachte sprake is van complexe problematiek en in juridische zin een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Deze zijn te classificeren als een sociale (pragmatische) communicatiestoornis, een aandacht deficiëntie/ hyperactiviteitstoornis, gecombineerde type, een coördinatieontwikkelingsstoornis, een normoverschrijdende-gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Aangezien het lang bestaande, chronische stoornissen betreft, waren deze aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat de problematische informatieverwerking en de scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte vermoedelijk hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde. Verdachte heeft volgens de deskundigen een grote loyaliteit jegens zijn ouders/moeder van wie hij nog (te) sterk afhankelijk is. Vanuit zijn pathologie kan hij situaties onvoldoende overzien, heeft hij weinig oog voor de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen en is hij niet bij machte op adequate manier te anticiperen en problemen op te lossen. Voorts handelt hij naar antisociale cognities en oplossingen met een kortetermijnwinst. Hij is niet in staat zelfstandig op deze cognities te reflecteren en deze te corrigeren. Hij overschat zichzelf en dicht zich allerlei kwaliteiten toe (bijvoorbeeld dat hij de situatie wel even oplost). Gezien wordt dat ouders hierin onvoldoende corrigerend optreden en mogelijk zelfs deze cognities hebben onderhouden dan wel versterkt. Deze elementen hebben bijgedragen aan het gegeven dat verdachte tot het doden van zijn grootvader is gekomen. Hier komt bij dat de gewetensontwikkeling gestoord verloopt en evenmin een rem vormt op dergelijk gedrag.

De deskundigen hebben gesteld dat verdachte werd beperkt in zijn keuzevrijheid en hebben

geadviseerd verdachte het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te

rekenen.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat de kans op toekomstig gewelddadig gedrag vanuit de pathologie wordt verhoogd door het vertekende beeld dat verdachte van zichzelf en zijn omgeving heeft, zijn zelfoverschatting, een beperkt oordeelsvermogen en beperkte oplossingsvaardigheden, antisociale cognities en gebrek aan empathie. De deskundigen hebben daarbij opgemerkt dat er bij verdachte vooralsnog geen beschermende factoren aanwezig zijn.

Volgens de deskundigen zijn er vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen argumenten gelegen in de persoonlijkheid van verdachte die aanleiding geven om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Volgens de deskundigen heeft verdachte nog geen uitgerijpte persoonlijkheid, heeft hij gebrekkige handelingsvaardigheden op motorisch, cognitief en sociaal gebied en is er pedagogische beïnvloeding (los van het gezinssysteem) nodig.

Om te komen tot een afname van de kans op toekomstig gewelddadig gedrag hebben de deskundigen van belang geacht dat de scheefgroei in de persoonlijkheid van verdachte wordt bijgestuurd, als ook dat het ten behoeve van verdachtes ontwikkeling van belang is hem te ondersteunen in het opbouwen van een positiever én reëler zelfbeeld. Een goed ingestelde en gemonitorde behandeling met medicatie (stimulans) kan volgens de deskundigen bijdragen aan afname van de ADHD-symptomen en verbetering van de motoriek, waardoor verdachte minder impulsief wordt en op school succeservaringen kan opdoen.

Voorts achten de deskundigen van belang om verdachte binnen een veilige en overzichtelijke omgeving te laten oefenen in een adequate sociale omgang met volwassenen en leeftijdgenoten. De deskundigen hebben benadrukt dat, vanwege het feit dat verdachte op grond van zijn presentatie snel wordt overschat en overvraagd en tevens vanwege zijn informatieverwerkingsstoornissen en zijn sociale kwetsbaarheid c.q. gebrekkige weerbaarheid, behandeling in een kleine groep met veel overzicht en structuur nodig is.

De deskundigen hebben geadviseerd tot een residentiële behandeling binnen het kader van een onvoorwaardelijke maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ). Ondanks dat verdachte nog niet eerder behandeling heeft gehad, achten de deskundigen een voorwaardelijk kader niet haalbaar, gezien de aard en ernst van de problematiek, het ontbreken van probleeminzicht en de contextuele factoren.

