Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2238

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
ak_19 _ 217
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De maatman na uitval in een amber-situatie is de oude maatman; onderzoek naar maatmanwissel niet volledig geweest; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/217

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te Schalkhaar, eiser,

gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: W. Prins.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van

28 maart 2018 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 41,44% en een dagloon van € 163,23.

Bij besluit van 13 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder

het primaire besluit herroepen en vastgesteld dat eiser niet arbeidsongeschikt is. Zijn uitkering is met ingang van 14 februari 2019 beëindigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer 19/217.

De werkgeefster van eiser heeft eveneens beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer 19/267.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gevoegd plaatsgevonden op 8 mei 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. J.G.J. Spiekker, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling zijn de zaken weer gesplitst en heden wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1.1.

Eiser is vanaf 1 maart 2010 werkzaam geweest als supportmedewerker ICT bij de gemeente Raalte voor 35,86 uur per week. Voor dit werk heeft hij zich (definitief) ziek gemeld op 19 december 2011 wegens een ernstige chronische ziekte. Eiser heeft hervat in de functie van procesmanager bij gemeente Deventer, waar hij met ingang van 1 maart 2015 in dienst is getreden.

1.2.

Na het doormaken van de wachttijd voor de Wet WIA is eiser met het besluit van

5 december 2013 met ingang van 11 december 2013 in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Bij de betaling van de uitkering is rekening gehouden met eisers verdiensten. Met ingang van 27 maart 2016 is eisers uitkering ingetrokken.

1.3.

Op 28 maart 2018 heeft eiser zich ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Hij was op dat moment nog 27 uur per week werkzaam. Verweerder heeft vervolgens de besluiten genomen die zijn weergegeven onder ‘procesverloop’.

2.1.

Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de arbeidsongeschiktheid waarmee eiser zich ziek meldde op 28 maart 2018 voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WIA-uitkering. Eiser heeft daarom in beginsel recht op herleving van die uitkering. Vanwege de werkzaamheden die eiser nog verrichtte ten tijde van de uitval en de verdiensten hieruit, afgezet tegen het inkomen van de maatman, is hij echter niet in een voor de Wet WIA relevante mate arbeidsongeschikt.

2.2.

Namens eiser is betoogd, dat verweerder ten onrechte in bezwaar de maatman gewijzigd heeft van procesmanager in de ‘oude’ maatman supportmedewerker ICT. Met een beroep op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 mei 2002, gepubliceerd in RSV 2002/164, heeft eiser zich op het standpunt gesteld, dat voor de vaststelling van de maatman aangesloten moet worden bij het werk dat hij deed ten tijde van de toename van de ongeschiktheid (de procesmanager). Omdat artikel 57 van de Wet WIA, dat op eiser van toepassing is, niet is genoemd artikel 6 en 7 van het Schattingsbesluit (SB), geldt voor eiser geen maatmaninkomensgarantie, zodat niet aangesloten kan worden bij de oude maatman supportmedewerker ICT. Uitgaande van de maatman procesmanager is wel sprake van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid. Ook voor de berekening van het voor eiser geldende dagloon dient naar de mening van eiser van zijn laatste werkzaamheden als procesmanager uitgegaan te worden.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op de dag van zijn ziekmelding op 28 maart 2018 ongewijzigd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Over de toegenomen medische beperkingen op die datum bestaat tussen partijen geen verschil van inzicht. Het beroep richt zich tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag, of verweerder terecht van de oude maatman supportmedewerker ICT is uitgegaan en het daarbij behorende maatmaninkomen, of dat verweerder voor de maatman had moeten uitgaan van de meer verdienende procesmanager. Ook staat het dagloon ter discussie.

De maatman

3.2.

Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaande een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.

Ingevolge artikel 1 van de Wet WIA wordt onder maatmaninkomen verstaan: hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

3.3.

Eiser heeft een WIA-beoordeling gehad na zijn uitval uit het werk als supportmedewerker ICT. Deze beoordeling leidde tot een toekenning van een WIA-uitkering. Nadien is eiser gaan werken in de functie van procesmanager, waarin hij een hoger loon genoot. Zijn WIA uitkering is ingetrokken per 27 maart 2016. De rechtbank stelt vast, dat met de ziekmelding per 28 maart 2018 sprake is van een ziekmelding binnen vijf jaar nadat een eerder toegekende WIA-uitkering is ingetrokken. In een dergelijke zogenoemde ‘amber’-situatie regelt artikel 57 van de Wet WIA de herleving van de WIA-uitkering.

3.4.

