Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2363

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
08-952681-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming. Rechtbank oordeelt dat een 41-jarige man 100.000 euro aan illegaal verdiend geld moet betalen aan de Staat. Dat bedrag heeft hij verdiend met het kweken van hennep in Nijverdal. Zie ECLI:NL:RBOVE:2019:1882 voor uitspraak in de strafzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-952681-15

Datum vonnis: 1 juli 2019

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 4.907.078,00.

2 De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 9 november 2017 en 20 mei 2019. De veroordeelde, bijgestaan door respectievelijk zijn raadslieden mr. P.M. Breukink en mr. E.J.M.J. Damen, beiden advocaat te Arnhem, en zijn raadsman mr R. Speijdel, advocaat in Enschede, zijn op die terechtzittingen verschenen en op de vordering gehoord.

Op de terechtzitting van 20 mei 2019 heeft de officier van justitie mr. J. Blanco haar vordering gehandhaafd, zij het dat de officier van justitie zich met betrekking tot het vaststellen van de verdeelsleutel tussen de veroordeelde en eventuele mededaders refereert aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft met betrekking tot het voordeel uit de hennepkwekerij aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de vordering primair moet worden afgewezen, omdat niet gebleken is van enige betrokkenheid van veroordeelde bij de hennepkwekerijen. Subsidiair is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een periode vanaf 1 mei 2013, wat onjuist is aangezien de aanknopingspunten daarvoor ontbreken: nu veroordeelde verklaarde dat hij rond eind maart 2015 de plantage ontdekte, moet van dat tijdstip te worden uitgegaan. Dat klemt te meer nu de politie geen bruikbare aanwijzingen heeft dat er eerder een hennepplantage was. Voorts moeten er, gelet op de omvang van de plantage, meer personen bij de kwekerij betrokken zijn geweest. Meer subsidiair kan uit de stukken niet blijken dat er sprake was van meerdere oogsten en volgt uit de door de raadsman gepresenteerde berekening dat de totale opbrengst € 340.455,41 bedraagt.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 3 juni 2019 onder meer veroordeeld voor de strafbare feiten:

feit 1 primair

het misdrijf:

medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

feit 2 primair het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ze maanden, met aftrek van het voorarrest. Tevens is bepaald dat veroordeelde € 55.117,87 schadevergoeding (hoofdelijk) aan Enexis BV moet betalen en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier, het in de onderhavige zaak door de Politie Oost-Nederland op 19 januari 2016 opgemaakte “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” met de daarbij gevoegde bijlagen en de door de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde ter zitting ingenomen standpunten.

De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering de onder genoemd parketnummer door de rechtbank Overijssel, zittingslocatie Almelo, bij vonnis van 3 juni 2019 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde hiervoor genoemd strafbare feiten.

De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit de teelt van hennep. Zij ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen tevens de schatting van dat voordeel.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij deze beslissing.

Bij de berekening van het door veroordeelde verkregen wederrechtelijke voordeel neemt de rechtbank de berekende opbrengsten en kosten die zijn genoemd in het “Rapport berekening wederrechtelijk voordeel hennepkwekerij” als uitgangspunt, tenzij hieronder anders weergegeven.

Juridisch kader toerekening wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt met betrekking tot de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende voorop.

In het geval er verscheidene daders zijn kan de rechter niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds vaststellen. In zo’n geval moet de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit er toe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend.1

In het vonnis van deze rechtbank van 3 juni 2019 heeft de rechtbank met betrekking tot de hennepkwekerij in Nijverdal gemotiveerd uiteengezet dat er, gelet op de omvang van de kwekerij en het feit dat in de bewezenverklaarde periode diverse personen regelmatig door veroordeelde werden binnengelaten, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen veroordeelde en onbekend gebleven mededaders, waarmee wederrechtelijk voordeel is behaald. De rechtbank zal het totaal van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom slechts voor een gedeelte aan veroordeelde toerekenen.

Voorts houdt de rechtbank geen rekening met de aan veroordeelde bij genoemd vonnis opgelegde verplichting om in verband met illegaal afgenomen elektriciteit een schadevergoeding van € 55.117,87 te betalen. Dit bedrag is immers nog niet betaald.

De rechtbank sluit aan bij het in het genoemde rapport geconstateerde aantal van tien oogsten. In afwijking op genoemd rapport acht de rechtbank het aannemelijk dat er kosten zijn gemaakt voor het knippen van de henneptoppen, dit gelet op het aantal oogsten en de aangetroffen hennepplanten.

De rechtbank acht het redelijk en billijk om het van veroordeelde te ontnemen bedrag te stellen op € 10.000,00 per oogst, zijnde in totaal € 100.000,00.

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 100.000,00. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis.

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 100.000,00.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 100.000,00;

  • -

    legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 100.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019.

1 Hoge Raad d.d. 9 december 2008, LJN BG1667.