Raadsonderzoekers N. Rhemrev en M. van Harten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) hebben op 27 november 2018 en 21 juni 2019 gerapporteerd. De Raad sluit aan bij het advies van de deskundigen in de Pro Justitia rapportage ten aanzien van de strafafdoening en de behandeling en de daarbij genoemde aandachtspunten. De Raad is het eens met het standpunt dat de behandeling bij voorkeur dient te worden uitgevoerd in een kleinschalige groep, vanwege de kwetsbaarheid van verdachte. De Raad heeft het belang benadrukt dat verdachte maximaal de consequenties van het delict ondergaat en dat derhalve naast een PIJ-maatregel ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie moet volgen.

De rechtbank is van oordeel dat genoemde rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen en stelt op basis daarvan vast dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Ter zitting hebben de deskundigen drs. T. Smits , en dr. J. Vreugdenhil, N. Rhemrev en

M. van Harten, allen voornoemd, hun adviezen toegelicht. De heer C. Honcoop, jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Overijssel heeft eveneens zijn bevindingen gedeeld ten aanzien van het huidig verblijf van verdachte in de jeugdinrichting.

Deskundige Smits heeft ter zitting aangevoerd dat tijdens de observatieperiode regelmatig tegenstrijdigheden bij verdachte zijn waargenomen, kenmerkend voor zijn pathologie, waaronder het anders voordoen qua intelligentie. Het planmatig deel van het gebeuren komt voort uit de pathologie, nu verdachte graag de redder wil zijn. Met het bespreken van de financiële problemen thuis is volgens deskundige Smits een te groot beroep op verdachte gedaan. De bevindingen van de deskundigen sluiten aan bij het gedrag zoals gepresenteerd door verdachte. Onder de laag van gepresenteerde grootsheid, opscheppen en fantaseren zit volgens deskundige Smits een grote behoefte aan erkenning. Verdachte conformeert zich aan degenen die naast hem staan. Deskundige Smits heeft gesteld dat indien gezonde opvoeders, die voor langere tijd de normen en waarden corrigeren naar gezonde normen en waarden, naast verdachte worden gezet, dit verdachte intern zal motiveren. Deskundige Smits heeft het belang benadrukt van een heropvoeding van verdachte op de gebieden die hij heeft gemist gedurende zijn leven, alsook stimulering van een gewetensontwikkeling en het losmaken van het gezinssysteem in de richting van adolescentie. Deskundige Smits acht dit mogelijk nu verdachte niet een verharde jongen is en acht hiertoe een behandeling van meerdere jaren in en gesloten setting noodzakelijk, waarna nog zal moeten worden geresocialiseerd. Volgens de deskundige zijn er geen contra-indicaties tegen oplegging van jeugddetentie.

Deskundige Smits heeft aangevoerd dat bij een PIJ-maatregel de justitiële jeugdinrichting de regie voert in de behandeling en dat ouders zich hieraan moeten conformeren. Ouders worden betrokken bij behandeling maar per casus dient te worden bekeken in welke rol.

Deskundige Vreugdenhil heeft zich aangesloten bij het standpunt van deskundige Smits en heeft daarnaast benadrukt dat zij van belang acht dat de behandeling niet wordt gericht op systeemtherapie maar juist op losmaking van het systeem en ontwikkeling van een eigen identiteit. Op dit moment is verdachte niemand. Daarom moet worden geprobeerd en eigen identiteit op te bouwen en hem te leren wat normaal is en wat goed is en fout. Verdachte kleurt mee met zijn omgeving. Deskundige Vreugdenhil heeft de verwachting uitgesproken dat de vereiste behandeling langdurig zal zijn.

Deskundige Van Harten van de Raad heeft ter zitting aangevoerd dat het belang van een langdurige behandeling, redengevend kan zijn om naast een PIJ-maatregel ook een jeugddetentie op te leggen, nu hiermee naast vergelding ook meer behandeltijd aanwezig is.

Deskundige Rhemrev heeft het pedagogisch belang van een detentiestraf benadrukt, opdat oorzaak en gevolg daadwerkelijk wordt gevoeld.

Deskundige Honcoop heeft aangevoerd dat verdachte in detentie is geplaatst in een kwetsbare groep en dat hij goed meedraait. Honcoop heeft in contact met verdachte een opgeblazen persoonlijkheid maar ook een kwetsbare, bijna kinderlijke jongen gezien, die in mimiek en taalgebruik (ten onrechte) sterk overkomt.