In artikel 6, zesde lid van het SB heeft de wetgever een zogenoemde maatmaninkomensgarantie opgenomen. In deze bepaling is geregeld dat werkhervatting in een functie met lager loon geen nadelig effect heeft bij een eventuele latere aanspraak op een WIA-uitkering, omdat in die situatie het inkomen van de oude (meer verdienende) maatman wordt gebruikt. Artikel 57 van de Wet WIA wordt in deze bepaling niet genoemd. Volgens eiser betekent dit, dat deze bepaling niet van toepassing is en dus de oude maatman niet gebruikt mag worden. Naar het oordeel van de rechtbank berust het niet noemen van artikel 57 van de WIA in artikel 6 van het SB op een omissie van de wetgever. Voor het achterwege laten hiervan is immers geen logische verklaring te geven. Niettemin is ook naar het oordeel van de rechtbank artikel 6 van het SB in dit geval niet van toepassing, eenvoudigweg omdat deze bepaling niet voorziet in een situatie als die van eiser, waarin wordt hervat in een functie met een hoger loon. Verweerder heeft ter zitting overigens ook opgemerkt, dat het bestreden besluit niet berust op toepassing van de maatmaninkomensgarantiebepaling. Toegelicht is, dat in de situatie van eiser, waarbij sprake is van een beoordeling binnen vijf jaar na een eerdere beëindiging, gedurende die vijf jaar van de bij die beëindiging gehanteerde maatman moet worden uitgegaan. Dat dit in de uitzonderlijke situatie van eiser zeer nadelig voor hem uitpakt, omdat hij gedurende die vijf jaar heeft hervat in beter betalende werkzaamheden, heeft verweerder erkend. Verweerder heeft echter in de wet- en regelgeving geen ruimte gezien voor het hanteren van de nieuwe maatman procesmanager.

3.5.

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de CRvB blijkt dat de maatgevende arbeid bij wijze van hoofdregel dient te worden gesteld op de functie die iemand verrichtte onmiddellijk voorafgaande aan de uitval. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de rechtspraak ook dat in een ‘amber’-situatie, zoals die van eiser, die functie van belang is die bekleed werd onmiddellijk voorafgaande aan de eerste uitval (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2771). Dit leidt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verweerder overeenkomstig de hoofdregel in een ‘amber’-situatie, in beginsel terecht aansluiting heeft gezocht bij de oude maatman supportmedewerker ICT. Dit betekent echter niet, dat de beoordeling van verweerder zonder meer juist is, gelet op het volgende.

3.6.

Om verschillende redenen kan aanleiding bestaan om een uitzondering op de hoofdregel aan te nemen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat het inkomen een bepaalde ontwikkeling zou hebben doorgemaakt als de arbeidsongeschiktheid niet was ingetreden. In dat geval is sprake van niet gerealiseerde toekomstverwachtingen. Ter zitting is namens eiser naar voren gebracht dat hij voorafgaand aan zijn eerste uitval in 2009 en 2010 cursussen over leiderschapsstijlen heeft gevolgd. Of dit plaatsvond in het kader van toekomstperspectief, dat vervolgens niet is gerealiseerd, is de rechtbank vooralsnog niet duidelijk. Verweerder heeft hier bij zijn besluitvorming in ieder geval geen aandacht aan besteed.

Een uitzondering op de hoofdregel kan ook worden gevormd als bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid de nog verrichte werkzaamheden en het daarmee verdiende inkomen een zodanige ontwikkeling doormaken dat de per dag ontvangen beloning uitstijgt boven het loon dat verdiend werd voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In zo'n geval vindt een ontwikkeling van de maatman plaats en moeten de hogere verdiensten als maatstaf worden gehanteerd. Of deze uitzondering van toepassing is, is de rechtbank evenmin duidelijk geworden. Verweerder heeft tijdens de zitting erkend dat geen volledig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vraag of in de situatie van eiser een maatmanwissel op grond van zijn inkomsten aan de orde is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ten onrechte achterwege gelaten. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet volledig is geweest in zijn onderzoek naar de vraag of aanleiding bestaat een uitzondering op de hoofdregel aan te nemen. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Het dagloon

3.7.

Partijen zijn het ook niet eens over het tot aan de datum van de intrekking gehanteerde dagloon. In het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Stb. 2013, 185) is niet bepaald op welke wijze het dagloon van de herleefde WGA-uitkering moet worden vastgesteld. Verweerder heeft het dagloon van de beëindigde uitkering (dus vanuit de functie van supportmedewerker ICT) tot uitgangspunt genomen en dit geïndexeerd. De rechtbank acht dit reëel. De rechtbank merkt daarbij op, dat maatmanloon en dagloon geen gelijke begrippen zijn en de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de maatman en een onderzoek naar de eventuele maatmanwissel geen invloed hebben op het oordeel van de rechtbank over het dagloon.

4. Het beroep van eiser is gegrond voor zover gericht tegen de arbeidskundige beoordeling op het punt van de maatman en het maatmaninkomen. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het primaire besluit te herroepen en zelf in de zaak te voorzien, omdat voldoende gegevens hiervoor bij de rechtbank ontbreken. Verweerder dient met inachtneming van rechtsoverweging 3.6 van deze uitspraak nader onderzoek te doen en een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 512 en wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder het griffierecht van € 46 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, mr. M. van Loenen en

mr. M.I. van Meel, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.