De rechtbank neemt ook deze toelichtingen mee in haar overwegingen.

Het toe te passen sanctiestelsel

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het sanctierecht voor minderjarigen of dat voor volwassenen op de verdachte moet worden toegepast.

Ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit was verdachte zeventien jaar oud. Hoofdregel is dan dat het minderjarigenstrafrecht van toepassing is. Echter kan bij wijze van uitzondering, indien de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven, ten aanzien van een minderjarige volgens artikel 77b Sr, het jeugdstrafrecht buiten toepassing worden gelaten en recht worden gedaan overeenkomstig het strafrecht voor volwassenen.

De rechtbank acht in dit kader het volgende van belang.

- Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan

De rechtbank overweegt dat een feit als het onderhavige, een moord, per definitie een buitengewoon ernstig feit betreft, te meer gezien de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Een en ander zou aldus toepassing van het strafrecht voor volwassenen in beginsel rechtvaardigen. De rechtbank is echter van oordeel dat het enkele feit dat het meerderjarigenstrafrecht bij een dergelijk feit kán worden toegepast, niet maakt dat verdachte dan ook per definitie volgens het meerderjarigenstrafrecht móet worden bestraft. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van artikel 77b Sr, mede bezien in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, met terughoudendheid zal moeten plaatsvinden en hierbij de persoonlijkheid van de dader moet worden betrokken.

- Ten aanzien van de persoonlijkheid van de dader

Ten tijde van het plegen van het delict was verdachte zeventien jaar en vier maanden oud.

De rechtbank is van oordeel dat uit de in het dossier aanwezige tap- en OVC-gesprekken een berekenende, volwassen houding van verdachte volgt, nu verdachte tijdens deze gesprekken met onder meer zijn moeder, waarin hij zich onbespied waant, speculeert over zijn proceshouding en over wat te verklaren om zijn straf zo laag mogelijk te doen zijn. De rechtbank overweegt hierbij dat deze berekenende planmatige houding voortkomt uit zijn pathologie, zoals door de deskundigen is geconstateerd. Daar komt bij dat er volgens de deskundigen vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen argumenten gelegen zijn in de persoonlijkheid van verdachte die aanleiding geven om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Volgens de deskundigen heeft verdachte nog geen uitgerijpte persoonlijkheid, heeft hij gebrekkige handelingsvaardigheden op motorisch, cognitief en sociaal gebied en is er pedagogische beïnvloeding (los van het gezinssysteem) nodig. Uit de deskundigenrapportages en de toelichting van de deskundigen ter zitting volgt voorts dat de persoonlijkheid van verdachte geheel opnieuw zal moeten worden opgebouwd en voorzien van gezonde normen en waarden, waarbij een kleinschalige, pedagogische setting zoals in het kader van de PIJ-maatregel, van belang is. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder enige vorm van behandeling heeft ondergaan.

In het kader van de afweging voor het toe te passen sanctiestelsel wegen deze laatstgenoemde omstandigheden ten aanzien van de persoonlijkheid van verdachte voor de rechtbank zwaarder. Het staat voor de rechtbank buiten kijf dat verdachte een afschuwelijk misdrijf heeft begaan. Hij blijft echter ook een minderjarige jongen met zeer complexe problematiek, waarbij langdurige behandeling nodig zal zijn voordat sprake kan zijn van een terugkeer in de maatschappij. Hoewel twee van de in artikel 77b Sr genoemde criteria in beginsel grond zouden kunnen zijn om het jeugdstrafrecht buiten toepassing te laten en het strafrecht voor volwassenen toe te passen, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, gelet op de persoon van verdachte, zoals hierboven uiteengezet, het strafrecht voor jeugdigen moet worden toegepast en geen toepassing moet worden gegeven aan artikel 77b Sr.


De conclusies betreffende de strafmaat

Samenvattend stelt de rechtbank vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een van de meest ernstige strafbare feiten in ons rechtsstelsel. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er bij verdachte sprake is van een complexe problematiek en in juridische zin een ziekelijke

stoornis van de geestvermogens en gebrekkige ontwikkeling, te classificeren als een sociale (pragmatische) communicatiestoornis, een aandacht deficiëntie/hyperactiviteitstoornis, gecombineerde type, een coördinatieontwikkelingsstoornis een norm overschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Voorts stelt de rechtbank vast dat het feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend en dat er kans op recidive is op - gewelddadige - delicten als behandeling uitblijft. De rechtbank hanteert het jeugdstrafrecht als sanctiestelsel.

De hierboven uiteengezette overwegingen overziend is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd geen andere straf toelaten dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen de maximaal toegestane jeugddetentie voor de duur van twee jaren met aftrek van het voorarrest. De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen aanleiding om een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk te doen zijn.

De rechtbank begrijpt dat het, vanuit het oogpunt van vergelding, de nabestaanden van [slachtoffer] zwaar zal vallen dat aan verdachte een relatief lichte detentiestraf wordt opgelegd door de keuze voor het jeugdstrafrecht. Toepassing van het volwassenenstrafrecht zou leiden tot een gevangenisstraf van aanzienlijk langere duur. De rechtbank acht echter, naast vergelding en beveiliging van de maatschappij van belang dat verdachte gezien de ernst van de vastgestelde problematiek, acute behandelnoodzaak en zijn nog jonge en leerbare leeftijd, niet pas na een langdurige ‘kale’ detentie aan behandeling kan beginnen.

De rechtbank acht aldus naast oplegging van jeugddetentie, daarbij met name gelet op de in de besproken rapportages genoemde ernstige persoonlijkheidsproblematiek, zorgen omtrent het gezinssysteem, het recidiverisico en de noodzaak van een langdurige behandeling, een behandeling in gesloten setting noodzakelijk, te weten binnen de kaders van een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De rechtbank is van oordeel dat aan de eisen voor oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel ingevolge artikel 77s Sr is voldaan.

Het bewezen verklaarde feit betreft een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Er is sprake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene, in navolging van de standpunten van de psychiater, de psycholoog, de Raad en Jeugdbescherming Overijssel, van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Tevens wordt oplegging van voornoemde maatregel geacht in het belang te zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, nu deze maatregel voorziet in de mogelijkheid verdachte gedurende langere tijd intensief te behandelen en te begeleiden in een klinische setting en daarmee bijdraagt aan een aanpak van zijn problematiek alsmede vermindering van het recidiverisico.

Gezien al het bovenstaande zal de rechtbank, naast voornoemde jeugddetentie, aan verdachte opleggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De PIJ-maatregel dient aansluitend aan de jeugddetentie aan te vangen. De PIJ-maatregel geldt voor de duur van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd. De maatregel kan worden verlengd tot een maximale duur van zeven jaren nu de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich, vertegenwoordigd door mr. E.M. Keulen, als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.410,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- uitvaartkosten € 2.703,98;

- vaste lasten woning € 3.501,02;

- opruimkosten € 133,12;

- reiskosten € 72,49.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben het standpunt ingenomen dat de vordering geheel moet worden toegewezen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de notariskosten en de uitvaartverzorging kunnen worden toegewezen. De raadsman heeft ten aanzien van de overige schadeposten niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing dan wel matiging bepleit wegens het ontbreken van causaal verband dan wel een onvoldoende onderbouwing.

De raadsman heeft verzocht indien een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd daaraan geen vervangende hechtenis te verbinden.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn deels betwist, doch voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 6.410,61, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. De rechtbank stelt hierbij de vervangende hechtenis op nul (0) dagen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77a, 77g, 77i, 289 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Het misdrijf: moord;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

- bepaalt dat deze maatregel niet gemaximeerd is;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van een bedrag van € 6.410,61 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2018);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.410,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 0 (nul) dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. E. Venekatte en

mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2018507051 (TGO Liberia). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 21 november 2018, pagina 3115, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige.

(de griffier: A = antwoord)

A: Ik kreeg op donderdag 8 november een Messenger bericht rond de middag dat school klaar was en dat hij thuis wam en dat er s avonds iets ging gebeuren.

[…]

V: Wil jij ons nog iets vertellen wat we mogelijk vergeten zijn aan jou te vragen?

A: [verdachte] vroeg ons maanden geleden: Wat zou het zijn als opa dood was. Zou dan de rechtszaak doorgaan.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 30 januari 2019, pagina’s 2135, 2144, 2146, 2147, 2153, 2154, 2156 - 2160, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte.

(de griffier: V = vraag en A = antwoord O = opmerking)

A: lk ben van school naar huis met de trein terug naar Wierden. lk ben bij de bouwmarkt geweest en heb wasbenzine en nog iets gehaald. Dat weet ik nog.

V: Terpetijn (terpentine).

A:Dat was het. Dank je wel.

V:lk durf dat te zeggen omdat we dat vastgesteld hebben.

A: Dat heb ik gekocht. lk ben door naar huis. En ik ben naar mijn kamer geweest tot een uur of vier. En ben daarna met mijn moeder bij de [winkel 2] geweest. […] Bij de [winkel 2] hebben we, heeft mijn moeder een mes gekocht. Bij de [winkel 1] latex handschoentjes.

[…]

V: Vertel ons waar die terpentine voor was? Ook al is dat moeilijk.

(stilte)

Toe maar...

A: lk wou inderdaad kleding in de brand steken.

V: Voor míj is dat een eerlijk antwoord. Welke kleding?

A: Kleding van na het delict.

V: Ja. Van...?

A: De moord.

V: Wiens kleding?

A: Mijn kleding.

[…]

V: [verdachte] , hieruit blijkt dat je met je moeder afstemt hè? Hoe het zit met de handschoenen. Wij denken dat jij die handschoenen hebt gekocht om aan te gaan hebben tijdens het delict. We stellen je deze vraag, wat kun je daarop zeggen?

A: Klopt, voor allebei de doelen zijn ze gekocht. Mijn moeder wist niet van het tweede doel en dat is dus voor het delict. Mijn moeder wist wel dat ik ze wilde gebruiken voor de brommer maar niet voor het delict.

V: Jij zegt ik heb ze voor twee doelen gekocht mijn moeder wist dat niet, welke doelen zijn dat?

A: Het overspuiten van mijn brommer en dat gedoe, en het delict.

[…]

V: Wat was de reden dat jullie samen dat mes hebben gekocht?

A: Mijn moeder heeft dat mes echt gekocht voor haar eigen gebruik. lk heb dat gewoon gejat voor het delict.

V: Wie bepaalde dat het mes gekocht moest worden?

A: Volgens mij is dat overlegd want mijn moeder wilde een mes kopen en die wilde eerst een ander mes en toen dat en toen wilde ze eerst een bij(fon. Niet goed te verstaan). Toen zei ik van nee neem dat mes. Ik heb haar daar wel in beïnvloed.

V: Hoe heb je dat gedaan?

A: Door een mening te geven. "Die is niet goed, je moet dat."

V: Waarom heb je haar beïnvloed?

A: Om het later te jatten voor het delict.

V: Kan ik daaruít, zeg maar als ik het niet goed zeg. Je zegt: "Ik heb haar gestuurd om het later te jatten." Je wilde invloed uitoefenen op welk mes zij moest gaan kopen, zodat jij die later ging gebruiken?

A: Inderdaad op die manier. En dan bedoel ik het in de manier zij had wel een mes nodig voor iets, maar dat heeft niks met het delict te maken. lk heb haar daarin beïnvloed dat ik het mes kon gebruiken voor het delict.

[…]

V: Wat bedoelde je met dat bericht? Maar wat bedoelde je daarmee richting [vriend] ?

A: Het delict.

V: Het doden van je opa, vul ik dat juist in?

A: Ja.

O: Sheet 18.20 uur Whatsapp tussen [vriend] en [verdachte] van l8:08 tot 18.30 uur

worden getoond

18:20 uur Whatsapp tussen [vriend] en [verdachte]

18:08 [verdachte] : " [vriend] , als je vanavond niks weer hoort: zorg voor me familie oke"

18:09 [vriend] : 'Hoezo wa ben je van plan pik"

18:20 [verdachte] : Ik ga het nou doen"

18:26 [vriend] : 'Denk t eerst eens goed uit voor je handeld"

18:30 [verdachte] : "Is gedaan"

18:30 [verdachte] : 'Geloof me'

V: Dit is het hele gesprek, "lk ga het nou doen." Je zegt: "Dat klopt. lk bedoel het delict, het doden van opa." Je hebt aangekondigd bij [vriend] dat je dat ging doen?

A: Ik heb het er ook weleens met [vriend] over gehad.

V: Waar heb je het dan over gehad?

A: Ik heb wel verteld ik wil hem dood hebben, dat heb ik hem verteld. En in plaats van mij ervan af te praten gaf híj me adviezen hoe ik dat het beste kon doen.

[…]

V: En daarna?

A: Daarna heb ik tegen mijn moeder verteld dat ik naar buiten ging en dat ik naar vrienden ging. En ik liep vanuit de keuken, vanaf de woonkamer naar de keuken naar achter naar mijn brommer toe. En ondertussen jatte ik dat mes mee en ben gewoon weggegaan.

V: Je gaat naar beneden.

A: lk vertel mijn moeder dat ik naar buiten en vrienden toega. Toen ben ik vanuit de woonkamer door de keuken gelopen, dat mes mee gejat en mijn sleutels van de brommer heb ik natuurlijk meegenomen.

V: Welk mes?

A: Dat mes wat gekocht is bij de [winkel 2] . Dat nam ik dus mee. Mijn helm nam ik mee en toen ben ik weggegaan.

V: Hoe ga je dan weg? Je pakt de brommer, mes bij je en een helm op?

A: lk reed als een bezetene gewoon die kant op.

V: Welke kant?

A: Richting opa.

[…]

V: [vriend] jij rechtstreeks naar het mountainbike pad gereden of heb je nog meer

gereden?

A: Ik ben eerst langs het huis heengereden een keer. Toen ben ik hier door dat offroad weggetje gereden, stuk weg. Toen heb ik hetzelfde rondje nog een keer gemaakt.

V: Waarom reed je langs het huis van je opa?

A: Waarschijnlijk omdat ik ook in twijfel zat of ik het nou wel of niet moest doen.

V: Je zegt al: "lk ging weg, pakte het mes en mijn bromfiets om daarheen te gaan." Vervolgens rijd je eerst een rondje langs opa zijn huis. Waarom doe je dat? En wat zie je dan?

A: lk zag helemaal niks. En toen zat ik ook met twijfel en angst, moet ik dit wel doen? Toen ben ik nog een rondje gereden en hier geparkeerd. Of daar... En toen zat ik ook heel erg: "Moet ik dit nou doen? Waar ben ik mee bezig?" lk was meer zelf aan het twijfelen en angstig.

[…] lk ben het rondje af gereden en daar gaan zitten. [vriend] ik gaan twijfelen van moet ik het wel of niet doen? Waar ben ik mee bezig?

V: Hoelang heb je daar gezeten?

A: Als ik het moet schatten een half uur.

V: Je bent gaan zitten. Waar ben je gaan zitten?

A: In het gras gewoon. Je kunt vanaf hier, precies uitkijken op de N35. Daar ging ik altijd zitten als ik boos of bang was of verdrietig. Als er met me was, kon je me altijd op die plek vinden.

V: Wat heb je toen gedaan?

A: zat mezelf af te vragen of het wel goed was, waar ik mee bezig was? En waar the fuck ik mee bezig was? Op de ene of andere manier drong dat niet tot me door. Dus eigenlijk was het een moment om mezelf proberen te behoeden voor iets heel doms.

V: Wat heb je toen gedaan?

A: Toen ben ik die kant op gelopen. Heb ik aangeklopt. Deed hij de deur open. Heb ik hem een vette bek gegeven en toen heb ik hem gestoken.

3.

Het proces-verbaal van de zitting van 27 juni 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte.

Ik heb de blauwe latexhandschoenen aangetrokken op het moment dat ik, van de plek waar ik mijn brommer had geparkeerd, naar de woning van mijn opa liep.

4.

Het proces-verbaal van bevindingen ‘proces-verbaal van uitwerken OVC P.I. 24-11-2018’ van verbalisant [verbalisant] van 17 december 2018, pagina 4061, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant.

[verdachte] : Dat krijgen ze ook absoluut niet te weten, dat het gepland is, want dan krijg ik

voorbedachte rade en dan zit ik wél op levenslang. Was gewoon een impuls. lk en mijn

advocaat gooien het gewoon op agressie uit impuls.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2018507051 (TGO Liberia). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.